Home

Philip Norman, biograaf van de Beatles en de Stones: ‘Je moet vergeten dat je een fan bent’

Het lag voor de hand dat Philip Norman na zijn biografieën van John Lennon (2008) en Paul McCartney (2016) een boek over George Harrison zou schrijven. Maar daar had hij helemaal geen zin in; hij had het niet zo op Harrison. Toen deze in 2001 op 58-jarige leeftijd aan kanker overleed, schreef Norman voor The Sunday Times een lange necrologie waarin hij weinig heel liet van de Beatlesgitarist. Hij noemde hem ‘a bit of a miserable git’ (nogal een eikel) en omschreef hem als ‘geen reus (…) maar een ledemaat van een reus’.

Ook schreef hij dat Harrison weliswaar kort werd gehouden door Lennon en McCartney, maar dat ‘de stille Beatle’ onder hun regime toch maar mooi zijn beste liedjes schreef. Na het uiteenvallen van de band zou Harrison nooit meer het niveau van While My Guitar Gently Weeps en Something halen, zo oordeelde Norman. Maar het kan verkeren: nu ligt er dan toch een boek over Harrison op tafel.

Over de auteur
Maarten Steenmeijer is boekenrecensent van de Volkskrant. Hij is hispanist en vertaler.

Waarom veranderde Norman (80) van gedachten? In zijn hotel aan een van de Amsterdamse grachten geeft de biograaf tekst en uitleg: ‘Na Paul McCartney schreef ik een biografie over Eric Clapton, met wie Harrison goed bevriend was. Ik ging toen anders over Harrison denken. Hij leek een misantroop die niet erg dankbaar was voor de enorme voorspoed die hem in de schoot was geworpen. Hij was de enige Beatle die niet voortdurend lachte!

‘Maar ik raakte ervan doordrongen dat Harrison werd gediscrimineerd. Met name John Lennon voelde zich superieur aan hem. Toen Harrison bij The Quarrymen kwam, zoals de Beatles in hun beginjaren heetten, beschouwde Lennon, die twee jaar ouder was, hem als een kind. Bovendien behoorde hij tot de arbeidersklasse. Er was weinig waardering en weinig aandacht voor George en dat bleef zo. Door Paul had hij het zelfvertrouwen in zijn gitaarspel verloren. Wat ook een rol speelde, was dat Lennon en McCartney nauw met elkaar samenwerkten terwijl Harrison niemand had, hij stond er alleen voor. Ik begon sympathie voor hem te voelen.’

‘Hij heeft natuurlijk lang niet zo veel prachtige liedjes geschreven als Lennon en McCartney, maar elk Beatlesnummer heeft een gitaarriff of solo van George en die waren net zo belangrijk als de stemmen. En hij heeft na de Beatles zó veel gedaan dat maar weinig bekend is. Hij richtte een eigen platenlabel op en ontpopte zich tot een heel goede platenproducer. Ook was hij succesvol actief in de Engelse filmbusiness met zijn productiemaatschappij HandMade Films. En hij was niet alleen geïnteresseerd in Indiase mystiek en spiritualiteit, maar paradoxaal genoeg ook in de Formule 1-races. Zelfs John Lennon was niet zo veelzijdig als hij.

‘Als personage was hij ook interessant voor mij, omdat hij een vat vol tegenstrijdigheden was. Hij stond bekend als ‘de stille Beatle’, maar op de persconferenties in de periode van de Beatlemania was hij even ad rem als John. Nog zoiets: hij ging tekeer tegen wat hij de materiële wereld noemde maar schreef ook Taxman, het eerste popliedje waarin werd geklaagd over de inkomstenbelasting.

‘En hij kon enorm genereus en edelmoedig zijn – denk aan het Concert for Bangladesh in 1971 (het eerste grootschalige benefietconcert uit de popgeschiedenis, dat georganiseerd werd door Harrison, red.) – maar ook een stuitend gebrek aan loyaliteit aan de dag leggen. Zo had hij een affaire met de vrouw van een van de andere Beatles, en zoiets doe je natuurlijk niet. Dat waren stuk voor stuk ingrediënten voor een verhaal dat nog niet eerder op deze manier was verteld.’

‘Ik had wel willen weten hoe het kon gebeuren dat iemand die uit zo’n stabiel en warm gezin kwam, met ouders die hem enorm steunden, toch zo misantropisch kon worden.’

‘Een van de dingen die ik heb ontdekt tijdens het schrijven van Shout! was hoe dicht de Beatles bij de Stones stonden. Dat ze elkaars antipoden zouden zijn was een verzinsel van Andrew Loog Oldham, de manager van de Stones. Hij had voor Brian Epstein gewerkt, de manager van de Beatles. Om de Stones te onderscheiden van de Beatles, die zelfs in de smaak vielen bij de oudere generaties, bedacht Oldham dat ze een soort anti-Beatles moesten worden en zich moesten misdragen, terwijl die brave jongens dat nooit eerder hadden gedaan.

‘Daarna rolde ik van het ene project in het andere. Iemand suggereerde me Elton John te doen, die ontdekt werd door Dick James, de muziekuitgever van de Beatles. Daarna schreef ik een biografie over Buddy Holly, de jong overleden Amerikaanse zanger en gitarist die als de vader van de Britse rock-’n-roll kan worden beschouwd. Van hem leerden de Beatles en al die andere Britse bands hoe ze moesten spelen en liedjes konden schrijven.

‘Zelfs Jimi Hendrix past in het plaatje, want toen deze Amerikaanse gitarist halverwege de jaren zestig naar Londen kwam, gaven alle grote Britse gitaristen, inclusief George Harrison, zich gewonnen: spelen zoals Hendrix, dat zouden zij nooit kunnen. Mijn boeken vormen samen één groot verhaal over de Britse popmuziek die in de jaren zestig de wereld veroverde en daarna nooit meer is verdwenen.’

‘In 1983 stond ik op de eerste Granta-lijst van de beste jonge Britse romanschrijvers, samen met onder anderen Martin Amis. Maar het is niet erg waarschijnlijk dat ik als fictieschrijver het enorme publiek zou hebben bereikt dat ik met mijn popbiografieën heb gevonden, tot in landen als India, Rusland en China aan toe. Fictie schrijven na een non-fictiewerk is wel heerlijk om te doen, want niemand kijkt dan over je schouder mee, zoals al die Beatlesexperts doen. Daar heb je er tienduizenden van en ze betrappen je maar wat graag op een fout.’

‘Ik zie mijn biografieën als dickensiaanse romans, ze gaan over wat het met piepjonge mannen doet als ze enorme veranderingen meemaken. Maar bij een roman moet je de plot verzinnen, bij een biografie heb je al een plot. Je weet welke richting het boek op moet.’

‘Als je ervaring hebt met het schrijven van fictie weet je hoe je het tempo moet bepalen. Je weet dat je niet alle feiten die je hebt verzameld moet gebruiken. Een popbiografie die volgepropt is met feiten is onleesbaar.

‘Je kunt beter strategisch te werk gaan en bijvoorbeeld inzoomen op een veelzeggend detail, zoals de piccolo die George Harrison vasthoudt op de beroemde hoes van het Beatlesalbum Sgt. Pepper. Een piccolo, dat is het onbeduidendste instrument uit een fanfarekorps en dat staat symbool voor Harrisons marginale betrokkenheid bij dit project, dat bol staat van Lennons en McCartneys nostalgie naar het Liverpool van vroeger. Harrison had die nostalgie helemaal niet.’

‘Zeker. Een goede journalist benadert zijn onderwerp met een gezonde dosis cynisme en dat doe ik in mijn biografieën ook. Je moet een balans zien te vinden en niet te ver gaan in je bewondering, om te voorkomen dat je een hagiografie maakt, zoals Peter Jackson heeft gedaan in zijn ellenlange documentaireserie The Beatles: Get Back (2021), waarin hij elke seconde van de opnamesessies van het album Let It Be wilde laten zien.

‘Zelfs schrijvers als Salman Rushdie en Martin Amis dachten dat je alleen maar een grote fan hoefde te zijn om over popmuziek te kunnen schrijven. Maar je moet juist vergeten dat je een fan bent. Je moet objectief zijn en niet schrijven over wat zelfs de beste schrijvers ‘de soundtrack van mijn leven’ noemen. Dat vind ik zó’n stom cliché.’

‘Wat ik hierin herken, is de stem van een semi-literaire schrijver die niet goed weet wat ambivalent betekent. Ambivalent betekent ‘niet eensluidend’, ‘van twee kanten’. Dat is een veel betere houding dan wanneer je een en al bewondering bent. Ambivalentie is een eerste vereiste voor een biograaf. Je herkent het goede maar ook het slechte, licht en schaduw.’

‘Aan het schrijven van een biografie is geen enkel plezier te beleven.’

‘Nee, het is een en al stress, angst, onzekerheid, druk… Eerst is er de druk om al die informatie te vinden en daarna de druk om het verhaal op papier te zetten op een manier die leesbaar en begrijpelijk is, niet voor een fan maar voor iemand die misschien de muziek niet eens leuk vindt maar bij wie je interesse hoopt te wekken voor popmuzikanten als John Lennon en Eric Clapton.’

‘Het is geen sinecure om een goede popbiografie te schrijven. Gezien de reacties op mijn werk denk ik dat ik daar in de loop van de jaren wel in geslaagd ben. Maar ik ken maar heel weinig andere voorbeelden. Zelfs Tom Stoppard, de grote toneelschrijver die Rock ’n’ Roll schreef, met een soort subplot over Pink Floyd, kwam niet veel verder dan de boodschap: ‘Ik ben een Pink Floyd-fan.’

‘Dat is niet voldoende. Je moet uitleggen waaróm die muziek je zo raakt en wanneer je het over een optreden van een rockband hebt, moet je net zozeer je observatievermogen inzetten als wanneer je over een optreden van de minister-president in het parlement schrijft.’

‘Geoffrey O’Brien heeft in The New York Review of Books geweldige stukken over Frank Sinatra geschreven, maar verder schieten me alleen maar verschrikkelijke voorbeelden te binnen. De twee meest gerespecteerde auteurs in Amerika, Peter Guralnick en Greil Marcus, zijn allebei even humorloos en zwaarwichtig. Hun namen zouden gecombineerd moeten worden tot een werkwoord, to greilnick, wat betekent: ellenlange, gortdroge zinnen schrijven, boordevol pronkerige feiten maar zonder de vitaliteit van de muziek waar ze het over hebben.

‘Engelse popbiografieën zijn juist weer te kluchtig. Mick Wall schreef bijvoorbeeld een vreselijk boek over Jimi Hendrix. Hij meende de aandacht van de lezer te moeten trekken door alle hoofdstukken de lucht in te gooien en ze vervolgens in willekeurige volgorde in het boek te zetten.’

‘Dat zou dan meer een boekje dan een boek worden, want er valt niet zo veel over hem te vertellen. In tegenstelling tot George had hij geen problemen met de bijrol die hij in de Beatles had. Dus nee, ik denk het niet.’

Popbiograaf Philip Norman (Londen, 1943) begon zijn carrière in de journalistiek. Vanaf 1966 werkte hij voor The Sunday Times Magazine en maakte hij spraakmakende interviews met de Libische dictator Khadafi, filmactrice Elizabeth Taylor en popgiganten als Little Richard, James Brown, Stevie Wonder en Rod Stewart. In We Danced on Our Desks (2022) zette hij zijn herinneringen aan die wilde jaren op papier.

Norman schreef ook romans, korte verhalen, toneelstukken, tv-series en twee musicals, maar hij maakte vooral naam met zijn popbiografieën. In 1981 verscheen als eerste Shout! – The True Story of the Beatles, dat nog altijd geldt als een standaardwerk, al was het boek ook omstreden vanwege het uitgesproken negatieve beeld dat Norman van Paul McCartney schetste. Na Shout! volgden biografieën van de Rolling Stones, Elton John, Buddy Holly, John Lennon, Mick Jagger, Paul McCartney, Eric Clapton en Jimi Hendrix. George Harrison is zijn tiende popbiografie.

Philip Norman: George Harrison. Uit het Engels vertaald door Linda Broeder, Koos Mebius, René van Veen en Saskia Wieberdink. Alfabet; 491 pagina’s; € 29,99.

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next