Moses ter Borch (1645-67) is in een vrolijke bui. Vanuit zijn lijst lacht hij ons toe. Iemand lijkt de jonge schilder iets grappigs te hebben verteld, al kan het ook zijn dat hij van nature goed geluimd is. Of misschien is hij wel helemaal niet goed geluimd, en lacht hij alleen maar omdat hij wil vastleggen hoe dat eruit ziet, een lachende Moses. Misschien loopt Moses gewoon performatief vrolijk te doen.
Hij is in elk geval niet de enige opgewekte verschijning in de tentoonstelling Krasse koppen in het KMSKA in Antwerpen. Menig model hier laat de lachspieren werken: de slempende boer van Adriaen van Ostade, de oude vrouw met staar van Michael Sweerts, Rembrandt van Rijn himself. Ook hij lacht een rijtje scheve tanden bloot. Geen beugel voor deze jongen, haha.
Over de auteur
Stefan Kuiper is kunsthistoricus en journalist. Hij schrijft sinds 2013 voor de Volkskrant.
Al die uitbundigheid is opvallend, want ouderwetse portretten hebben de naam ernstig te zijn. Zelden kan er bij de geportretteerde een lachje af. Het wordt vaak verklaard doordat mensen indertijd slechte, of helemaal geen tanden hadden, en ook door de conventies van het genre, die neigden naar het voorname. Lachen op een portret getuigde van een schrijnend gebrek aan decorum. De schilderijen in Krasse koppen zijn echter geen portretten, maar tronies.
Het is een wat ouderwets aandoend woord, tronie. In het alledaagse spraakgebruik kom je het eigenlijk alleen nog tegen met het voorvoegsel ‘boeven’. Tot ver in de 19de eeuw was het echter een veel gebezigde term. Elk geschilderd of anderszins gereproduceerd gezicht, van Vermeers Meisje met de parel tot het meisje van Jan Verkade, noemde men destijds een tronie. Tegenwoordig hanteren we een nauwere definitie. Zeggen kunsthistorici tronie, dan bedoelen ze een karakterstudie van een anonieme figuur, in veel gevallen weergegeven tegen een neutrale achtergrond. Zo’n figuur kan een exotisch gewaad of hoofddeksel dragen, maar dat hoeft niet. In Krasse koppen tref je ook tronies van wie de haren onbedekt bleven, of die helemaal geen haren hebben.
Aan deze tentoonstelling is jaren gewerkt, en dat valt er aan af te zien is: het is een geweldige presentatie, rijk, gevarieerd en toegankelijk. Voor elk soort bezoeker valt er iets te genieten. De gekkerds onder ons kunnen zichzelf er fotograferen met een malle muts op de kop, terwijl de studieuzen er van alles kunnen leren over het métier van de portrettist. De fijnproever haalt er ook zijn hart op. Voor de gelegenheid kwam een vrachtlading sterke bruiklenen naar Antwerpen, waaronder oude bekenden als Rembrandts De man met de gouden helm en nieuwe ontdekkingen, zoals Michael Sweerts voortreffelijke Hoofd van een meisje. Met een dikke zeventig werken verdeeld over vijf secties is de kunstdichtheid-bloedsuikerspiegelbalans ook goed in evenwicht. Tegen de tijd dat we oog in oog staan met het laatste hoofd, Vermeers Meisje met de rode hoed, tollen onze hoofden nog geenszins.
In de catalogus maken de samenstellers, Nico van Hout en Koen Bulckens, van de gelegenheid gebruik om wat onduidelijkheden rond de tronie weg te nemen. Dat is nuttig, want in de praktijk worden tronies vaak abusievelijk portretten genoemd en vice versa. De functie en het ontstaan van de genres verschillen echter significant. Waar portretten doorgaans werden gemaakt op verzoek van de geportretteerde, ontstonden tronies op initiatief van de kunstenaar, die ze produceerde voor de vrije markt, niet in opdracht. En waar portretten de nadruk legden op iemands identiteit, ging het bij de tronie om diens uiterlijk en expressie.
Niet wíé iemand was, maar wát hij was, deed ertoe. Leeftijd, sekse, ras, voorkomen en gezichtsuitdrukking stonden centraal. De tronie was daardoor een veel vrijer genre dan het portret. Het toont de menselijke mimiek en fysionomie in al zijn variëteit. Hier zie je mensen gapen, fronsen, lachen en grimassen zoals ze gewoonlijk deden (en doen), behalve op portretten. Die ongedwongenheid maakt tronies benaderbaar en hedendaags, al moeten die kwaliteiten niet verward worden met waarheidsgetrouwheid.
Een persoon op een tronie is niet per se zichzelf. Hij doet vaak alsof. Hij speelt een apostel, zoals de grijs gekrulde figuur op de studies van Jordaens en Van Dyck, of een koning, zoals de zwarte man op Rubens olieverfstudie, en zelfs als hij wel zichzelf is, is zijn gemoedstoestand soms gespeeld. Hij trekt een gezicht alsof hij iets heel smerigs heeft gedronken (zoals de grimassende man op de tronie van Adriaen Brouwer), of alsof hij hogelijk verbaasd is. Er is een beroemde ets van Rembrandt waarop-ie kijkt alsof hij zichzelf voor het eerst in de spiegel ziet. Huh, ben ik dat?!
Een element van fictie is inherent aan het genre. Veel tronies kwamen tot stand ter voorbereiding op bijbel- en historiestukken waarvan er in het Antwerpen van de vroege 17de eeuw honderden werden gemaakt. Gangbare thema’s als de aanbidding door de koningen en de kruisafname van Jezus Christus, toonden een grote cast van heiligen en andere personages, die de schilder kop voor kop diende te voorzien van een onderscheidend uiterlijk en een waarachtige gezichtsuitdrukking.
Daartoe maakte de schilder hoofdstudies, waarvan hij in de loop der jaren vaak een flinke voorraad aanlegde. Rubens bijvoorbeeld bezat er zeker meer dan honderd. Ze zijn geschilderd naar gelegenheidsmodellen, onder wie Rubens wasvrouw en Abraham Grapheus, de buitengewoon markante ‘knaap’ van het Antwerpse Sint-Lucasgilde, en werden vervaardigd op de schaal van het bijbelstuk zodat ze snel konden worden overgezet.
Deze vaardige, met veel oog voor plastiek en schaduwwerking gepenseelde koppen waren strikt bedoeld voor intern gebruik en juist daarin schuilt hun aantrekkingskracht. Men treft erin iets ongepolijsts dat het hedendaagse oog treft als bijzonder aantrekkelijk. Sommige tronies werden later alsnog aangekleed en opgekalefaterd en verhandeld als autonome werken. Andere waren van oorsprong zo bedoeld.
Tot de laatste categorie behoorden de zogenaamde oosterse tronies die Rembrandt en Lievens in hun Leidse jaren maakten. ‘Een soort Turkse vorst met een Hollands hoofd’, omschreef de diplomaat en dichter Constantijn Huygens een van die schilderijen.
Dat Turkse zal hem in de tulband hebben gezeten, waar de heren, die indertijd een atelier deelden, hun kennissen graag mee uitdosten. Volgens kunstenaarsbiograaf Arnold Houbraken (1660-1719) kon Rembrandt wel twee dagen met zo’n ding in de weer zijn voordat hij überhaupt een kwast aanraakte, wat iets zegt over het belang dat hij hechtte aan hoofddeksels. De Weense satiricus Karl Kraus (1874-1936) schreef naar aanleiding van de gesprekken bij de kapper ooit dat sommige mensen enkel hoofden lijken te hebben zodat er haren op kunnen groeien. Voor Rembrandt (en veel andere schilders in de expositie) lijken mensen soms enkel hoofden te hebben zodat er iets aparts op kon worden gezet.
Hoe apart? Aparter dan het mutsje van Moses ter Boch, maar minder apart dan het torenhoge monstrum waarmee Hendrick Goltzius een van zijn modellen ooit opzadelde. Een fraaie legerhelm of imposante tulband was precies apart genoeg. Het fascinerende van zulke hoofddeksels is hun overtuigingskracht. Zet iemand een tulband op, en hij ís ook meteen die oosterse vorst.
In de laatste expositiezaal zie je daarvan een leuke demonstratie. Daar hangt een schilderij van Rembrandt naast een van Lievens, twee tronies van dezelfde kale, blauwogige man die vroeger werd gehouden voor Rembrandts vader. We zien hem zowel met tulband (Rembrandt) als zonder (Lievens), en het verschil is er een van dag en duizend-en-een-nacht. Waar de blootshoofdse man gewoon de buurman uit Leiden is, lijkt zijn getooide evenknie afkomstig uit een oosters sprookje. Rembrandts theatrale, gloedvolle belichting droeg daar zeker aan bij. Die gaf immers elke kop karakter.
Krasse koppen, KMSKA, Antwerpen, t/m 21/1.
Oude koppen
Het genre van de tronie bloeide in de 17de eeuw, maar bestond al veel langer. Ook Quinten Massijs’ Een groteske oude vrouw (Vlaanderen, 16de eeuw) of Da Vinci’s groteske koppen (Italië, 15de eeuw) waren tronies, zij het niet altijd naar het leven gemaakt. Opvallend aan deze tronies is dat ze getuigen van een onwrikbaar geloof in de eenheid van het schone, het ware en het goede. Ofwel: deugdzame mensen waren hier mooi, zondige lelijk.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden