Plantaardig eten is beter voor de planeet, de dieren én onze gezondheid. Maar als je toch vlees wilt blijven eten, wat is dan het duurzaamst? En is het dan nog steeds belastender voor klimaat en milieu dan vegavlees en andere plantaardige alternatieven?
Geen vlees (meer) eten is behoorlijk moeilijk voor veel mensen. Imke de Boer, hoogleraar dieren en duurzame voedselsystemen aan Wageningen Universiteit, weet er alles van. In haar boek Past het dier nog op ons bord? beschrijft ze onder meer haar eigen worsteling met het al dan niet eten van dierlijk voedsel. ‘Ik denk dat meer en meer mensen zich zullen afvragen of vlees, vis, zuivel en eieren nog wel op ons bord passen’, zegt ze. ‘Daarom is het belangrijk om op een objectieve, wetenschappelijke manier te kijken of het echt nodig is om elk stukje vlees te laten staan.’
Hoe zit het ook alweer met vlees, het milieu en onze eigen gezondheid? Vlees bevat veel belangrijke voedingsstoffen, waaronder eiwitten. Maar die zitten ook in vis, zuivel, eieren én in plantaardige producten als peulvruchten, noten, tofu en vleesvervangers, zegt Sander Biesbroek, universitair docent gezonde en duurzame voeding aan de Wageningen Universiteit.
Uit een rapport van milieu-onderzoeksbureau Blonk Sustainability, in opdracht van de Consumentenbond, blijkt dat plantaardige vleesalternatieven veel beter scoren dan reguliere vleesproducten op CO2-uitstoot, klimaatverandering, watergebruik en landgebruik. Maar verder is het niet zo zwart-wit.
Bij een rangschikking van eiwithoudende voedingsmiddelen in de supermarkt scoren peulvruchten het beste, gevolgd door vegaburgers en dergelijke, noten en tofu. Ei, het eerste dierlijke eiwitproduct op de lijst, heeft een CO2-uitstoot die maar nét boven die van tofu zit. Maar ook bewerkte, samengestelde vleesproducten zoals kroketten en frikandellen hebben een relatief lage CO2-uitstoot, omdat ze van vleesresten worden gemaakt die nergens anders voor gebruikt kunnen worden.
Kippenvlees en zelfs varkensvlees blijken duurzamer dan kaas. Voor 1 kilo kaas is namelijk 10 liter melk nodig. Dat maakt vleesvervangers waarin kaas is verwerkt, ook een minder duurzame keus dan 100 procent plantaardige vleesvervangers. Hekkensluiter is onbewerkt rundvlees, zoals biefstuk. Daarvan is de CO2-uitstoot wel 34 keer hoger dan van peulvruchten.
Het lijkt dus gemakkelijk: als je wel vlees wilt blijven eten, kies je voor frikandellen, kroketten en kip. Maar zo simpel is het niet. Allereerst adviseert het Voedingscentrum voor je gezondheid juist magere, onbewerkte vleesproducten zoals biefstuk, varkenshaas en kipfilet, die een stuk minder duurzaam zijn dan samengesteld vlees. Ook rundergehakt en kipgehakt hebben bijvoorbeeld een flink lagere klimaat- en milieubelasting dan biefstuk of kipfilet, omdat er vlees van ‘uitgemolken’ melkkoeien en ‘uitgelegde’ kippen in wordt verwerkt. Dan wordt de milieu-impact van het vlees verdeeld over het vlees, de zuivel en de eieren.
Maar hier komt wel dierenwelzijn om de hoek kijken: ook een aspect van duurzaamheid, volgens De Boer en Biesbroek. ‘De meeste landbouwdieren, ook vleeskuikens, leven in krappe, kale stallen en kunnen geen natuurlijk gedrag vertonen’, zegt De Boer. Door biologisch vlees of vlees met minstens twee Beter Leven-sterren van de Dierenbescherming te kopen, kies je in ieder geval voor betere leefomstandigheden voor de dieren die het vlees op je bord hebben geleverd. De eisen voor vlees met één ster, dat het vaakst in de supermarktschappen ligt én het goedkoopste is, zijn minimaal.
Verder zijn sommige dieren ideale restverwerkers. Koeien, varkens en kippen kunnen bijvoorbeeld gras of voedselresten van de industrie efficiënt omzetten in hoogwaardig voedsel, namelijk vlees. Zo zijn er tegenwoordig bedrijven die legkip-haantjes opfokken met reststromen van bijvoorbeeld bakkerijen en hun vlees verkopen, zoals Kipster. En koeien kun je laten grazen op land dat verder nergens anders geschikt voor is, zoals uiterwaarden. Dat maakt hun vlees duurzamer en vaak diervriendelijker.
Maar ook ‘diervriendelijk’ vlees heeft milieu-impact. Sterker nog: biologisch gehouden dieren of ‘driesterrendieren’ hebben meer land én meer voer nodig, onder andere omdat ze langer leven. Dan toch maar vegetarisch eten? Geen vlees, maar wel bijvoorbeeld ei, zuivel en kaas? Eventueel aangevuld met een klein beetje vis of kip? Dat is voor veel mensen een stuk gemakkelijker dan 100 procent plantaardig. En toch iets duurzamer: ‘Volgens een onderzoek van de Wageningen Universiteit is er al veel winst in milieu-impact en gezondheid te behalen, wanneer voedingspatronen verschuiven van rood en bewerkt vlees naar eieren, zuivel, vis en kip’, zegt medeauteur Biesbroek.
Als mensen zouden overgaan op een vegetarisch voedingspatroon, zouden we nog steeds wat vlees kunnen eten. ‘Er is namelijk nog zoiets als de ‘onvermijdbare vleesconsumptie’, zeggen De Boer en Biesbroek. Want uit duurzaamheidsoogpunt kunnen we de uitgemolken koeien, uitgelegde kippen, en de haantjes, bokjes en stiertjes die we ‘overhouden’ als we nog wel zuivel en eieren eten, beter opfokken en zelf eten dan tot diervoeding verwerken, zoals nu meestal gebeurt. Die onvermijdbare vleesconsumptie is nu ongeveer een kleine 100 gram vlees per persoon per week, heeft Milieu Centraal uitgerekend.
Welk vlees kun je dus het beste eten? ‘Vooral minder vlees. En minder vaak’, zeggen De Boer en Biesbroek. ‘Ik vind dat we aan het dier verplicht zijn om het helemaal op te eten, dus ook de speklap en de frikandel’, voegt De Boer toe. ‘Dat gaat ook voedselverspilling tegen’, beaamt Biesbroek. En als dierenwelzijn je aan het hart gaat, kies dan voor biologisch, zoals met het Eko-keurmerk, biologisch-dynamisch of vlees met minstens twee Beter Leven-sterren. Of koop vlees van bedrijven die hun dieren met reststromen voeden.
Over de auteur
Loethe Olthuis schrijft sinds 1998 over voeding en duurzaamheid voor de Volkskrant en is de auteur van het boek Zin en onzin in de supermarkt.