In de jaren zeventig was Skipp Townsend als bendelid van de Amerikaanse Bloods verwikkeld in een bloedige strijd met de rivaliserende Crips. Nu probeert hij te voorkomen dat zijn buurtgenoten worden meegezogen in de geweldsspiraal. ‘Eigenlijk gaat het nergens over.’
De zon straalt. In de lucht van South Los Angeles hangt de ontspannen sfeer die zo tekenend is voor de Amerikaanse westkust – tot Skipp Townsend, van achter het stuur van zijn witte minibus, geesten begint op te roepen.
‘Hier werd laatst iemand vermoord’, zegt hij, wijzend tussen de palmbomen. ‘En daar ook.’ Terwijl hij zoeft over Manchester Avenue, schieten zijn vingers alle kanten op. ‘Hier!’ Niet veel later: ‘En daar.’
Maral Noshad Sharifi is correspondent Verenigde Staten voor de Volkskrant. Ze woont in New York.
Overal herkent Townsend plaatsen delict: bij schoolgebouwen, ergens midden op de weg, voor schoonheidssalon Tracy’s Nails. ‘Hier werd een vrouw doodgeschoten in een witte BMW. Honderd kogels.’ Waarom ze haar moesten hebben? ‘Geen idee.’
Townsend (60) is kaal met dikke plooien in zijn nek. Moeiteloos dreunt hij een halve eeuw aan lokale moordpartijen op: jaartallen, namen en bijnamen van daders en slachtoffers, en die van de betrokken bendes.
Townsend is geen wijkagent, maar ervaringsdeskundige. In de jaren zeventig zat hij bij de eerste lichtingen van de Bloods, wereldwijd berucht vanwege hun bloedige strijd met de rivaliserende bende Crips, die meer dan 15 duizend levens kostte. Een bendeoorlog die vijftig jaar geleden begon – en nog altijd voortduurt.
Er wordt gevochten om territoria, drugsroutes en doden uit het verleden. De gewapende strijd is een soort hommage, zegt Townsend, aan de legendarische ‘OG’s’ – de original gangsters. Hij zucht. ‘Eigenlijk gaat het nergens over.’
De plaatselijke begraafplaats heeft Townsend al honderden keren bezocht, maar hij komt er steeds minder. In delen van Los Angeles is het bendegeweld sinds 2017 met bijna de helft afgenomen. Er vallen minder doden. Dat is grotendeels te danken aan mensen zoals Townsend, een zogenoemde gang-mediator. Als oud-bendelid maakt hij deel uit van een speciaal programma dat leden van bendes, zonder tussenkomst van politie, met elkaar in gesprek laat treden.
Een groeiend aantal Amerikaanse steden zet oud-bendeleden in om het geweld te bestrijden. Na successen in Los Angeles, Chicago en New York, kondigden recentelijk ook conservatieve staten als Ohio, Alabama en Louisiana dergelijke projecten aan. ‘Ze vertrouwen ons’, zegt Townsend, ‘omdat wij uit de wijk komen en hun levenspad hebben bewandeld.’
Skipp Townsend is 12 jaar oud en te klein voor zijn leeftijd als hij beseft dat hij maar beter te groot kan zijn. ‘Ik wilde geen slachtoffer worden’, zegt hij, ‘dus ik moest de eerste klap leren uitdelen.’ Hij groeit op in South Los Angeles, in een buurt die gebukt gaat onder armoede en drugsverslaving. ‘Je leert boos te doen, zodat niemand de schoenen van je voeten jat. Lieve mensen gaan als eerste dood.’
Vanaf de jaren veertig en vijftig verruilden tienduizenden zwarte Amerikanen het gesegregeerde Zuiden voor steden als Chicago, Detroit, New York en Los Angeles. Deze nieuwkomers, afkomstig uit het rurale Texas, Louisiana en Mississippi, belandden in sociale woningbouwprojecten aan ‘de verkeerde kant’ van de snelweg.
Gezinnen met een midden- en hoger inkomen, veelal wit, vertrokken tegelijkertijd juist naar de suburbs: aangeharkte wijken buiten de stad. Overheidsinvesteringen en bedrijven verhuisden mee, waardoor in de stad de werkloosheid toenam. Buurten als South Los Angeles veranderden in razend tempo in kansarme wijken met hoge criminaliteit, slecht onderwijs en weinig sociale cohesie. Dat is de buurt waar Townsend opgroeit.
‘Ik weet nog dat de Black Panthers in de jaren zestig ontbijt met pannenkoeken organiseerden voor de buurt’, zegt Townsend. Maar ook die bijstand verdwijnt wanneer er, binnen enkele jaren, op iedere hoek gewapende bendes en dealers rondhangen. Ramen worden dichtgetimmerd. Inwoners gaan alleen naar buiten als het nodig is. ‘Plots kon ik als 13-jarige niet meer naar een feestje of de bioscoop zonder last te hebben van straatbendes. Door zelf bij een bende te gaan word je beschermd. Zo begint het.’
Townsend voegt zich als tiener bij de Bloods, de bende die in 1972 aan de westkust ontstaat. Hij belandt in de gevangenis voor een poging tot moord, drugshandel en diefstal. Na 2,5 jaar, zijn langste zit, schrikt hij van wat hij ziet als hij vrijkomt: ouders, kinderen, zijn eigen familieleden, allemaal gevangenen in een spiraal van geweld. Hij besluit er iets tegen te gaan doen.
Sinds 2005 leidt Skip Townsend een team van gang-mediators onder de naam 2nd Call. Met zo’n veertig man personeel probeert hij zijn buurtgenoten op het rechte pad te houden. Na een geweldsincident, zoals de beschieting van de witte BMW, gaat hij langs bij de nabestaanden voor wat hij ‘rumour control’ noemt.
‘Dat is de eerste stap’, zegt Townsend. ‘Vaak komt er heel snel vergelding op basis van roddels. Dan vallen er vaak onschuldige doden, die weer een nieuwe geweldsspiraal starten.’
Townsend bezoekt slachtoffers en vraagt hoe hij kan helpen. Soms willen ze dat hij hun vijanden om opheldering vraagt. Zijn ze betrokken en zo ja, waarom? Onder het genot van pizza of gefrituurde kip zoekt hij dan naar de overeenkomsten tussen rivaliserende bendeleden die elkaar hebben ontmenselijkt. Townsend legt uit waarom vergelding alles erger maakt. Ook benadrukt hij in gesprekken dat juist zwarte mensen elkaar moeten beschermen, in plaats van bestrijden.
Los Angeles kent meerdere organisaties die dit werk doen. ‘Deze bemiddeling is de laatste jaren heel effectief gebleken’, zegt antropoloog Jorja Leap van de Universiteit van Los Angeles. Zij doet al jarenlang onderzoek naar bendes in Californië. Daaruit blijkt dat bemiddelaars de kans op escalatie verkleinen, waardoor excessief geweld afneemt. ‘Lange tijd werd gedacht dat je problemen kon oplossen door genoeg mensen te arresteren’, zegt Leap, ‘maar zo werkt het niet.’
In de jaren negentig werden politie-eenheden sterk uitgebreid in grote Amerikaanse steden met hoge criminaliteit. In zes jaar tijd nam het geweld af met 37 procent. Intussen verdwenen disproportioneel veel zwarte Amerikanen in gevangenissen. In dertig jaar tijd vertienvoudigde de gevangenispopulatie, van 200 duizend in 1970 tot 2 miljoen tegen het einde van de eeuw. Die harde aanpak had ontwrichtende gevolgen voor gemeenschappen, met kinderen die opgroeien zonder vader.
‘Bemiddelaars als Townsend komen veel dichterbij dan de politie’, zegt Leap. ‘Ze treden op voordat het uit de hand loopt. Dit heeft gevolgen voor de kansen van kinderen in de hele buurt.’ Uit onderzoek van New York University blijkt dat kinderen het geweld uit hun buurt meenemen naar het klaslokaal. Vlak na een moordpartij vallen ze twee jaar terug in hun cognitieve vaardigheden. Op toetsen scoren ze lager dan leeftijdsgenoten in dezelfde type buurt waar geen moord plaatsvond. Het gevoel van dreiging houdt hun gedachten bezig.
Daarom probeert Townsend, met zijn collega’s bij 2nd Call, bendeleden bij te brengen dat je problemen ook zonder wapens kunt oplossen. Townsend: ‘Dat klinkt misschien logisch, maar bendeleden denken dat ze alleen maar met geweld in leven blijven. Als iemand op je voet staat, dan sla je hem in elkaar. Jat hij je auto, dan schiet je.’
‘Die wereld kennen jullie goed genoeg’, zegt Skipp Townsend in een zaaltje gevuld met ruim twintig volwassenen met bijnamen als ‘Little Princess’, ‘Chicken Shit’ en ‘Doll’. Het is een nieuwe generatie mediators in opleiding. Bij Townsend volgen ze een training. Af en toe schrijft hij iets op het bord achter hem. ‘Ik ga jullie helpen jullie kennis op de juiste manier in te zetten.’
De eerste stap is het leren herkennen van eigen trauma’s, zegt Townsend. ‘Als je zelf nog met allerlei onopgeloste problemen rondloopt, kun je anderen niet goed begeleiden.’
Vanwege hun eigen verleden weten de cursisten in deze zaal precies waarom bendes zo aantrekkelijk zijn voor inwoners van probleemwijken: ze geven uitzichtloze jongeren een gevoel van eigenwaarde. Een jongen die zich schaamt over zijn analfabetisme, kan zich in een bende alsnog een grote man voelen.
‘Als jullie dit werk willen doen’, zegt Townsend, ‘moeten jullie je triggers leren herkennen.’ Hij vraagt de cursisten om na te denken over geluiden, geuren en woorden die weggedrukte herinneren doen opborrelen. De geur van lever en uien werpt iemand terug naar de ruzies thuis. Iemand deelt hoe het parfum van opa hem nog altijd terugvoert naar het alcoholmisbruik binnen zijn familie. Een ander gaat trillen van politiesirenes.
De cursisten zijn tussen de 30 en 65 jaar oud. De meesten zitten onder de tatoeages. Als ze vertellen over hun levens gaat het over armoede, misbruik en racisme. Al bij het kennismakingsrondje stromen de tranen. Een vrouw die vertelt over de agressie waarmee haar vader vroeger met haar moeder omging, houdt het niet droog. Als een andere cursist haar een zakdoekje wil geven, gebaart Townsend dat ze haar beter kan laten huilen.
‘Wie weet waarom?’, vraagt hij. Met zijn ogen maakt hij een rondje door de zaal. ‘Dat zakdoekje zorgt ervoor dat ze stopt met huilen.’ Dat verdriet dat ze heeft opgekropt moet er eerst uit, zegt Townsend. Hij laat zijn woorden even landen. ‘Y’all get that?’ ‘Ja!’, klinkt het vanuit de zaal.
In de pauze vertelt zijn collega Karin McGee (55), gehuld in een roze trainingspak, hoe zij bij de organisatie is beland. ‘Skipp heeft mij ontvoerd!’, lacht ze. McGee had in haar buurt de reputatie opgebouwd van ruziezoeker. ‘Aan de telefoon hoorde je haar altijd schreeuwen’, zegt Townsend. McGee gniffelt. ‘Hij heeft me zijn auto in getrokken en vroeg waarom ik zo boos deed.’ Dat was 15 jaar geleden. ‘Nu begeleid ik andere ruziezoekers.’
Volgens de Amerikaanse justitie zijn in heel de VS zo’n 20 duizend bendes actief, niet allen gewelddadig, waarbij in totaal meer dan een miljoen mensen zijn aangesloten. Los Angeles telt honderden bendes. Sommige zijn Aziatisch, Mexicaans of Salvadoraans, en hebben slechts een aantal huizenblokken als territorium.
‘Dit is een wijk van de Crips’, zegt Townsend even later in zijn auto, terwijl hij allerlei kanten op wijst. De straat in Leimert Park ziet er doodnormaal uit: losstaande huizen met aangeharkte gazons. Overal zie je kleurrijke muurschilderingen van rappers als Tupac Shakur en Nipsey Hussle, die door bendegeweld om het leven kwamen. Hussle, die in 2019 overleed, steunde nabestaanden van slachtoffers van bendegeweld in South Los Angeles.
Wat opvalt op straat: de politie hoor of zie je hier bijna niet.
Dat verbaast socioloog Carl Taylor niets. ‘Voor veel zwarte bewoners heeft de politie zijn legitimiteit verloren’, zegt hij telefonisch. Taylor interviewde voor zijn onderzoeken honderden Amerikaanse bendeleiders, ook wel Kings genoemd.
‘Het vertrouwen vanuit de gemeenschap is nooit hersteld’, zegt Taylor. ‘Ik ben een grote vent van in de zeventig en ik ben zelf nog steeds bang wanneer ik politie zie.’ Taylor zegt dat het effect van mediation op bendegeweld nog veel groter kan zijn als er meer in geïnvesteerd wordt. ‘Ik denk dat er nog veel meer geld naar dit werk zou moeten gaan.’
Voor het uitvaartcentrum van begraafplaats Inglewood Park Cemetery staat een groep jongeren flessen drank te drinken en muziek te luisteren. Uit de speakers van hun auto’s klinkt hiphop. Ze komen voor de begrafenis van Claude Cruz, lid van de Bloods. Cruz stierf niet door geweld, maar door een hartaanval op 41-jarige leeftijd.
‘Het stressniveau van mensen hier is hoog’, zegt Townsend, die de gemeenschap wil laten zien dat hij er ook is op de moeilijkste momenten van hun leven. Iedereen hier lijkt te weten wie hij is.
De parkeerplaats verandert al snel in een zee van rode shirts, de kleur van de Bloods. Townsend aanschouwt de jongeren, die nog altijd geen aanstalten maken om naar binnen te gaan, waar de overledene opgebaard ligt. ‘Ze willen hun medeleven laten zien, maar vinden het te kwetsbaar om binnen te gaan staan huilen’, zegt Townsend. ‘Dit is hoe ze met hun pijn omgaan.’
Een koets met witte paarden met roodgeverfde hoeven draagt de overledene richting het graf. De snikkende weduwe blijft achter met drie huilende meisjes. ‘De zoveelste kinderen die zonder vader opgroeien’, zegt Townsend. Dan loopt er een jongeman op hem af en slaat zijn hand in die van hem. ‘Mag ik bij een van je programma’s?’, vraagt hij. ‘Wat jij voor deze gemeenschap doet, respecteer ik echt.’ Townsend wil zijn organisatie uitbreiden. Hij wil samenwerken met jeugdgevangenissen en scholen, om jonger te kunnen ingrijpen.
‘Je gaat het niet geloven’, zegt Townsend op de terugweg. ‘Maar mijn jongste zit nu ook in een bende.’ Hij aait zijn hand over zijn kale hoofd. ‘Ik ben zo bang dat hem iets overkomt.’ Het is een van de pijnlijkste dingen in zijn leven: hij heeft vreemden kunnen behoeden voor straatbendes, maar niet zijn eigen zoon van 16.
‘Ik heb alles geprobeerd’, zegt Townsend hoofdschuddend. Tijdens de pandemie, toen de scholen lange tijd dicht waren, kreeg hij hem niet van straat. Mensen die bang zijn als zwak te worden gezien, zullen niet snel aanslaan op het werk van Townsend. Dat geldt ook voor zijn zoon. De ironie wil dat hij zich ook nog eens heeft aangesloten bij de Crips, zijn oude aartsvijand.
‘Ik heb hem lijken laten zien, voorgesteld aan een man met kogelgaten in zijn arm, en iemand die een nepoog uit zijn gezicht trok.’ Townsend nam zijn zoon mee naar slachtoffers van bendegeweld – maar het mocht niet baten. Nu zit hij in de jeugdgevangenis. ‘Uiteindelijk luisterde hij liever naar een 18-jarige op straat, dan naar zijn bloedeigen vader.’
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden