Home

Zoetsappigheid krijgt een knauw in Zaltbommel

Uit straatboekenkastjes in heel Nederland haalt steeds een boek, bespreekt het, en geeft het door. Vandaag: ‘Op zoek naar de liefde’.

Ik ging naar Bommel om de brug te zien en liep, mijn thee gedronken, ook even langs de kerk. Geen psalm te horen, maar buiten, tegen de noorderzijmuur stond een robuuste lage kast, geschilderd in het rood van het orgel binnen. Erboven stond ‘Kinderboeken’, erop het mysterieuze ‘zwerfstoelenboeken-nachtopvang-inzameluitleen-plaats’. Op een zware lade was ‘Overig’ geschilderd, maar het overige bleek het onkenbare, want in de la was geen beweging te krijgen. In het open vak schuilde een tiental boeken tegen de novemberregen. Ik pakte Op zoek naar de liefde van de mij volledig onbekende Fica ten Houte de Lange uit 1969. Volgens de achterflap was zij tevens auteur van Waar de rumba lokt, een ook in het Deens en Duits vertaalde ‘roman over het eiland Cuba voor Fidel Castro’ – geschreven in 1955, dertien jaar voor Harry Mulisch zijn woord bij de revolutionaire daad voegde.

Op het omslag van Op zoek naar de liefde staat een landschapje met bomen, werk ‘van de overleden man van de schrijfster’. De flaptekst spreekt van „een tonicum voor de lezer die nog kan openstaan voor eenvoud en warmbloedige verbeelding”. Hm. Toch maar even opengeslagen; iemand had dit boek immers 54 jaar meegenomen door de tijd. Er stond, keurig in lijn met de belofte van lievigheid: „De vijfjarige Stien had van het leven meegekregen een fijnbesneden kopje, omkranst door rossig haar... de nog spichtige ledematen van een lam... en de belofte van een uitbundige gezondheid.” Meteen daarna, keihard: „Maar haar ouders vonden er geen spat aan.”

Zo schrijft Ten Houte de Lange de hele tijd, in het boek dat uit vijf lange verhalen bestaat. Steeds wordt de lezer een vriendelijke scène binnengeleid, op het zoetsappige af, waarna de wreedheid van de mens toeslaat. In het titelverhaal lijdt de goedhartige, hopeloos naïeve Stien, onder de liefdeloosheid van haar ouders. Als zij zich realiseert dat hun wangedrag uit de fles komt, wordt ze met haar „varkens-snuut” resoluut op straat gezet. „Op die dag werd er dus een mijl-paal geplant in het leven van dat vijftienjarige kind.”

Op zoek naar de liefde dus. Maar of het nu bij de schilder of de schilleboer is, steeds tast Stien mis. De ene kerel vindt haar te preuts, bij de volgende is zij te druistig. Voeg daarbij de eeuwige onbetrouwbaarheid van het manwezen – dat zegt te willen trouwen, maar altijd nog wel een ander potje op het vuur heeft – en het eenzame lot van onze Stien is bezegeld. Zoals haar moeder bij het kaartleggen heeft gezien: „Oe kan geen vrijer vange. Oe het geen manne-vlees tussen de botte.” (Ten Houte de Lange gebruikt veel dialect.)

Inderdaad kent de geschiedenis van Stien geen gelukkig einde; opportunisme en bedrog domineren de wereld van Op zoek naar de liefde. Het allermooist komt dat naar voren in het verhaal van Kwibus, een wonderlijke jongen die een kind redt en die ontdekt dat wie eenmaal wordt aangezien voor een rare kwibus, nooit zomaar wordt geloofd. Van het slot weet ik nog steeds niet of ik er nu om moet huilen of glimlachen.

Source: NRC

Previous

Next