Toekomstliteratuur Klimaatverandering verandert ook zijn vak, zegt de Amerikaanse sciencefictionschrijver Kim Stanley Robinson.
‘Het is anders en het is nieuw”, zei de Amerikaanse sciencefictionschrijver Kim Stanley Robinson (71) onlangs op bezoek in Amsterdam. Hij doelde op catastrofale klimaatverandering, tevens het onderwerp van zijn nieuwste roman, Het ministerie voor de toekomst (Starfish, 640 blz., €30). Maar onbewust kaartte ‘KSR’, zoals zijn fans hem noemen, een ander groot drama aan: het einde van sciencefiction.
Feit is dat literaire verzinsel weinig zin meer heeft als het echte leven van de meeste mensen op aarde zich in dezelfde verschrikkelijke toekomst afspeelt als die in de romans van de extreme verbeelding. Dat althans is de conclusie van Robinson.
Het begin van zijn verhaal doet je duizelen: een hittegolf die in India aan 25 miljoen mensen het leven kost. Natuurlijk, dat is niet gebeurd, maar Robinson schrijft alsof dat wel zo is. En wij voelen dat ook zo, geteisterd als we zijn door apocalyptische nieuwsverhalen over droogte, bosbranden en de opwarming van de aarde (recent gemeten gevoelstemperatuur in Rio de Janeiro: 58,5 C).
De rest van het boek gaat over eco-terreur op grote schaal, nét Extinction Rebellion, en de inspanningen van het hoofd van het ministerie voor de Toekomst om via druk op het internationale bankensysteem natiestaten ertoe te dwingen het klimaatakkoord van Parijs te implementeren.
Dit spel tussen feit en verbeelding heeft een lange geschiedenis, van Jules Verne die in de negentiende eeuw duikboten, helikopters en reizen naar de maan voorspelde, tot Edgar Rice Burroughs wiens fantasy-romans over Mars de mensheid begin twintigste eeuw deden geloven dat er leven op de rode planeet mogelijk is. Dat laatste is inmiddels niet zo ver weg meer nu bemande reizen naar Mars werkelijkheid aan het worden zijn.
Al met al rijst de vraag: als de harde, natuurkundige werkelijkheid de menselijke verbeelding overstijgt, wat doe je dan met sciencefiction? „Het genre is dood, verzin iets nieuws”, dichtte de Duits-Amerikaanse Lisel Mueller een jaar voordat ze in 1997 de Pulitzer-prijs voor poëzie kreeg. Het eerste couplet van haar ‘The End of Science Fiction’: „This is not fantasy, this is our life./ We are the characters/ who have invaded the moon,/ who cannot stop their computers./ We are the gods who can unmake/ the world in seven days.”
Die laatste regel is werkelijkheid: het antropoceen, het tijdperk waarin het aardse klimaat en de atmosfeer de gevolgen ondervinden van menselijke activiteit, is een feit. Ook Robinson heeft zich erbij neergelegd, zowel voor wat betreft klimaatverandering als zijn eigen omschakeling van fictie naar een soort ‘docu-sciencefiction’.
Waar Robinson waardering voor zou hebben, is het zich momenteel ontwikkelende nieuwsverhaal van de IJslandse stad Grindavík. Daar moesten vierduizend inwoners huis en haard verlaten vanwege aardbevingen en vulkanische uitbarstingen, om waarschijnlijk nooit weer terug te keren. „Het voelt alsof ik in een dystopische roman leef”, zei Andrea Ævarsdóttireen, bibliothecaris in Grindavík, tegenover de Britse krant The Guardian.
Hiermee is de uitdaging voor sciencefiction helder: als het leven al een dystopische roman is, hoe verzin je dan iets wat nog verder gaat? Lisel Mueller dichtte over een terugkeer naar de alleroudste verhalen. Die geven ons onverminderd een geloofwaardig, menselijk toekomstbeeld. En zijn Homerus, Vergilius en de Bijbel niet oer- sciencefiction?
Source: NRC