Home

‘Mijn zoon heeft pech gehad. Verkeerde plek, verkeerde tijd. Wij hebben als gezin gekozen om de weg vooruit te zoeken’

Als jonge luitenant was zijn ‘moreel kompas nog niet feilloos gekalibreerd’, vertelt Peter van Uhm (68) in het onlangs verschenen boek Notities van een generaal. ‘En dat is een eufemisme’, zegt hij aan de keukentafel in zijn appartement in Nijmegen, de stad waar hij opgroeide als bakkerszoon en nog altijd woont. ‘Het was gewoon niet goed. Ik deed domme dingen.’

Citaat uit het boek: ‘Als jonge officier kon ik mensen verbaal helemaal afbranden. Van hun kruin tot hun tenen.’ In zijn eerder verschenen biografie Ik koos het wapen, net als het nieuwe boek geschreven door journalist Sander Koenen, heeft hij het over ‘een bijna moorddadig venijn’.

Van Uhm: ‘Ja, dat klinkt heftig. En dat was het ook. Het kwam voort uit mijn enorme gedrevenheid. Alles moest goed. De dienstplichtigen aan wie ik toen leidinggaf, waren mondig, en als een van die jongens niet deed wat ik wilde, ging ik tekeer. Vooral tijdens oefeningen, in the heat of the moment. Als een soldaat iets verkeerd deed, was mijn standaard reflex om mijn eigen helm met een ruk van mijn hoofd te trekken – het clipje schoot dan los, poing! – en die helm naar die soldaat toe te smijten. Ik schaam me om het te vertellen, maar zo ging het. En het rare was, ze brachten de helm altijd terug. Er heeft nog nooit een soldaat over mij geklaagd. Maar respectvol was het niet. Ik was natuurlijk 21, hállo. Al is dat geen legitimatie. Het lastige is: je wordt bevestigd in dat gedrag, want het werkt, dus als je niet oplet ga je het steeds vaker doen.’

‘Ik ben erop aangesproken door meerderen en toen heb ik echt mijn best gedaan om het niet meer te doen. Dat ging niet van de ene op de andere dag, maar het lukte.’

‘Als je verliezen lijdt. Als er slachtoffers vallen. Dán moet je scherp zijn, zeker als je de baas bent. Want voor je het weet gaan die jongens de verkeerde kant op. Neem het ongeluk waarbij mijn zoon om het leven kwam. Twee jongens gesneuveld, twee zwaargewond terug naar Nederland. Dan zitten er in die club militairen die zeggen: we zullen die Afghanen een lesje leren. En dan moeten de commandant, en ik, de hoofdcommandant, scherp zijn.’

Het verhaal is bekend: Peter van Uhm was op 18 april 2008 één dag Commandant der Strijdkrachten, de hoogste militaire functie in Nederland, toen zijn 23-jarige zoon Dennis, die als beroepsmilitair was uitgezonden in de Afghaanse provincie Uruzgan, omkwam door een bermbom. In zijn boek blikt Van Uhm zonder enig pathos terug op het verlies, op de vraag of hij door moest gaan. Citaat: ‘Ik had me kunnen richten op mijn gezin en mijn eigen verdriet. Maar dat zou ingaan tegen alles waar ik als militair voor sta. (...) Het werk van de krijgsmacht was niet ineens minder belangrijk dan in de dagen daarvoor. Ik voelde me onderdeel van dat werk. Ik gaf leiding aan dat werk. Ik was er verantwoordelijk voor. Dus na een paar weken was ik terug op mijn post.’

Boven de eettafel, aan de muur met baksteenbehang, hangt prominent een geschilderd portret van Dennis in uniform. Naast de tafel staan twee sabels in een houder. De ene kreeg Van Uhm bij het afsluiten van de Koninklijke Militaire Academie, de andere bij zijn afscheid als bataljonscommandant. Toen Dennis luitenant werd, ging Van Uhm met zijn eerste sabel naar de juwelier om de naam van zijn zoon erin te laten graveren, naast zijn eigen naam. De sabel was voor Dennis, en lag na diens dood op de werkkamer van Van Uhm in Den Haag. Geen foto – dat zou hem belemmeren in zijn werk.

In het theatercollege Veldheren waarmee Van Uhm momenteel door het land tourt, samen met een andere bekende generaal buiten dienst, Mart de Kruif, en gebaseerd op de podcast die ze samen maken, vertelt Van Uhm over Dennis. Maar het gaat ook over andere dingen: over de Nederlandse krijgsmacht, over de vraag of Nederland zichzelf kan verdedigen. In 2020 verscheen er een groot rapport over de Nederlandse defensie, waaruit het gitzwarte beeld oprees van een wereld vol cyber- en ander terrorisme, onbeheersbare migratie en vijandige grootmachten. Nederland, zo zei toenmalig minister Ank Bijleveld van Defensie bij de presentatie, is niet in staat om die dreigingen ‘adequaat het hoofd te bieden’. De Kruif vond het ‘schokkend’, zegt hij tijdens het theatercollege, hoe weinig die uitspraak politiek losmaakte.

Van Uhm ziet bij het theaterpubliek ‘serieuze zorgen over de toekomst’, zegt hij. ‘Dat leid ik af uit de vragen die we krijgen. Worden de conflicten groter, gaat het de hele wereld raken? Komt Nederland in oorlog?’

‘Vind ik wel. Ik slaap goed, maar daar heb ik een negatieve redenering voor. Wij behoren namelijk niet tot de landen die invloed hebben op de strijdende partijen. Rusland verkoopt olie, gas en aluminium aan landen als China en India, dus voor de mening van die landen is Rusland gevoelig. En gelukkig zit de Chinese president Xi helemaal niet te wachten op een internationaal conflict, die heeft problemen genoeg. Bij het andere conflict, in Gaza, zijn het de Amerikanen die Israël proberen te beteugelen, maar daar is de vraag relevant of de Verenigde Staten zélf nog wel een stabiele staat is. Zeker na de presidentsverkiezingen van volgend jaar.’

‘Dat had ik ondenkbaar geacht. Voorlopig, met de wijsheid van nu, zie ik de VS gelukkig niet uit de Navo stappen. Ik denk dat er in het Amerikaanse establishment voldoende tegenkracht is om zo’n fundamenteel besluit te dwarsbomen.’

‘Het leeft niet. En als er nu geen aandacht voor is, wat gebeurt er dan in de formatiegesprekken? Ik verwacht niet veel. Na het begin van de oorlog in Oekraïne hoorde ik een hoop politici zeggen dat ze naïef waren geweest. Inderdaad. Ik ben bang dat ze nu nog steeds naïef zijn.’

‘Na zo’n bezuiniging is het, ik zal het netjes proberen te zeggen, obligaat om een aantal jaren later, als Rusland Oekraïne binnenvalt, te zeggen dat je naïef bent geweest. Nee, er zijn gewoon bewust andere keuzes gemaakt. We hadden spiksplinternieuwe infanteriegevechtsvoertuigen, en die moesten worden verkocht aan een van de Baltische staten. Nou, daar wilden ze ze héél graag hebben. Maar als je weer wilt opschalen, ben je zo tien jaar bezig, want er staan geen tanks klaar op de schappen, zoals de Oekraïners hebben gemerkt. Nieuw spul moet worden ontwikkeld en geproduceerd.’

‘Ja, zo stonden we ervoor. Door al die bezuinigingen op de krijgsmacht ga je interen op je voorraden. Wat Mart en ik zeggen is: word wakker en kijk de realiteit recht in de ogen. We dachten dat grote conflicten op Europees grondgebied niet meer konden voorkomen. Dat bleek een misvatting. We dachten dat we blind konden leunen op de Navo, op onze Amerikaanse partners, en dat is ook maar de vraag. Als je nu nóg niet doorhebt dat we niet naïef moeten zijn, wanneer dan wel?’

‘Wij proberen, ook in onze podcast, zo neutraal mogelijk te duiden wat er aan de hand is. Dus moet je je ook verplaatsen in de beweegredenen, vind ik. Je moet proberen te begrijpen hoe Rusland in elkaar zit, om te snappen hoe het kan dat Poetin tot dit soort dingen in staat is. Je moet begrijpen dat het Russische volk veel leed en ellende kan verdragen en dat er aan een individueel leven weinig waarde wordt gehecht.

‘Toen ik als militair in de Koude Oorlog in Rusland kwam, bezochten we een opslag gebouwd voor ontmantelde nucleaire wapens. Die opslag, betaald door de Amerikanen, was een betonnen ding zo groot als drie voetbalvelden. Er liepen Russische bouwvakkers rond, ingepakt, alleen de handen en het gezicht waren bloot. Wij hadden een dosismeter bij ons, die radioactiviteit meet, en die ging af. Toen we gingen kijken kwamen we uit bij een vrouwelijke bouwvakker die uit haar thermosflesje thee in een bekertje schonk. Die thee had onze meter doen afgaan, dat water was nucleair vervuild. Toen we via een tolk vroegen waar het water vandaan kwam, zei ze dat het uit de put naast haar datsja kwam. Die mevrouw zou geen 50 worden. En niemand die het iets kon schelen. Dat is Rusland. De tsaar zag zijn burgers als lijfeigenen, de communisten waren niet geïnteresseerd in het individu, en Poetin kan het niets schelen als er duizenden en duizenden Russen sneuvelen in Oekraïne. Ze worden in golven naar het front gestuurd, en wie niet durft en terugloopt, wordt doodgeschoten door de eigen troepen.’

‘Ik weet in dit geval niet wat verliezen is. Ik weet ook niet wat winnen is, trouwens. Als er een situatie ontstaat waarin Poetin denkt dat hij zonder gezichtsverlies weg kan komen uit Oekraïne, heeft hij in zijn ogen gewonnen. In onze ogen heeft hij dan verloren. Dus het is betrekkelijk. Helaas is die situatie nog heel ver weg.’

‘Nee, want je kunt een idee niet uit het hoofd van mensen bombarderen. Ten tweede zit Hamas niet alleen in Gaza, maar ook op de Westbank, in Zuid-Libanon, de top zit in Qatar. Het is niet realistisch, ik kan het niet duidelijker zeggen.’

‘Een belangrijk probleem is dat we er weinig zicht op hebben. Zelfs de vraag of het proportioneel is wat de Israëliërs doen, kun je zonder feitenkennis niet beoordelen. Zit Hamas echt onder ziekenhuizen? Hebben ze voorraden in schooltjes liggen? Als dat zo is, maakt Hamas mogelijk een legitiem doel van doelen die je volgens het humanitair oorlogsrecht niet mag aanvallen. Proportionaliteit is subjectief, afhankelijk van de situatie. Wat wél duidelijk is, is dat er zo veel burgerslachtoffers vallen dat het voor Israël verdomd moeilijk zal worden om overtuigend aan de internationale gemeenschap uit te leggen dat dit optreden proportioneel was.’

‘Als je informatie hebt dat Hamas onder een ziekenhuis zit, zeg je: of die strijders gaan daar weg, of de burgers gaan daar weg. Als ze ontkennen dat ze onder het hospitaal zitten, wordt het lastig. Dan moet je een afweging maken, als Israëlische commandant, of het proportioneel is om een bom op dat ziekenhuis te leggen.’

‘Ik zit niet in die positie. Maar ik zou tien keer op mijn hoofd krabben voor ik een hospitaal zou bombarderen.’

‘Nee, het is niet uitgesloten.’

‘Onze Britse collega’s liepen in een hinderlaag en vroegen om luchtsteun. Op dat moment waren onze F-16’s het dichtstbij, dus die gingen helpen. In zo’n situatie worden er controles uitgevoerd om vast te stellen wat legitiem en proportioneel is. Als je het met een ‘show of force’ af kunt, door met brullende motoren over te vliegen, moet je dat doen. Een stapje omhoog is het schieten met mitrailleurs. Alleen in het uiterste geval kies je voor een bom. De Taliban schoten vanuit huizen, dus was het risico groot dat ze de voertuigen onder de kont van die Britten vandaan zouden schieten. Er is besloten een bom te gooien op het huis waar het meeste vuur vandaan kwam. De andere Taliban gingen ervandoor en de Britten konden zonder slachtoffers wegkomen.’

‘Tot wij vanuit dat dorp te horen kregen dat er niet alleen mannen met wapens waren omgekomen, maar ook de bewoners van het huis. Ik werd met dat nieuws geconfronteerd nadat ik als Commandant der Strijdkrachten voor een dienstreis aankwam in Afghanistan. De vlieger zat in zak en as, die vond dat hij schuldig was aan het maken van burgerslachtoffers. Daar schrok ik van. Ik heb gezegd: nou moet je even bij me blijven. Wij zijn verantwoordelijk, maar schuldig zijn we niet.’

‘Nee, want daar gaat het om een menselijk schild dat Hamas volgens Israël gebruikt. Dan zet je de burgers zichtbaar neer tussen jou en die tegenstander. In dit voorbeeld uit Afghanistan wisten wij niet dat die burgers daar zaten. Ze waren voor het gevecht niet relevant, dus waarom lieten de Taliban ze niet gaan? Geen idee. Er is geen logica.’

Eén begrip komt steeds terug in Notities van een generaal: moreel kompas. Vanaf het moment dat zijn eigen moreel kompas goed stond afgesteld en hij opklom in de militaire hiërarchie, zag Van Uhm het als een van zijn voornaamste taken om zicht te houden op de kompassen van anderen. Dat is soms ingewikkeld, binnen een gesloten sociale cultuur zoals die in het leger. Zo bleek dit jaar uit onderzoek dat één op de drie werknemers van defensie te maken had met grensoverschrijdend gedrag.

Van Uhm: ‘Er is bij defensie een enorme groepscohesie. Dat is aan de ene kant mooi, maar als iemand uit de groep iets verkeerds doet, zie je dat de rest hem in bescherming neemt of misschien zelfs volgt. Als commandant zag ik het als mijn taak om dat morele kompas scherp te houden. Zo kan ik me een situatie herinneren waar we de kans hadden om een Talibanleider in z’n kuif te grijpen en over te dragen aan de Afghaanse autoriteiten, zodat hij kon worden berecht. Een hoogrisico-operatie, die we succesvol lieten uitvoeren door onze beste troepen. De eerstvolgende keer dat ik in Afghanistan was, twee weken later, heb ik met die groep gesproken. Een scherpschutter, een flinke knul, zei: generaal, waarom die moeite? Ik kan toch, net als de Amerikanen en de Britten, met m’n maatje liggen wachten tot hij een keer voor het raam verschijnt? Het kan een dag duren, maar hij kómt een keer voor het raam.’

‘Ja. Zo’n jongen knaagt op dat moment aan ons moreel kompas. Ik zei: zijn wij net als de Taliban, die bermbommen neerleggen en het geen moer interesseert wie er op die bom rijdt? Vaak genoeg waren dat burgers met hun brommertje, vrouwen met kinderen. Ik zei: jongens, ik hoop dat, als je kleinkind later vraagt wat jij voor zijn of haar toekomst hebt gedaan, je trots kunt zijn op je antwoord. Toen heb ik die jongen indringend aangekeken en gezegd: als jij die trekker overhaalt terwijl je weet dat we hem gevangen hadden kunnen nemen, ben jij niet trots. Ze waren allemaal doodstil. Veel succes, zei ik, en ik ben de zaal uitgelopen.’

‘Een moreel kompas wordt iedere dag geslepen of getoetst. In Libanon werd ik als compagniescommandant met een gijzeling geconfronteerd. Mijn soldaten werden door vijf slechteriken onder schot gehouden, een van mijn jongens zat met een mitrailleur tegen zijn hoofd. Toen ik er met een luitenant op af liep, werden we van dichtbij beschoten. Mijn luitenant werd geschampt, ik zei: noodverbandje erom, doorlopen. Gruwelijk berekenend. Na enkele uren onderhandelen slaagde ik erin om die soldaten vrij te krijgen. Twee weken geleden had ik een reünie met die jongens van toen. Sommigen vinden dat ik hun leven heb gered.’

‘Ja, ja, ja. Je bent niet jezelf, er hoeft maar iets te gebeuren of je schiet in die adrenaline. Vlak nadat ik de soldaten vrij had gekregen, zei een van hen: een van die slechteriken heeft onze blikopener nog. Vól in de adrenaline. Ik ben erop afgestormd om die blikopener terug te krijgen. Een absurde actie. Maar ik wilde niet dat die slechteriken met iets van winst uit die situatie weg zouden lopen. Ook dat was een les. Nu weet ik: als er iets spannends gebeurt, moet je scherp blijven tot 5 over 12.’

‘In mijn hoofd noem ik ze klootzakken. Dit waren echt klojo’s, eropuit om de boel te verzieken. Maar de tegenstander bestempel ik in principe niet als slechterik. Ik heb mijn soldaten in Afghanistan proberen te leren dat de meeste Taliban boerenzoontjes zijn die worden gedwongen om mee te vechten. Als die boer zijn zoon niet meegeeft, staan ze een week later met hun kalasjnikov voor de deur om papa mee te nemen. Wij hebben de luxe om principieel te zijn, zij niet. Kom je in gevecht, ga dan niet bewijzen dat jij kunt winnen, maar probeer zo snel mogelijk uit dat gevecht te komen.’

‘Te veel. Bij een spannende missie – Libanon, Bosnië, Afghanistan – kun je ervan uitgaan dat 20 procent aanpassingsproblemen krijgt. Sommige mensen – hier zit er één – zetten de knop om en hebben na twee dagen nergens last meer van. Maar er zijn er ook, die lopen te wandelen met hun vrouw, horen een knal en liggen dan in dekking achter een geparkeerde auto. Bij de helft van die 20 procent ebt het weg, maar de andere helft heeft hulp nodig. De kunst is om die op tijd te vinden, voor het ontploft, want sommigen kunnen het fantastisch verstoppen. Ik ken jongens, en dit is geen waardeoordeel, die nagenoeg niets hebben meegemaakt en terugkwamen met PTSS. Ik ken mensen bij wie het in de vijfde missie pas fout ging. Het gaat niet om hoe erg het is wat je hebt gezien, maar om jouw perceptie. Je bent niet beter als het je niet overkomt, je hebt alleen de mazzel dat jij ermee kunt omgaan. Daarom zeg ik altijd dat ik een labrador ben. Ken je labradors?’

‘Ik ben ambassadeur voor de Stichting Hulphond, en wij hebben voor die stichting acht pups opgevoed. Hun foto’s hangen op het toilet, allemaal labradors en een golden retriever. Als een labrador iets spannends meemaakt, schudt-ie met z’n kop, flappert met de oren, en het heeft een plek. Ik ben geboren met hetzelfde vermogen.’

‘Ik ben een soort labrador.’

‘Ik werd benaderd om de eerste Nederlandse PTSS-hulphond over te dragen aan een Afghanistan-veteraan. Ik ging in gesprek, en op een gegeven moment vroeg ik wie de veteraan in kwestie was. Patrick Kaslander. ‘Dat kan niet waar zijn’, zei ik. Patrick is de militair-verpleegkundige die aanwezig was toen onze zoon is gesneuveld, hij heeft het besluit moeten nemen om te stoppen met reanimeren. Bij hem is toen in het hoofd gaan zitten dat hij verantwoordelijk is voor het verlies van Dennis en het andere slachtoffer, Mark Schouwink. Ik heb hem altijd gezegd dat dat niet klopt, dat hij ervoor heeft gezorgd dat twee zwaargewonden zijn blijven leven. Mijn zoon en Mark waren op slag dood. Natuurlijk zijn er jongens gaan reanimeren, maar dat had geen zin. En Patrick heeft zijn aandacht terecht op die twee zwaargewonden gericht.’

‘Toen ik, een paar weken na het ongeluk, in Uruzgan kwam. Ik wilde absoluut met de eenheid van Dennis praten. Voor de deur heb ik mijn uniform uitgetrokken, ik ben in mijn T-shirt naar binnen gelopen. Want ik was daar niet als de Commandant der Strijdkrachten maar als de vader van Dennis. Na het gesprek zei ik: als jullie mij een op een willen spreken, zit ik daar in die container. Patrick kwam als laatste, hij heeft lang staan wachten. Hij trok papieren tevoorschijn waarop per seconde stond hoe het die dag was gegaan. We hebben lang zitten praten. De eerstvolgende keer dat ik hem zag was bij het overhandigen van zijn hond, Vigo. Die heeft hem, begreep ik, erg geholpen.’

‘Parbo, een geboren oude ziel. Wat er ook gebeurde, hij gaf geen krimp. Hij was net een jaar toen hij geplaatst kon worden, bij een veteraan met PTSS. In februari gaat Parbo, die dan 10 jaar is, met pensioen.’ Stralend: ‘Zijn oude dag zal hij weer bij ons doorbrengen.’

‘Mijn vrouw en ik noemen dat ons Fisherman’s Friend-momentje. Natuurlijk sta ik dan met natte ogen. Bij de tweede pup zeiden we tegen elkaar: en nu worden we er niet meer verliefd op. Maar dat word je natuurlijk wel. Het is wat het is: je bereidt je erop voor, en het is fantastisch dat die hond uiteindelijk zoveel voor iemand betekent.’

‘Ik kan me een keer herinneren dat ik een van de honden, Zander, meenam naar een publiek optreden. Zo kon de hond wennen, en ik kon meteen reclame maken voor Stichting Hulphond. Ik zat op het podium voor een volle zaal, Zander ging in een hoekje liggen pitten. Op een gegeven moment vertelde ik over Dennis. Zander stond op, liep naar me toe en ging tegen me aan zitten. Dat was een ontroerend moment. Zander is een hoogsensitieve hond, hij woont nu bij een vrouw met epilepsie. Hij kan een uur van tevoren voorspellen of ze een aanval zal krijgen, dan waarschuwt hij haar door haar hand te pakken.’

‘Diezelfde avond heb ik gedacht: zoek het maar uit. Ik doe niet meer mee. En die Afghanen zoeken het ook maar uit. Dat heb ik gedacht en gezegd, toen ik die avond met mijn vrouw op de bank zat.’

‘Kort. Een halfuur, misschien iets langer. Ik kwam bij zinnen toen in Pauw & Witteman openlijk mijn functioneren als Commandant der Strijdkrachten ter discussie werd gesteld. Dat wekte strijdlust op, echte boosheid, bij mij en bij mijn vrouw. We keken elkaar aan en zeiden: we weten niet of we het kunnen, maar we gaan het samen proberen. Als ik de handdoek in de ring zou gooien, zouden we alles verliezen waar Dennis in geloofde, waar wij in geloven. Onze dochter en schoondochter, de vriendin van Dennis, waren het er helemaal mee eens.’

‘Ja, natuurlijk hielp het. Het was ook afleiding. Ik denk niet dat ik erin ben gevlucht, maar het werk hielp om de gedachten te verzetten.’

‘Het was een paar weken daarna. De moeilijkste reis van mijn leven. Ik kwam aan en ze zeiden tegen mij: nou baas, we kunnen wel even regelen dat jij met een helikopter naar de plek gaat waar Dennis is gesneuveld. Dat was verleidelijk, maar ik heb gezegd: dat gaat niet gebeuren. Dat kán niet.’

‘Ik wil geen privileges voor de baas. Ik zei: het is lief van jullie, goed bedoeld. Maar hoe regelen we dat dan voor de ouders van Mark Schouwink? Dat gingen we dus niet doen.’

‘Als mens, ja, als vader, ja. Als commandant niet.’

‘Het was pijnlijk. Tijdens een reünie met de Libanon-jongens ging het er ook over, die vragen: zijn we, kijkend naar de situatie nu, voor niks in Libanon in geweest? Ik zeg tegen ze, en ook tegen de militairen die in Afghanistan zijn geweest: natuurlijk hebben we onze doelen niet bereikt, dat is zo helder als wat. En dat is nog veel triester voor de plaatselijke bevolking dan voor ons.’

‘Maar ik praat niet alleen tegen lotgenoten, ik praat ook tegen de mensen die gezond zijn teruggekomen. Wat we hebben bereikt, is dat we de mensen hebben laten zien dat er een alternatief is. Een alternatief waarbij jij bij een dokter kunt komen, al moet je er misschien twee uur voor achterop een brommertje. Een alternatief waarbij de meisjes meer opties hebben dan onder een boerka lopen. Je hoopt dat daar iets van is blijven hangen, bij de jongere generaties. Als dat zo is, betekent dat dat er ergens hoop is.’

‘Natuurlijk heb ik mezelf de vraag naar zingeving gesteld. Ook met betrekking tot Dennis. Waar ik me aan vasthoud, is dat hij deed wat hij wilde en geloofde in wat hij deed. Niemand is ooit sneuvelbereid, echt niemand. Hij heeft pech gehad. Verkeerde plek, verkeerde tijd. Wij hebben als gezin gekozen om de weg vooruit te zoeken. En hij is er nog steeds, hij is deel van ons gezin.’

‘Ik heb ze net weer in mijn handen gehad, twee sporttassen vol. We hebben ze in die hectische periode allemaal gelezen, maar ik vond dat ik er nog een keer rustig naar moest kijken, uit respect voor de mensen die hebben geschreven. Zo hebben ze vijftien jaar op de werkkamer gestaan. Een tijdje terug ben ik begonnen, maar ik ben er snel weer mee gestopt. Het was niet goed voor me. Dus ik heb nu de stap genomen ze beneden in de berging te zetten.’

‘Misschien niet. Ik denk dat ik het niet kan.’

15 juni 1955 Geboren in Nijmegen.
1972-1976 Koninklijke Militaire Academie.
1983 Eerste uitzending, Libanon.
1984-1986 Hogere Militaire Vorming, Hogere Krijgsschool.
1998-2000 Hoofd Afdeling Militaire Strategische Aangelegenheden, Defensiestaf.
2000-2001 Uitzending, Sarajevo.
2001-2004 Commandant Luchtmobiele Brigade, Defensie.
2004-2005 Directeur Beleid en Plannen (generaal majoor), Landmachtstaf.
2005-2008 Commandant Landstrijdkrachten, Defensie.
2008-2012 Commandant der Strijdkrachten, Defensie.
2016 Biografie Ik koos het wapen door Sander Koenen.
2023 Podcast Veldheren met Mart de Kruif, gepresenteerd door Jos de Groot.
2023-2024 Veldheren Live, militair theatercollege.
2023 Notities van een generaal, door Sander Koenen.

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next