Achter het huis van mijn moeder begint de Enge Wormer. Door het raam van de bovenste verdieping keek ze jarenlang in zuidoostelijke richting over grasland, grutto’s en rietkragen, tot er tussen haar en de natuur een woonwijk verrees, net binnen de door de gemeente vastgestelde uitzichtgrens, klagen was zinloos. Het land erachter bleef zoals het was, een kunstwerk van waterbouwkundige Jan Adriaanszoon Leeghwater die het meer in de 17de eeuw had drooggemaakt. Het had Wormer een veenpolder, molens en welvaart opgeleverd, hem de toevoeging Leeghwater.
Over de auteur
Eva Hoeke is journalist en voor Volkskrant Magazine chroniqueur van het moderne leven.
Ik liep erdoorheen. De witte schelpen van het Kerkepad knerpten onder mijn felroze hardloopschoenen, in mijn oren klonk het als gospel. Het rennen ging me goed af, zelfs of misschien wel juist in dit novemberweer, waarin de wind je de ene keer vooruitjoeg en de andere keer het zweet van je slapen wiste. In dit jaargetijde leek het alsof er meer zuurstof in de lucht zat, wat helemaal niet kan, zuurstof is heel gelijk verdeeld over de atmosfeer, maar toch voelde het frisser, alsof de lucht je af en toe wat extra adem toestopte, hier meid, rennen maar.
Mijn route ging over het slingerpad langs het grasland met broedvogels, over de brug links en dan maar door, het hele rondje om, langs de manege, langs het huis van ome Piet, langs de brug waarvan diezelfde ome Piet ooit had gezegd dat je er nooit met auto en al doorheen kon zakken, een gedachte die telkens weer bij me opkwam als ik over het zwarte koude water reed – nee, zei hij, dat kan niet, wat denk je van al die shovels en graafmachines die eroverheen zijn gegaan om die brug daar überhaupt te krijgen, die zijn veel zwaarder dan jouw autootje, ik zou het nooit vergeten en ik zou er ook nooit meer bang voor zijn – langs de boerderijen en langs de Adelaar van de voormalige zeepziederij en dan via de snackbar zo de bewoonde wereld weer in. Tegen de tijd dat ik thuiskwam voelde ik me fit, vrolijk, superieur zelfs, dat had ik toch maar weer mooi geflikt.
De hemel trok dicht en even later weer open, regen sloeg in mijn gezicht. Toen, ineens, die andere troef van november: een regenboog. En wat voor een. Een regenboog uit een boekje, vol en onverdund van kop tot kont, ik zag het begin en ik zag het eind, het alfa en omega, wacht eens even, een dubbele zelfs, halleluja, het prisma-effect dat het zonlicht uitsplitste in een jubelend rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo en violet en dat tegen die dreigende, loodgrijze hemel – zo een had ik er nog nooit gezien! Ik stopte niet, bleef rennen, nog even en ik zou recht onder die boog door gaan, de regenboog zou een triomfboog worden en ik een winnaar, in mijn hoofd klonk bazuingeschal, scheen-ie nou recht op het huis van mijn moeder? En het was op dat moment dat ik tóch even met de gedachte speelde, ik kon het niet helpen.
November is de maand van regenbogen en de knisperfrisse lucht én het is de maand van mijn vader, die op 6 november 1999 stierf. Ook dit jaar had ik er weer aan gedacht, ook dit jaar had ik erbij stilgestaan, maar ook dit jaar was er weer geen onverklaarbare windvlaag of een knipperende lamp geweest, niks, helemaal niks. Ik had ergens gelezen dat 30 procent van alle Nederlanders wél ooit contact heeft gehad met een overledene, je kon er op een rare manier jaloers van worden, maar na 24 jaar was het duidelijk dat ik het met mijn herinneringen moest doen.
En af een toe een knaller van een regenboog.
Die middag zagen de grutto’s hoe een vrouw op roze hardloopschoenen ‘papa’ riep tegen de grauwe lucht, waarna de regenboog langzaam verdween in het grote niets.