Home

‘Geboren als ongewenst kind, opgegroeid in een jappenkamp, twee kinderen verloren in één klap – hoe kun je dan gelukkig zijn?’

Patricia Jimmink (67, freelance journalist): ‘Mijn moeder was van 1934. De hele gifbeker moest leeg voordat ze op 83-jarige leeftijd aan alzheimer overleed. Twee kinderen heeft ze verloren, mijn beide broers, één aan een ongeluk, de ander aan korsakov. Ik heb mijn moeder veel verweten in mijn leven, misschien wel terecht. Maar haar leven kende weinig glans, heb ik veel later pas begrepen.

‘Háár moeder was 15 toen mijn moeder werd geboren, ze was dus niet in staat voor een kind te zorgen. Baboes waren mijn moeders favorieten – haar jeugd bracht ze in Indonesië door. Toen ze 8 was, brak de oorlog uit en kwam ze in een jappenkamp terecht, waar haar moeder troostmeisje moest zijn. De Bersiap-periode die erop volgde was zo mogelijk nog verschrikkelijker. Ik heb schriftjes gevonden waarin mijn moeder haar levensverhaal heeft opgeschreven; er was totale anarchie, er lagen onthoofde mensen op straat.

Leven na de dood is een rubriek in Volkskrant Magazine over rouwen en leven.

‘Op haar 16de werd ze samen met haar broertje op de boot naar Nederland gezet. Haar moeder was spoorloos, haar vader was te werk gesteld aan de Birma-spoorlijn; ze moest maar de verpleging in, en kwam in Santpoort terecht. Daar ontmoette ze, bij een bushalte, mijn vader, een mooie jongen, zó weggelopen uit een streekroman. Ze werden verliefd, ze trouwden en al snel kwam ik en daarna mijn broer. Maar mijn moeder had natuurlijk nooit kunnen verwerken wat ze tot haar 16de had meegemaakt.

‘De jap zat nog in haar. Mijn moeder was geen opvoeder, ze was een militair. Ik hoor nog haar commando’s: ‘voeten vegen, handen wassen’ – in de baarmoeder leerden we al met mes en vork eten. We moesten bovenmenselijk schoon zijn. Als je thuiskwam, was het niet: hoe was het op school? Nee: ‘vingers van de deur, deuren hebben knoppen’, en als ik een glas melk dronk in de keuken, bleef ze erbij staan kijken of ik geen druppel morste. En sláán dat ze kon: als je ook maar iets tegensputterde, kreeg je klappen. Mijn broer en ik liepen met gebogen schouders door het huis. Mijn vader werkte lange dagen, die kreeg er weinig van mee. En in de buurt werd wel over ons geroddeld, maar niemand greep in.

‘Toen ik 8 was, werd mijn moeder verliefd op een muzikant. Het draaide uit op een scheiding. Mijn vader vertrok en de nieuwe lover kwam in huis, waardoor de sfeer iets verbeterde. Hij had gevoel voor harmonie, er werd veel gezongen en als hij thuis was, werd er niet geslagen. Ik kreeg wel een ander probleem: hij kon niet met zijn handen van mij afblijven. Verschrikkelijk vond ik het. Maar ik durfde het niet tegen mijn moeder te zeggen, want ik dacht: ze gelooft me toch niet, alles wat ik krijg, is een dreun.

‘Toen ik 14 was, gebeurde er iets dramatisch. Mijn moeder en stiefvader hadden een liefdesbaby gekregen, Gertjan, die, zo vonden mijn broer Richard en ik, ongelooflijk werd verwend. Hij had diabetes en daarom werd op mijn broer en mij altijd een appèl gedaan om goed op hem te letten. Hij is op een dag, toen hij 5 was, verongelukt in de speeltuin. Hij is onder een hangwip terechtgekomen die hem dodelijk heeft geraakt. Mijn broer Richard was erbij.

‘Die gebeurtenis heeft alles bij ons thuis veranderd. Mijn moeder was nooit meer thuis, die zat alleen nog maar op de begraafplaats als ze niet aan het werk was. Het slaan hield op. Mijn broer, die 13 was, voelde zich verschrikkelijk schuldig – en mijn moeder deed niets om dat gevoel van hem weg te nemen, volgens mij gáf ze hem ook de schuld. In het dorp werd hij nageroepen: ‘moordenaar!’ Hij is gaan drinken op zijn 14de. Hij kon de last niet dragen, en opvang was er in die tijd niet. Wat ook gebeurde: mijn stiefvader hield van de ene op de andere dag zijn handen van mij af. Lamgeslagen door het verdriet, denk ik, en misschien dacht hij ook wel dat hier een hogere macht in het spel was geweest. Ik werd een draak van een puber. Opstandig, boos, provocerend – opeens had ik macht thuis, en dat beviel me wel.

‘Op mijn 16de ben ik op kamers gaan wonen. En het gekke is: toen mijn moeder geen opvoeder meer was, verbeterde onze band. Héél geleidelijk, hoor, er zijn jaren overheen gegaan. Ik heb eerst een lange periode moeten leren voor mezelf te zorgen, want met zo’n jeugd was dat er niet echt van gekomen. Ik viel in de verkeerde armen, drugs, het hele scala kwam voorbij. Ik ging bij de Hell’s Angels omdat de man met wie ik trouwde in die wereld zat. Een hel was dat huwelijk, want die vent sloeg me ook – dat associeer je dan met liefde, ik dacht: hij moet wel heel veel van me houden. Zo werkt het brein kennelijk in de overlevingsstand.

‘Ik kreeg een zoon, en mijn moeder is, dat moet gezegd, vanaf het begin een fantastische oma voor hem geweest. Geen slaag, alleen maar liefde en zorgzaamheid – wie had dat kunnen denken. Ik ging scheiden, leerde bij het Haarlems Dagblad Govert kennen, met wie ik nu 35 jaar samen ben. En toen mijn leven in rustiger vaarwater terecht was gekomen, ben ik de tragiek van mijn moeders leven gaan inzien en kreeg ik steeds meer met haar te doen. Geboren als ongewenst kind, want iemand van 15 wíl geen kinderen, opgegroeid met slaag in een jappenkamp, twee kinderen verloren in één klap – mijn broer Richard is het ongeluk nooit meer te boven gekomen, zwaar alcoholist geworden en overleden aan korsakov. Hoe kun je dan een gelukkig mens zijn en dat overdragen aan je kinderen? Het is geen wonder dat haar dat niet is gelukt.

‘De laatste jaren van haar leven zijn heel goed geweest voor ons samen. Ze kreeg alzheimer en ze wérd me toch een partij lief. Ik ging voor mijn plezier naar haar toe in het verpleeghuis en ze was altijd vreselijk blij als ik kwam, dan zei ze: ‘Gelukkig, ik dacht dat je niet meer zou komen.’ Ik hielp haar met eten, we kleurden samen kleurplaten in waarbij ze lekker buiten de lijntjes kleurde, ze was weer kind en ik heb daar ontzettend van genoten. Ik dacht: zo moet jij als klein meisje zijn geweest. Ik ben zo blij dat ik met die lieve kant van haar ook heb kunnen kennismaken. De rollen werden omgedraaid: ik zorgde nu voor haar, en dat compenseerde op de een of andere manier mijn eigen gemis aan veiligheid en liefde. Ik deed er voor haar toe, ze werd eigenlijk mijn kind. En dat voelde goed, de cirkel was rond. Op een avond heb ik gezegd, terwijl wij daar helemaal niet van waren: ‘mam, ik hou van je.’ Toen keek ze me aan met een twinkel in haar ogen en zei ze: ‘ja, ja, oelala.’

‘Ik was erbij toen ze overleed, nu vijf jaar geleden. Govert en onze beste vriend Gerlof zaten ook aan haar sterfbed. Ze zaten maar te kletsen, tot ik zei: stil, ze gáát. Heel sereen heeft ze haar laatste adem uitgeblazen. Ik wilde bijna voor haar klappen, en zeggen: wat heb je dit goed gedaan.’

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next