Zwemdiploma’s
Dit is het dagelijkse commentaar van NRC. Het bevatmeningen, interpretaties en keuzes. Ze worden geschreven door een groepredacteuren, geselecteerd door de hoofdredacteur. In de commentaren laat NRC zien waar het voor staat. Commentaren bieden de lezer eenhandvat, een invalshoek, het is ‘eerste hulp’ bij het nieuws van de dag.
Nederland waterland. Nederland straks hopelijk schaatsen-op-bevroren water-land. Nederland zwemmen in (open) water-land. Of dat laatste toch niet? Deze week maakte het Mulier Instituut bekend dat tussen 2018 en 2022 er een ruime verdubbeling was van het percentage kinderen tot zestien jaar dat geen zwemdiploma heeft; dat is nu 13 procent. Elf procent heeft alleen een A-diploma, 41 procent A- en B. Terwijl de Nationale Norm Zwemveiligheid het A-, B- én C-diploma is. Pas dan hebben kinderen genoeg vaardigheden om veilig te kunnen zwemmen in een golfslagbad of in buitenwater zonder stroming.
De onderzoekers van het Mulier Instituut wijten de daling – tot 2018 was er juist een stijging te zien in het aantal zwemdiploma’s – mede aan de coronapandemie. Zwembaden gingen toen dicht, en iedereen in Nederland beweegt sindsdien minder.
Het is echter niet alsof daarvoor het makkelijk was een kind op zwemles te krijgen. Het schoolzwemmen, voor iedereen die tussen de jaren zestig en tachtig op de lagere school zat een bekend fenomeen, wordt sinds 1985 niet meer verplicht door scholen aangeboden. In slechts 30 procent van de gemeenten hebben kinderen via de basisschool nog zwemles.
Scholen moeten ook veel, te veel misschien om een uur zwemmen per week (én de reis heen- en terug, en de tijd van omkleden en afdrogen) in de lesuren op te nemen. Laat staan dat er leraren ‘over’ zijn om in te roosteren voor de begeleiding.
Het komt dus op de ouders zelf aan. Die moeten hopen dat de zwemleraar weet wat hij doet. Het geven van zwemles is een vrij beroep, iedereen mag lessen aanbieden en een zwemdiploma uitgeven – al geeft de Nationale Raad Zwemveiligheid wel licenties aan degenen die dat vakkundig doen.
Áls ze een zwemleraar vinden. Het afgelopen decennium zijn zwembaden gesloten, subsidies aan zwembaden gekort, of zwemuren beperkt omdat gemeenten moesten bezuinigen. Al jaren zijn er wachtlijsten voor zwemles.
Als gemeenten genoeg zouden geld hebben, zouden ze zwembaden open kunnen houden, en kinderen zonder diploma gratis zwemles aan kunnen bieden, zoals in enkele gemeenten al gebeurt. Nu houden zij watertrappelend het financiële hoofd boven water, met een nieuwe bezuinigingsronde in het vooruitzicht voor na 2025.
Ouders merken bovendien dat lessen duur zijn, onder meer door hoge gasprijzen. Alleen een A-diploma kost al snel meer dan 700 euro, exclusief de kosten om bij het zwembad te komen of de tijd die een ouder langs de kant spendeert. Zwemles is daardoor snel een voorrecht voor kinderen van ouders die het zich kunnen veroorloven.
De cijfers van het Mulier Instituut laten zien dat juist in gezinnen uit de laagste inkomens een kwart van de kinderen geen zwemdiploma heeft, tegenover 2 procent van de kinderen uit gezinnen in de hoogste inkomensgroep zonder zwemdiploma. Kinderen met migratieachtergrond voldoen het minst vaak aan die norm zwemveiligheid – en onder die groep zijn er gemiddeld tien keer meer verdrinkingsgevallen.
De kloof tussen arm en rijk mág geen kloof zijn tussen wel of niet verdrinken. Dat is een collectief belang. Net zoals het in het belang van de hele samenleving is te zorgen voor gezonde inwoners.
Source: NRC