Jos van der Linden zit op rozen. Hij woont in een ruim en licht appartement boven een multifunctioneel centrum in het hart van het Brabantse dorp Den Dungen. Met zijn rollator loopt hij zo, via een lift, naar beneden een lange gang op. Daar kan hij kiezen voor een grand café, een bibliotheek of de dagbesteding voor ouderen. Er scharrelen ook kleuters rond van het inpandige kinderdagverblijf.
Na het interview trakteert de 100-jarige op een lunch in het grand café en showt daarna de dagbesteding waar hij graag komt. Aan een lange tafel zitten zo’n tien ouderen. Ze doen een geheugenspel met gezegden. De spelleider pakt een kaartje uit de doos en leest voor: ‘Gelijke monniken, gelijke …?’ ‘Kappen’, roept Van der Linden meteen. De spelleider geeft hem lachend een veeg uit de pan: ‘Niet voorzeggen, Jos!’ Op het volgende kaartje staat: ‘Een moeder kan beter tien kinderen verzorgen dan…? Het blijft stil aan tafel en Jos perst zijn lippen op elkaar. Uiteindelijk is hij het die als enige de zin weet af te maken: ‘... tien kinderen één moeder’. Grinnikend maakt hij zich uit de voeten.
‘Naar omstandigheden goed. Vermoeidheid ken ik niet. Mijn hele leven ben ik altijd druk bezig geweest. Na mijn pensioen haalde ik met een bestelbus groente van de veiling in Zaltbommel voor een marktkoopman. Als ik eraan kwam, zeiden ze: ‘Daar heb je dat oude menneke weer.’ Ik deed het als hobby. Op mijn 90ste stopte ik ermee. Op die leeftijd klom ik ook nog een ladder op om bomen te snoeien. Alleen als je bang bent, val je. Nu kan ik niet zoveel meer, want ik zie en hoor slecht, maar dat went. Als ik naar beneden ga en ik hoor iemand vragen: ‘Hoe is het, Joske?’, dan moet ik eerst vragen: ‘Wie bent u?’ Heel Den Dungen kent mij, ik woon hier al mijn hele leven. Ik ben geboren op een boerderij aan de Woudseweg, waar ik zestig jaar met mijn ouders heb gewoond, na mijn trouwen kwam mijn vrouw erbij. Onze drie dochters zijn er opgegroeid.
‘Tijdens mijn leven heb ik wel vijftien keer in het ziekenhuis gelegen, maar telkens kwam het weer goed. Ik heb mijn schouders gebroken, een pols, een enkel, mijn neus. Ook heb ik lasogen gehad, die pijn ging gelukkig na vier dagen weer weg. Een boer heeft altijd wat.’
‘In mijn jeugd was iedereen in Den Dungen boer, er waren zo’n negentig à honderd kleine boertjes. Daar zijn er nog maar vier of vijf van over. Het dorp is volgebouwd. Wij hadden zoals alle boeren een gemengd bedrijf, met koeien, varkens, kippen, rogge, tarwe, koren, gerst en groenten, vooral snijbonen en bieten. Twaalf koeien bezaten we, en dat was veel in die tijd. Nu zijn er bijna geen gemengde bedrijven meer en heeft een melkveehouder wel vijfhonderd koeien in plaats van vijf of zes in onze tijd. Daarnaast verbouwt hij alleen maïs, maïs en maïs als veevoer. Wij gaven de koeien bieten te eten, dat vonden ze veel lekkerder.’
‘Dat zag ik aan ze, want koeien die bieten eten, lachen de hele dag. Een lachende koe wappert met haar oren. Ik hield van mijn koeien, het zijn mooie beesten. Ze hadden allemaal een eigen naam, tegenwoordig hebben ze een nummer.’
‘Nee, daar lijkt mij niks aan. Een boerenbedrijf is een fabriek geworden. Vijfhonderd koeien – die leer je toch nooit allemaal kennen? Door de schaalvergroting is het ook veel ongezelliger. Als ik op het land stond, kon ik de buurman op zijn land zien werken en roepen: ‘Goeiemorgen Piet, hoe is het?’ Nu kun je je buren in de verste verte niet zien.
‘Maar niet alleen het boerenleven is veranderd. Het allerleukste vond ik het moment dat er stroom kwam; je hoefde maar op een knopje te drukken en er was licht. Daarvoor gebruikten we petroleumlampen. Later kwam de waterleiding er nog bij en hoefden we geen water meer uit de waterput te halen. Dat was zo vies, dat zelfs de koeien het niet lustten. Gelukkig mochten wij bij de buren elke dag drie melkbussen water halen, daar was het schoner.’
‘Ik ben precies mijn moeder, in alles. Net als zij heb ik altijd goede zin. Het is jammer dat ik het moet zeggen, maar mijn vader was niet zo’n gezellige man, een dominante figuur. Mijn broer Toon leek sprekend op hem, ik kon dan ook niet zo goed met mijn broer opschieten, we hadden vaak ruzie. Toen hij ging trouwen, verliet hij de boerderij.’
(Na een denkpauze:) ‘Ze zaten er bovenop. Zeker nadat ik was getrouwd, was dat niet altijd even prettig. De ochtend na onze huwelijksnacht klopte mijn vader al om 6 uur op de deur: ‘Opstaan! De koeien moeten gemolken!’
‘Dat weet ik niet, dat moet je aan mijn dochter vragen.’
Zijn dochter Anne (70) komt aan tafel zitten om tekst en uitleg te geven: ‘Ons pap is een heel zachte vader, een die nooit ‘nee’ zei en niet streng kon zijn, geen prater. Zeven dagen per week was hij druk aan het werk op de boerderij. Ons mam regelde alles in huis en ons pap was van de praktische zaken. Hij maakte heel veel zelf: bedden, kasten, een poppenhuis. Mijn twee zussen en ik keken altijd uit naar de zondag, dan ging hij in de middag iets leuks met ons doen, meestal een stuk fietsen en dan kregen we een ijsje.’
Jos: ‘Om 16 uur moesten we weer terug zijn, want dan moest ik weer melken.’
‘Ons mam natuurlijk. Thera is al 17 jaar dood.’
(Hij dwaalt even af in gedachten en vervolgt:) ‘Daarvoor had ik drie jaar kennis gehad aan een ander. Haar had ik leren kennen op dansles. We waren samen de besten en moesten vaak voordansen, om de andere leerlingen van de dansschool te laten zien hoe het moest. Vooral de Engelse wals konden we goed. Ik heb het na drie jaar uitgemaakt, ze was niet geschikt als boerenvrouw. De breuk kon ze moeilijk verwerken, ze was hartstikke verzot op mij.’
‘Mijn ouders, dat was iets waar zij mee bezig waren. Het was ook wel zo dat ze meer een stadsjufferke was. Niet lang nadat ik het had uitgemaakt, leerde ik Thera kennen. Dat ging heel goed op de boerderij.’
‘De vijftien jaar dat ik als manusje-van-alles voor een groot varkensbedrijf met duizenden varkens heb gewerkt. Ik was daar timmerman, lasser, schilder, loodgieter. Als er maar iets gemaakt hoefde te worden, deed ik het. Er werkten veertig man. Ik vond het heel gezellig met al die collega’s en heb er veel vrienden gemaakt. Als boer werk je veel alleen.
‘De oorlogsjaren vond ik als jonge jongen ook een bijzondere en spannende tijd. Al die vliegtuigen die hier overvlogen. Dan hoorde je later: die gingen Rotterdam bombarderen. Een laffe daad. Tientallen vliegtuigen die waren beschoten zag ik brandend vallen, met de punt naar beneden, draaiend om hun as. Niet leuk voor de man die erin zat, maar het was mooi om naar te kijken.
‘De Duitsers vonden mij overbodig op de boerderij, omdat ik een oudere broer had, dus moest ik naar Duitsland om daar te werken. Om daaraan te ontkomen, ben ik ondergedoken op een boerderij in Breda. Als de SS huiszoekingen kwam doen, werden we altijd op tijd gewaarschuwd en verborg ik mij snel in de sloot, een dorsmachine, onder een mesthoop of in een kuil vol aardappelen. Bang ben ik nooit geweest, ik vond het alleen maar spannend. Pas naderhand hoorde ik wat er met de Joden was gebeurd.’
‘Op mijn 49ste kreeg ik een hersenbloeding. Ik was aan het werk in de stal en voelde mij ineens niet goed; mijn hoofd voelde opgeblazen. Ik strompelde naar huis, ging op bed liggen en dacht: nu is het gebeurd. Ik raakte steeds bewusteloos. Pas bij zijn derde bezoek rook de dokter onraad en zei dat ik meteen naar het ziekenhuis moest. Iedereen dacht dat ik dood zou gaan. Na drie maanden mocht ik het ziekenhuis uit. De neuroloog zei dat ik niet meer kon werken en ik werd honderd procent arbeidsongeschikt verklaard. Ik zat mij thuis te vervelen, lag maar op die bank. Na een jaar kreeg ik een tip voor die baan in Rosmalen. De neuroloog raadde het mij af. ‘Als je het doet, is het op eigen risico en trek ik mijn handen van je af’, zei hij. Maar ik heb ik nooit meer iets gemankeerd. Na die hersenbloeding ben ik meteen gestopt met roken. In mijn tijd als boer rookte ik veel. Ik stond altijd om 5 uur op. Als ik twee uur later klaar was met melken, had ik al vijf of zes sigaretten op. Ik ben er wel 100 mee geworden.’
‘Mijn moeder zei altijd: ‘De kar die je trekt moet niet te zwaar beladen zijn.’’
geboren: 7 oktober 1923 in Den Dungen
woont: zelfstandig, in Den Dungen
beroep: boer, manusje-van-alles
familie: drie dochters, zes kleinkinderen, acht achterkleinkinderen, negende op komst
weduwnaar: sinds 2006
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden