Home

Le pot-au-feu is niet alleen een zeer smakelijke, maar ook een aangrijpende en diepzinnige film

De Napoleon van de Franse cuisine, zo wordt de vermaarde fijnproever Dodin Bouffant in Le pot-au-feu genoemd. Dodins kok en stille geliefde Eugénie, die de gerechten bereidt, krijgt het compliment dat ze ‘een kunstenaar’ is. Beiden reageren verlegen op de loftuitingen. In de ruime keuken van Dodins kasteel, ergens op het Franse platteland van 1885, doen ze simpelweg wat hen het dierbaarst is: koken vol rust en toewijding.

En dan is er opeens het diner dat Dodin (Benoît Magimel) voor de prins van Eurazië moet verzorgen. Uit fatsoen dient hij een antwoord te geven op het acht uur durende feestmaal dat de prins onlangs voor Dodin en zijn gezelschap heeft laten klaarmaken.

Na lang innerlijk overleg weet Dodin wat het moet worden. Tegenover de opgezwollen kost die de prins hun heeft voorgeschoteld, zal Dodin een klassieke Franse runderstoofpot stellen. Een stoutmoedige, rebelse keuze, maar als iemand de schoonheid van dit ogenschijnlijk simpele gerecht zal kunnen treffen, dan is het Dodin Bouffant – met de onmisbare hulp van Eugénie (Juliette Binoche), welteverstaan.

Of misschien is het juist hij die háár helpt, al meer dan 25 jaar lang. De Vietnamees-Franse regisseur Trần Anh Hùng laat veel impliciet in zijn zinnelijke kook- en liefdesdrama, dat zich vrijwel volledig afspeelt op het kasteelterrein: de film heeft duidelijk geen zin om uit deze paradijselijke bubbel te glippen, ook niet in de scène waar Eugénie het nieuws van het stoofpotje met Dodins vrienden deelt. Monter stapt ze door de moestuin, om de heren aan te treffen bij het hek van de koeienwei.

Dat levert een opmerkelijk beeld op: terwijl de mannen even verrukt als verbaasd Dodins keuze bespreken, blijven op de achtergrond voortdurend de dieren zichtbaar die het hoofdingrediënt van de pot-au-feu zullen worden. ‘Daarvoor zoek je een zo vers mogelijk stuk rundvlees uit,’ steekt kameraad Grimaud (Patrick d’Assumçao) van wal. ‘Staartstuk is zeer geschikt, want niet te vet en niet te mager.’ Wie weet heeft hij het precies over die ene achteloos zwiepende staart die achter zijn rug de vliegen verjaagt.

Over de auteur

Kevin Toma schrijft over film in alle soorten en maten, met een speciaal oog voor filmmuziek en een passie voor horror.

Dit is dan ook meteen het enige moment waarop Trần ook maar iets van hedendaags commentaar lijkt te leveren op de eetgewoonten van de personages. De film, naar Marcel Rouffs roman La vie et la passion de Dodin-Bouffant, gourmet (1924), is gesitueerd in een tijd en plek waar ethische overwegingen rondom de consumptie van dieren geen enkele rol spelen. In zekere zin verwacht Le pot-au-feu dezelfde houding van de toeschouwer, al vanaf de vissen die in de eerste scène sissend de pan in gaan.

Bijna veertig minuten duurt die openingsscène, van de bij het ochtendgloren geplukte peentjes en kropsla tot de thee die Eugénie en Dodin ’s avonds laat aan de rand van de vijver drinken, nadat hun gasten zijn vertrokken. Met een overrompelende aandacht en kalmte toont Trần hoe het er in huize Bouffant aan toe gaat: het liefst wijden Eugénie en Dodin de hele dag aan het bereiden van een weelderige maar oprechte maaltijd, die hij met zijn vrienden in de eetkamer gebruikt en zij, samen met bediende Violette (Galatéa Bellugi), in de keuken. Om elk gerecht tot een goed einde te brengen zal ze steeds in de buurt van het fornuis moeten blijven, legt Eugénie aan de mannen uit, maar daar heeft ze volledig vrede mee. ‘Ik converseer al met u via het eten dat ik maak.’

Dat is precies wat de film, de Franse Oscar-inzending, ook zelf doet. Le pot-au-feu openbaart zijn wereld en personages vooral middels het menu, zonder dwingende plot en zonder uitvoerige dialogen: de disgenoten zijn immers geregeld met stomheid geslagen door het heerlijks dat over hun tong rolt, en Dodin en Eugénie hebben geen woorden nodig om een diepe harmonie te bereiken. Hun collectieve kookkunst is daar de voortdurende expressie en bestendiging van.

In de keuken vervloeien close-ups van de zorgvuldig door hen bereide bouillon, vol-au-vent en tarbot over in liefdevolle blikken op hun handen en gezichten; in de eetkamer glijdt Jonathan Ricquebourgs camera op hoofdhoogte over de tafel, terwijl van gerecht tot gerecht het zonlicht verzwakt en de kaarsen krimpen. Op de soundtrack geen muziek, maar een roezig klanklandschap van pauwen, gierzwaluwen, knapperend haardvuur en een verre kerkklok die een steeds later uur slaat.

Mooi hoe de beelden gewichtlozer lijkt te worden naarmate de magen voller raken, en hoe Trần op al die manieren de zintuigen van het publiek bespeelt. Tegen de tijd dat Dodin de Noorse omelet flambeert en in romige plakken op de borden van zijn vrienden legt, kun je ook als kijker geen pap meer zeggen.

Trần, die voor Le pot-au-feu de regieprijs kreeg op het filmfestival van Cannes, kwam al in zijn inmiddels klassieke debuut The Scent of Green Papaya (1993) met gedenkwaardige kooktaferelen. Destijds ging het om veelzeggende interludes, waarbij het in de wok sudderende vlees, de gesauteerde paksoi en geraspte papaya volledig in dienst van het verhaal stonden: de jonge heldin wordt dienstmeid bij een rijk gezin, en leert al kokend hoe ze zich als ondergeschikte tot haar werkgevers moet verhouden.

In À la verticale d’été (2000) laat Trần drie zussen een maaltijd voor hun mannen bereiden en toont hij hoe ze samen, zittend rondom een kom water, goedgemutst een haantje ontvellen. Het beeld gaat minder om het koken zelf dan om de harmonie en verwantschap. In de extreme close-ups van hun aan het haantje plukkende vingers verdwijnt het onderscheid tussen de gezusters uit zicht en lijken ze één kokkerellend wezen te worden.

Serene doch prikkelende kookscènes zijn dus niets nieuws voor Trần, maar niet eerder gaf hij ze zo veel speelruimte en niet eerder wist hij karakterpsychologie en gastronomie zo treffend met elkaar te versmelten. Sterker nog, in Le pot-au-feu is er tussen die dimensies geen verschil. Elke minuut brengt je dichter bij de hoofdpersonages en hun verstandhouding, terwijl zo’n in de oven geschoven kalfsrug, vergezeld door van de saus glinsterende kropslaatjes, ook alle aandacht op zichzelf vestigt.

Om elke gang zo geloofwaardig mogelijk op te dienen, liet Trần zich uitvoerig adviseren door topchefs Michel Nave en Pierre Gagnaire – de laatste is ook even in de film te zien, als de scheef gemutste kok die het prinselijke monstermaal mag presenteren. Alleen al voor opnamen van het stoofpotje werd 40 kilo rundvlees gebruikt, dat uiteindelijk allemaal in de magen van de cast en crew verdween.

Het is ongetwijfeld ook aan de coaching van de topchefs te danken dat de twee hoofdrolspelers meteen overtuigen als meesterkoks. Maar wat vooral telt is de rust waarmee Trần hen volgt, of ze nu samen of alleen hun parcours door de ruime kasteelkeuken trekken, en dat Binoche en Magimel voelbaar op elkaar zijn ingespeeld. In 1999 werden ze een stel, nadat ze elkaar hadden leren kennen op de set van Diane Kurys’ kostuumdrama Les enfants du siècle; een relatie die tot 2003 duurde, en die hen dochter Hanna bracht.

Hun band straalt in Le pot-au-feu meteen af op hun personages. Hoe Eugénie en Dodin zich tot elkaar verhouden hoeft tussen het koken en eten door nauwelijks te worden uitgelegd, al is het óók een groot genot om hen beleefd beminnend met elkaar te zien converseren (‘Eugénie, mag ik vanavond aan uw deur kloppen?’). De blikwisselingen tussen de twee zeggen genoeg, net als de met de jaren geslepen souplesse waarmee ze elkaar in de keuken aanvullen.

Zo autonoom als ze zich opstellen – zij weigert vrolijk zijn huwelijksaanzoeken en probeert haar gezondheidsproblemen voor zichzelf te houden – zo lastig is het om je voor te stellen wat de een zou moeten aanvangen zonder de ander. Alleen al dat omeletje dat Eugénie graag voor Dodin bakt als ontbijt: niemand anders zou dat op die manier kunnen klaarspelen.

Intussen nemen ze een piepjong keukentalent in de leer (een prachtige rol van nieuwkomer Bonnie Chagneau-Ravoire) en wisselen de ochtenden, de middagen en avonden, de dagen en de seizoenen elkaar af. Net als de momenten die zich elke dag op exact dezelfde manier lijken te herhalen, tot ze er opeens niet meer zijn. Dat maakt Le pot-au-feu tot een niet alleen zeer smakelijke, maar ook terloops aangrijpende en diepzinnige film: alsof Eugénie en Dodin, zonder dat je het doorhebt, wonderen verrichten met de ingrediënten van het leven zelf.

Drama

★★★★★

Regie Trần Anh Hùng

Met Juliette Binoche, Benoît Magimel, Bonnie Chagneau-Ravoire, Patrick d’Assumçao, Galatéa Bellugi.

145 min., in 50 zalen.

Bewust

Juliette Binoche schitterde al eerder in een kook- en liefdesfilm. In Lasse Hallströms Chocolat (2000) betovert ze als heldin Vianne Rocher een Frans dorpje met de mirakels van haar chocolaterie. Zelf neemt ze bij het koken niet echt de tijd, vertelde Binoche in een persconferentie op het filmfestival van Cannes, en daar werd ze zich gedurende de opnamen van Le pot-au-feu extra van bewust. ‘Bij het bereiden van het eten moesten we steeds een speciale relatie aangaan met de groenten, met wat we aan het snijden waren,’ aldus Binoche. ‘Alles moest bewust en speciaal zijn.’

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next