Home

Is goedheid jezelf wegcijferen, of ook een poging om niet te hoeven leven?

Een jonge lerares met rossig haar en een voorkeur voor spencers en vestjes – ze geven haar iets degelijks, wat niet bij haar leeftijd past – is de personificatie van goede bedoelingen. Voor deze lerares lijkt lesgeven meer te zijn dan een baan, het is een roeping. Haar gezicht staat altijd strak. Dat ze voortdurend gespannen is, komt misschien voort uit die goede bedoelingen. Wie het goede nastreeft en dat ook van zichzelf verwacht, balanceert op de rand van de afgrond, er kan zoveel misgaan.

Zo zou een korte karakterschets luiden van Carla Nowak, gespeeld door Leonie Benesch, in de film Das Lehrerzimmer van de Duits-Turkse regisseur Ilker Çatak (39).

Over de auteur
Arnon Grunberg schrijft voor de Volkskrant over verlangen, politiek en ondergang. Zijn laatste boek is De vluchteling, de grenswacht en de rijke Jood.

Over haar privéleven komen we vrijwel niets te weten. Hoe ze woont, met wie ze woont, of ze hobby’s heeft, het doet er niet toe. Ze geeft wiskunde, is mentor van vermoedelijk een brugklas, en ze heeft last van hyperventilatie, dat is het meest intieme stukje informatie waarmee de kijker het moet doen. En dat haar ouders eind jaren tachtig uit Polen, ergens uit de omgeving van Gdansk, naar Duitsland zijn gekomen. Hoewel ze het Pools uitstekend beheerst, staat ze erop Duits te spreken, ook tegen een Poolse collega op school. Ze wil niet alleen het goede, ze wil zich geruisloos aanpassen en misschien liggen die twee in elkaars verlengde.

Nowak is een vrouw die leeft voor haar werk, het zou best kunnen dat ze ophoudt te bestaan als haar werk ophoudt. Haar discretie over haar privéleven, die ook de discretie van regisseur en scenarioschrijver is (Çatak schreef het scenario met Johannes Duncker), is misschien meer dan dat. Deze jonge vrouw valt zo samen met haar beroep dat daarbuiten weinig overblijft. Het aardige van deze film is dat Çatak dat zonder oordeel aanneemt.

Verder moet nog worden opgemerkt dat de school een gemengde school is en dat zowel de meeste leraren als de meeste leerlingen uit de lagere middenklasse lijken te komen. In deze nadrukkelijke film speelt klasse een onnadrukkelijke rol.

De problemen beginnen als er op de school gestolen wordt. Het gaat om relatief kleine diefstallen, duizend potloden, maar de school heeft, en dat woord valt een paar keer, een zerotolerancebeleid. Dat woord is het waarlijke ironische in een film die verder gespeend is van opzichtige ironie. De ernst van Nowak verdraagt geen ironie.

We bevinden ons middenin Duitsland, middenin Europa – wat sommigen voor het centrum van de wereld houden – en toch zitten we in de periferie. Een provinciestad, of de ietwat treurige buitenwijk van een grote stad. In deze periferie is de lerarenkamer het troosteloze centrum waar contact neerkomt op elkaar subtiel de maat nemen.

Er ligt over deze uitstekende film een vanzelfsprekende nevel van milde vreugdeloosheid die Das Lehrerzimmer ook politiek maakt. Is de onvrede die zich in de meeste Europese landen, en elders, altijd weer vertaalt in een proteststem niet geboren in die vanzelfsprekende, milde vreugdeloosheid? In die sfeer groeit het verlangen naar iets groters, iets ‘echters’ dan een diefstal van duizend potloden, en voor de kijker van Das Lehrerzimmer die ook maar een mens is, geldt kortstondig hetzelfde. De film is beklemmend in zijn kleinheid, die misschien onze kleinheid is.

Twee klassenvertegenwoordigers in Nowaks klas worden door een andere leraar, die subtiel net niet wit genoemd kan worden, onder druk gezet een dief aan te wijzen. Ze komen uit bij Ali, zoon van Turkse ouders, de vader van Ali is taxichauffeur.

Ali is een naam die zeker in Duitse context meteen echo’s oproept van de schrijver Günter Walraff die het beroemde Ik (Ali) schreef. Daarvoor onderzocht hij begin jaren tachtig hoe het is om als Turk aan de onderkant van de Duitse arbeidsmarkt te overleven. En dan is er nog de Ali uit de prachtige film Angst Essen Seele Auf van Rainer Werner Fassbinder, waarin Ali de liefde mag ontmoeten om die daarna razendsnel te verliezen.

Natuurlijk, Ali heeft het gedaan – zo is de reflex. Maar nee, het zit anders. De leraar die de klassevertegenwoordigers ertoe aanzette de schuldige te verklikken verzet zich vervolgens op hoge toon tegen aantijgingen van racisme.

Deze film is een grote grijze zone. Iedereen is de ander, voor zover we de ander begrijpen als een verslagene. Zelfs het hoofd van de school, mevrouw Böhm (Anne-Kathrin Gummich), die zich graag Dr. Böhm laat noemen, wordt elke keer als ze het over het zerotolerancebeleid heeft verslagener.

In een poging de dief te vinden – goede bedoelingen bedienen zich soms van onconventionele methoden – maakt Nowak geheime opnamen met haar laptop in de lerarenkamer. Aan de hand van een blouse die op de webcam zichtbaar wordt richt zich de verdenking op mevrouw Kuhn (Eva Löbau) die ondersteunende taken verricht in deze gemeenschap.

De macht verpakt zich, zoals dat tegenwoordig hoort, in het understatement. ‘Wilt u ons misschien iets vertellen?’, vraagt Dr. Böhm aan mevrouw Kuhn, maar Kuhn wil niets vertellen, niets teruggeven, niets bekennen, ze gaat vol in de aanval. Complicerende factor is dat haar zoon, Oskar, bij Nowak in de klas zit. Hij is een slimme jongen met pientere oogjes en als een van de weinigen lijkt hij zich te onttrekken aan de milde, vanzelfsprekende vreugdeloosheid die als een dekentje over Europa ligt in het tweede decennium van de 21ste eeuw.

Het drama dat zich ontvouwt, blijkt dat tussen Nowak en Oskar te zijn. Hij gooit Nowaks laptop in het water waarop de belastende opnamen te zien zijn, slaat Nowak zelfs een blauw oog, maar met bewonderenswaardige volharding blijft Nowak loyaal aan deze begaafde jongen. De Rubiks kubus is het voorwerp dat hun wederzijdse genegenheid tastbaar maakt.

Goedheid is jezelf wegcijferen, goedheid doet pijn, maar toen ik de film voor de tweede keer zag vroeg ik me af of die goedheid van Nowak niet voortkomt uit de evidente leegte van haar persoon. Is haar goedheid niet een poging niet te hoeven leven, waardoor meteen de ongrijpbaarheid van een hedendaagse heilige aan haar kleeft? Of ontmaskeren deze vragen mij als iemand die het ontmaskeren niet kan laten, die het misschien ondraaglijk vindt dat er mensen bestaan die echt goed kunnen worden genoemd?

De diefstal zelf wordt langzaamaan naar de achtergrond geduwd. Wat blijft zijn vragen als: hoeveel mag goedheid kosten, hoe veel mensen mogen eronder lijden?

De onbeduidende diefstal die aanleiding geeft tot het stellen van vragen over de aard van goedheid: van dat schema maakte dit jaar ook Marja Pruis (64) gebruik in haar roman Huiswerk.

Huiswerk speelt zich niet af in de Duitse periferie, maar in het centrum van de wereld dat voor de gelegenheid de gedaante heeft aangenomen van Amsterdam-Noord. Net als bij Çatak speelt klasse bij Pruis een subtiele bijrol, maar de vreugdeloosheid is vervangen door de schittering van geluk. ‘Schrijven vanuit geluk’, dat is het doel van de hoofdpersoon van Pruis, genaamd Clara Feij, misschien ook het doel van Pruis.

De setting is als volgt: Clara Feij heeft samen met haar man haar droomhuis gevonden in Amsterdam-Noord, de eerste keer dat Feij haar huis ‘op papier’ zag kon ze wel huilen. Die toevoeging ‘op papier’ is belangrijk. Feij (of Pruis) wil misschien wel schrijven vanuit geluk, maar geluk dat uit het papier treedt, werkelijkheid wordt, is fragiel. Droomhuizen worden stoffig, men zoekt een werkster en deze wordt gevonden in de vorm van Rose, een vrouw ergens uit Afrika. ‘Het maakt niet uit welk land, ik zeg: Nigeria, Burkina Faso.’

Er wordt gestolen, en zoals in Das Lehrerzimmer de verdenking op Ali viel, zo valt hier de verdenking op Rose, de ander, wat Clara Feij voor een probleem stelt. Ze verlangt net als Nowak naar goedheid, maar ze wil zich ook graag veilig voelen.

Waar Das Lehrerzimmer mij soms deed denken aan Dogville van Lars von Trier – de plot ter illustratie van het morele dilemma, de kunstgrepen van het realisme mogen zichtbare kunstgrepen blijven – daar roept de roman van Pruis, in een reeks hoofdstukken die niet van columns te onderscheiden zijn, een indringend gevoel van echtheid op: bij Çatak wilde ik weten met welk dilemma ik uiteindelijk de bioscoop zou verlaten, bij Pruis wilde ik weten wie het had gedaan. Huiswerk is spannend, wat uiteraard de verdienste van de schrijver is. Misschien voor de ware snob niet je-van-het, maar ik houd van romans die ook door het plot worden voortgedreven. Pruis zelf bekent zich volmondig tot het genre en schrijft het zo op, met een ironische verwijzing naar Mulisch: ‘Inmiddels denk ik: los het raadsel gewoon maar op.’ Waarin ik lees: schrijver, lezer, denk niet het verlangen naar de ontknoping te kunnen ontstijgen. (Full disclosure: ik speel een kleine bijrol in deze roman.)

Wat verder aangenaam is aan Huiswerk is dat het ook een portret is van de bourgeoisie in onze tijd die zich in Nederland, zoals bekend, maar nauwelijks laat onderscheiden van de petite bourgeoisie, hoe veel cultureel kapitaal men ook heeft. Benepenheid is Hollandse folklore en heeft zijn charme.

Natuurlijk is ook nu de diefstal bijzaak. De onthulling bestaat uit een metamorfose: Feij, en daarmee indirect de lezer, ontpopt zich als een metaforische hoormedewerker van de IND die niet anders dan welwillend kan oordelen over het voorliggende dossier. De waarheid over de werkster wordt onthuld. Deze lezer toonde zich onhebbelijk door zich af te vragen: is het de waarheid of is het een geloofwaardig verhaal dat wij graag willen geloven?

Feij blijft in werkelijkheid werkgever van de persoon in kwestie, de werkster. De nabijheid van de goedheid blijkt toch een toneelstukje, afstand en machtsverhoudingen spelen hun rol, desnoods vanuit de coulissen. Iets wat Pruis zelf gretig toegeeft. Een Italiaanse vriendin van Clara Feij zegt het zo: ‘In het Zuiden is het verschil tussen arm en rijk de motor waarop alles draait. Met gezagsverhoudingen heeft niemand moeite.’

Clara heeft er wel moeite mee, Clara is Nederlands.

Als ik de politieke sfeer van vanzelfsprekende, milde vreugdeloosheid zou moeten verklaren in Das Lehrerzimmer, dan zou ik het ook zoeken in het moderne onvermogen met gezagsverhoudingen om te gaan. Dat onvermogen lijkt me tekenend voor onze tijd, waarin de machtswellusteling nauwelijks op meer afkeuring kan rekenen dan de tevreden onderdaan.

Het was niet de diefstal van Huiswerk die mijn gedachten terugbracht naar de lerarenkamer, gek genoeg. Het was de stagiaire van Feij, haar ondergeschikte, die in de roman een curieuze bijrol speelt. Feij lijkt zowel een tikkeltje verliefd als een beetje jaloers op de stagiaire. Als deze een vakantiefoto aan Feij laat zien noteert Pruis: ‘Ze ligt in haar Calvin Klein-bikini op het strand. Ik probeer er niet te lang naar te kijken. Ze ligt op haar rug, op een strandhanddoek.’

Calvin Klein-bikini of geen Calvin Klein-bikini, ook over deze stagiaire ligt het dekentje van vreugdeloosheid, de bitterheid van de vroege teleurstelling die uitmondt in iets wat ‘vroegrijp’ wordt genoemd. Schrijven vanuit geluk kan, maar het is geen geluk voor allen, dat zou al te mal zijn.

Nowak verdwijnt geruisloos uit Das Lehrerzimmer. De kijker voelt dat zij aan haar verlangen naar goedheid ten onder zal gaan. De kinderen zullen haar uiteindelijk verslinden. En als niet de kinderen, dan wel het leven.

Maar Clara Feij is een overlever. Haar verlangen naar goedheid staat de bestaande machtsverhoudingen niet in de weg. Als het moet, zal zij de stagiaire bij wijze van hors d’oeuvre verslinden. En zo hoort het misschien ook.

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next