Home

Miriam Toews verwerkt haar strenggelovige achtergrond in haar romans: ‘Mijn ooms zeggen nog steeds dat ik naar de hel ga’

Iedere schrijver put uit zijn eigen leven, meent Miriam Toews. Dus schreef ze, na het verfilmde Woman Talking, opnieuw over zelfdoding, verlies en haar mennonitische achtergrond. En in Nachtgevechten ook over haar moeder, de eigenzinnige Elvira.

Hoe ga ik dit aan mijn kleinkinderen uitleggen? De vraag heeft Miriam Toews (1959) beziggehouden vanaf het moment dat ze oma werd. ‘Ze zijn nu nog klein, maar op een dag zullen ze vragen stellen over wat er allemaal in onze familie is gebeurd’, zegt ze per videoverbinding vanuit haar keuken in Toronto – foto’s van de kleinkinderen op de koelkast. ‘Nachtgevechten heb ik geschreven met hen in mijn achterhoofd.’ Komende week is de Canadese auteur in Nederland en België voor de promotie van haar nieuwe roman.

Toews groeide op in een mennonitische (streng-christelijke, sekte-achtige) gemeenschap in Canada, waar ze op haar 18de uitstapte. Haar vader en zus verloor ze door zelfdoding. Ze werd jong moeder en voedde haar kinderen niet religieus op. In elk van haar acht romans komt wel iets van die ervaringen terug. Het vorig jaar vertaalde Niemand zoals ik (2014) gaat over twee zussen van wie er een uit het leven stapt. Wat ze zeiden (2018) is gebaseerd op een waargebeurd verhaal en speelt in een mennonitische kolonie in Bolivia waar de vrouwen stelselmatig zijn gedrogeerd en verkracht. De verfilming Women Talking werd dit jaar bekroond met een Oscar.

Over de auteur
Emilia Menkveld is literair recensent en eindredacteur van de Volkskrant.

Nachtgevechten is luchtiger van toon. ‘Dat had ik echt nodig na Wat ze zeiden. Loodzwaar was het om dat boek te schrijven, om de pijn van die vrouwen mee te torsen.’ De verteller in haar nieuwe boek is Swiv, een grappig, vroegwijs meisje van 9 dat het flink voor haar kiezen krijgt: haar opa en tante hebben zichzelf gedood, haar vader is vertrokken zonder reden, haar moeder is hoogzwanger, diep ongelukkig en vooral aan het werk. Sinds ze van school is gestuurd krijgt Swiv thuis ‘les’ van haar lieve, kranige oma Elvira over sudoku en Boggle en ‘Hoe graaf ik een wintergraf?’.

De roman heeft de vorm van een lange brief aan Swivs vader, waarin het meisje alles opschrijft wat ze hoort en ziet, maar lang niet altijd begrijpt – vaak met komisch of schrijnend effect. Ze snapt niet waarom iedereen haar moeder ‘een sterke vrouw’ noemt en stelt zich voor dat Elvira’s hart na haar operatie op het nachtkastje ligt. Seks vindt ze vies en het mennonitische Plautdietsch van haar oma noemt ze een ‘geheimtaal’. En ze is héél bang om alleen achter te blijven.

De Canadese auteur Miriam Toews (1959) werd geboren in Steinbach, nabij Winnipeg. Haar ouders behoorden tot de Kleine Gemeinde, een uit Rusland geëmigreerde groep mennonieten die onderling Plautdietsch spreekt (de mennonitische variant van het Nederduits). Toews verliet de gemeenschap om journalistiek en film te studeren in Manitoba en Halifax. Zij debuteerde in 1996 met de roman Summer of My Amazing Luck en brak door met A Complicated Kindness (2004), over een rebelse tiener in een mennonitische gemeenschap. Haar werk is vele malen bekroond, onder meer met de Governor General’s Award of Fiction voor Niemand zoals ik. De verfilming van Wat ze zeiden (Women Talking, door Sarah Polley) kreeg dit jaar de Oscar voor het best bewerkte scenario.

‘Goede naam voor een personage, toch? De Elvira in het boek is bijna identiek aan de echte Elvira. Hoe ze praat, haar wilde ideeën en gekke acties – daar is weinig aan verzonnen.

‘We wonen hier in Toronto met vier generaties bij elkaar: mijn partner en ik in het tuinhuis, mijn moeder op de begane grond en mijn dochter met haar gezin daarboven. Elvira is nu 88 en het zou best kunnen dat mijn kleinkinderen straks nauwelijks herinneringen aan haar hebben. Ik wilde graag over haar schrijven en ik dacht: ach, dan noem ik het personage ook Elvira.’

‘Geen enkel probleem. Ze is een van mijn eerste lezers en mijn grootste fan. Ze leest bijna alleen maar thrillers en detectives, maar voor mijn boeken maakt ze een uitzondering.’

‘Zij is vertrokken toen ze 65 was. Na de dood van mijn zus is mijn moeder naar Toronto verhuisd en daar heeft ze meteen een nieuwe mennonitische kerk gezocht, eentje die veel liberaler en toleranter is dan ze gewend was. Ze kon daar zelfs meteen ouderling worden, heel ongewoon voor mennonitische vrouwen.’

‘Natuurlijk. Zo dacht ik er zelf over. Maar mijn moeder heeft nooit afscheid willen nemen van de kerk en de gemeenschap waar ze ruim zestig jaar bij heeft gehoord, ook al heeft ze wel afstand genomen van het conservatieve denken.

‘Zelf ga ik niet meer naar een mennonitische kerk. Maar nu ik ouder word, merk ik wel dat ik milder word over de gemeenschap. De onderdrukking van vrouwen, het huiselijke geweld: dat zijn grote problemen. Maar er zijn ook mooie dingen aan het mennonitische leven, dingen die ik mis: het zingen, de droge mennonitische humor, het eten, de prairies, het gevoel van verbondenheid – we zijn allemaal familie.’

‘Dat weet ik niet… Daar probeer ik, zelfs op mijn leeftijd, nog steeds achter te komen. Misschien komen we er nooit echt achter wie we zijn en kunnen we onszelf alleen definiëren in relatie tot anderen. En dat is dan wie we zijn.

‘Dat is een mennonitische manier van denken, trouwens. Je leeft in een gemeenschap en dat bepaalt wie je bent. Maar het geldt net zo goed voor mijn werk: ik kan mezelf alleen als schrijver zien in relatie tot mijn lezer. Het is ook gewoon iets waar mensen altijd mee worstelen. We proberen erachter te komen wie we zijn, dat lukt ons niet en dan gaan we dood. En dan mag de volgende generatie het proberen.’ (Lacht)

‘Wat ik schrijf, komt voort uit wat mij bezighoudt, en dat blijken steeds weer dezelfde thema’s te zijn: mijn mennonitische achtergrond, zelfdoding, verlies, psychische problemen. Ik kan het ook niet helpen. Het zijn mijn leven, mijn gevoelens en gedachten die ik toeken aan mijn personages.

‘Ik geloof dat er bij het schrijven, zelfs bij het schrijven van fictie, heel weinig afstand is tussen de schrijver en zijn materiaal. Althans, in de fictie die ik schrijf en die ik zelf graag lees. Ik denk dat elke schrijver wel iets van zijn eigen leven in zijn boeken stopt, zelfs bij thrillers of detectives. Het is onmogelijk dat niet te doen.’

‘Wat toevallig: ik lees nooit recensies, maar juist deze zinnen heeft iemand me voorgelezen omdat ze zo opmerkelijk zijn. Ik weet niet of ik het ermee eens ben. Er staat dat ik me niet om de lezer bekommer, en dat is gewoon niet waar. Ik probeer iets te schrijven dat weerklank vindt bij de lezer, ik wil dat mensen zich met mijn werk verbonden voelen. Daarom zijn het romans en geen dagboekaantekeningen. Ik geloof dat ik begrijp wat de recensent bedoelt, maar ik vind het ongelukkig geformuleerd.’

‘Ik heb altijd geschreven en ik zal altijd schrijven. Het is nu eenmaal wat ik moet doen, waar ik me goed bij voel. Maar ik gebruik het natuurlijk ook om bepaalde dingen voor mezelf op een rijtje te zetten, om mijn leven te begrijpen.’

‘Nee. Ik werk nu aan een non-fictieboek, maar dat is ook geen traditionele memoir, eerder een soort essay. Het is bijna af, maar ik weet nog steeds niet precies waar het over gaat. Ja, over meerdere generaties vrouwen en over zelfdoding en over schrijven. Zoals altijd, haha. Waar het écht over gaat, kan ik meestal achteraf pas zeggen.

‘Mijn volgende boek wordt in elk geval weer een roman. Ik hou van de vrijheid die fictie me geeft: de vrijheid om personages te verzinnen en verhaallijnen te bedenken.’

‘Dat was de grootste uitdaging, om de stem van Swiv goed te krijgen. Ik had al vaker geprobeerd om vanuit het perspectief van een kind te schrijven, maar het was me nooit gelukt.

‘Toen ik eenmaal had bedacht dat de roman een brief van Swiv aan haar vader zou worden, lukte het ineens wel. Een brief is zo intiem, zo eerlijk en direct; het komt niet in je op dat iemand anders hem gaat lezen. Die vorm gaf me zo’n gevoel van vrijheid, en toen had ik ineens de toon van een 9-jarige te pakken, ook door te denken aan hoe ik zelf op die leeftijd was.

‘9 jaar is de leeftijd waarop kinderen zich volgens mij voor het eerst wat meer bewust worden van hun omgeving: wie ben ik en wat is mijn plaats in de wereld? Voor mij was het de leeftijd waarop ik voor het eerst besefte dat mijn jeugd niet helemaal doorsnee was. Dat geldt ook voor Swiv, op een andere manier: haar vader is uit haar leven verdwenen en ze begrijpt niet waarom. Haar moeder heeft weinig aandacht voor haar. Die brief is Swivs manier om hen toch bij zich te houden.’

‘Elvira wil haar leven nooit meer laten beheersen door de kerk of de ouderlingen of wie dan ook. Ze heeft hard gevochten voor haar vrijheid en wil haar kleindochter weerbaar maken. Ze wil haar ervan doordringen dat vrijheid geen gegeven is voor vrouwen – in conservatieve mennonitische kolonies, maar natuurlijk ook daarbuiten.

‘Tegelijkertijd laat Elvira zien dat het soms beter is om níét te vechten. Het is onmogelijk om vijfhonderd jaar onderdrukking in een gesloten, fundamentalistische gemeenschap van binnenuit te bestrijden. Bij de minste vorm van rebellie word je geëxcommuniceerd. Dan kun je beter vertrekken en het gevecht op een andere manier, van buitenaf, voortzetten.’

‘Ja, zoals er overal ter wereld nog autoritaire mannen aan de macht zijn. Mannen die vinden dat ze mogen bepalen hoe anderen – niet alleen vrouwen – moeten leven en denken. En het lijkt de laatste jaren alleen maar erger te worden. In de VS zie je dat heel duidelijk: kijk naar de regering, de Senaat, het Hooggerechtshof.

‘Wat kunnen we daartegen doen? We kunnen samenkomen en protesteren en lobbyen en stemmen op mensen die iets aan de situatie kunnen veranderen. Het is een continu gevecht.’

‘Ja, dat is de andere manier om dit soort hypocrisie te bestrijden. Braun lijkt geen invloed meer te hebben op Elvira en haar familie, maar dat heeft hij natuurlijk wel. Hij jaagt ze nog steeds angst aan met telefoontjes over hel en verdoemenis, met zijn heilige missie om hen op ‘het rechte pad’ te brengen. Daar kun je misschien maar het beste om lachen.

‘Ik maak het zelf al mijn hele volwassen leven mee: dat ooms en neven uit de gemeenschap mij opbellen om mijn levensstijl af te keuren, mijn moraal in twijfel te trekken, te zeggen dat ik naar de hel ga. Ik probeer erom te lachen, maar het raakt me altijd weer.’

‘Dat denk ik wel. Er zijn veel mennonieten die mij haten, die niet snappen waarom ik zo kritisch over hen schrijf, al denk ik niet dat ze mijn boeken echt lezen. Ze zien zichzelf als fatsoenlijke, hardwerkende, godvrezende christenen. Dat is misschien waar, maar er is ook veel mis in die gemeenschappen. Daar schrijf ik over, zonder dat ik de mennonieten als zodanig afkeur.’

‘Ja en nee, van sommige verhalen worden ze ook heel boos. Het is zo’n groot contrast met hun eigen jeugd; ze kunnen er zich weinig bij voorstellen dat ik écht zo ben opgegroeid, ook al zijn ze weleens in mijn dorp geweest. Gelukkig zal niemand hen ooit opbellen om te zeggen dat ze naar de hel gaan.’

Miriam Toews brengt komende week een bezoek aan Nederland en België. Op 28 november is zij te gast bij het John Adams Institute in Amsterdam om te spreken over Nachtgevechten en de verfilmingen van haar werk. Op 29 november bezoekt zij de ILFU Boekenclub in Utrecht, op 30 november is ze in Vlissingen voor Film By the Sea en op 1 december in Brussel bij literatuurhuis Passa Porta.

Miriam Toews: Nachtgevechten. Uit het Engels vertaald door Ineke van den Elskamp. Cossee; 240 pagina’s; € 22,99.

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next