‘Callas kreeg ooit een tip van een dirigent, hoe ze de sterfscène van Violetta in La traviata zonder kraakjes uit kon zingen. Daar moest ze niets van weten. Ja, als je doodgaat, zing je toch niet perfect?’
Aan het woord is Henk Neven, bariton en hoofdvakdocent van het conservatorium Codarts Rotterdam. We zitten in een van de leslokalen, waar Neven zijn collega’s en vijf zangstudenten heeft opgetrommeld om te praten over sopraan Maria Callas. De aanleiding: op 2 december is het honderd jaar geleden dat de Grieks-Amerikaanse werd geboren.
Dat wordt gevierd: bijvoorbeeld met een vertoning in bioscopen van een opgenomen concert uit 1958. Het orkest Phion toert met zangeressen Elenora Hu en Francis van Broekhuizen door Nederland met een aan Callas gewijd programma. Een biopic met Angelina Jolie als Callas is in de maak. En in Athene is onlangs het Maria Callas Museum geopend.
Over de auteurs
Jenny Camilleri schrijft sinds 2020 voor de Volkskrant over opera.
Maartje Stokkers schrijft sinds 2019 voor de Volkskrant over klassieke muziek. Daarvoor was ze jarenlang als presentator verbonden aan Radio 4.
Niemand die van opera houdt kan om haar heen. Callas, de beroemdste operadiva aller tijden, is het monstre sacré van het vak, de zangeres wier legendarische optredens haar de bijnaam La Divina, de goddelijke, opleverden. Hoe kijken zangers en andere kenners van nu tegen haar aan? Zijn haar uitvoeringen nog steeds maatgevend? Kunnen jonge zangers nog van haar leren, of is haar stijl – hoe bijzonder ook – toch gedateerd?
‘Toen ik net begon met zingen, leende ik mijn eerste opera-cd bij de bieb’, vertelt Neven. ‘Het was een opname met Callas. Maar ik vond haar stem eigenlijk niet echt mooi. Later hoorde ik de precisie en bezieling. Haar stem mengt zich met het orkest, alsof zijzelf een instrument is.’
Collega-docent en tenor Marcel Reijans vult aan: ‘Ze zette een standaard. Nog altijd, vooral voor sopranen, is de vraag: hoe deed Callas dit?’
In een tijd waarin operazangers nauwelijks in de krantenkoppen staan, is het moeilijk voor te stellen hoe beroemd Callas was. Op het hoogtepunt van haar roem zweepte ze fans aan beide kanten van de Atlantische Oceaan op tot hevige opwinding. De pers volgde haar successen op de voet en smulde van haar ruzies met operabazen en vermeende rivaliteiten met collega’s. In de glossy’s was ze een mode-icoon.
Haar dood in 1977, op 53-jarige leeftijd, bevestigde haar imago als de belichaming van de artiest die alles opoffert voor haar kunst, de diva die duizend doden sterft op het podium, waarvan geen enkele tragischer is dan haar eigen einde.
Bij het horen van het eerste muziekfragment – Callas’ eerste studio-opname uit 1952, Suicidio! uit La Gioconda van Ponchielli – slaken de studenten bewonderende zuchten: ‘waanzinnig mooi’, ‘zo expressief’. Maar ook klinkt er: ‘goede borststem’ en ‘gedurfde keuzes’. Wat bedoelen ze daarmee?
Pien Smeets, tweedejaars masterstudent: ‘Ze kiest noten die ze een extra muzikale en emotionele laag wil geven. Ze switcht daarvoor tussen lage borststem en hoge kopstem.’
Met de borststem maak je lage tonen (het is ook de neutrale stand van je strottenhoofd: je spreekstem) die resoneren in de borst. Om hoge noten te zingen, wordt het strottenhoofd ‘opgetild’: de stembanden zijn langer en resoneren de tonen in het hoofd.
‘Zo geeft ze iedere noot betekenis’, zegt Smeets. ‘Tussen de noten zit er bij haar ook altijd een verhaal.’
Callas had een groot bereik, ook aan de onderkant van haar stem en een fenomenale ademcontrole, zegt Reijans. Ze hechtte belang aan een goedgetrainde, krachtige borststem, die juist ook nodig is om hoge noten goed te zingen.
Is dat hoorbaar schakelen tussen borststem en kopstem, wat Callas doet, dan uit de mode geraakt? Reijans: ‘Nou, de stijl is wel veranderd. Onze huidige esthetiek is een gebalanceerde stem, zodat je die overgang juist niet hoort.’
Neven: ‘Hoewel Callas een vrouw was, had ze een grote adamsappel. Dit betekent dat ze een groot strottenhoofd had, dus laagte in haar stem, ook als ze sprak. Haar keel was open, haar tong was ontspannen, dus haar geluid was helder en niet geknepen, zowel tijdens het zingen als tijdens het spreken. Om dit te oefenen heeft ze tijdens haar studie dan ook vier jaar lang alleen maar gevocaliseerd.’
Vocaliseren? Dat is het zingen op klinkers, om met open keel (dus ontspannen tongbasis) een mooie klank te leren maken en zo je bereik te vergroten. Reijans: ‘In haar beginjaren vermengde Callas haar klinkers (waarbij o’s klinken als a’s, red.). Daar moest ik wel aan wennen. Later werd dat beter.’
Neven: ‘Callas was een perfectionist. Ze had hele dagen zangles.’
Pien Smeets: ‘Wij maar een uur per week.’ Het curriculum is totaal veranderd: anno 2023 hebben studenten klassieke zang naast de zangles onder meer les in ensemble en duo zingen, acteren, talen en ondernemen.
Charlotte Riedijk, sopraan en de derde hoofdvakdocent: ‘We hebben het nu steeds over haar techniek, maar zij staat daar ver boven.’
De mening is eensluidend: Callas raakt diep. Neven: ‘Wanneer zij zingt, voel je dat in je eigen lichaam, ook als je geen zanger bent.’
Callas was zonder meer toegewijd aan haar kunst, een perfectionist met een ijzeren zelfdiscipline die – anders dan de grote diva’s van nu – zelden een voorstelling afzegde. Haar muzikaliteit was aangeboren, maar de veeleisende belcantotechniek leerde ze door keihard te studeren. Belcanto (letterlijk: ‘mooie zang’) is een virtuoze zangstijl die hoogtij vierde in de 19de eeuw, maar begin vorige eeuw langzamerhand uit de mode was geraakt. Callas maakte daarmee furore in de opera’s van Rossini, Donizetti, Bellini en Verdi en werd een sleutelfiguur in de belcanto-herleving.
Op het toneel was Callas een biologerende verschijning. Ooggetuigen schrijven dat ze bewoog als een panter en dat haar grote gelaatstrekken gemaakt leken voor het theater. Haar rollen benaderde ze eerder instinctief dan intellectueel. ‘Maria heeft timing in haar bloed’, zei Luchino Visconti, die haar regisseerde tijdens haar triomfjaren in het gerenommeerde operahuis La Scala in Milaan.
Maria Anna Sofia Cecilia Kalogeropoulos werd op 2 december 1923 geboren in New York als dochter van Griekse immigranten. Voor het gemak veranderde haar vader George hun achternaam in Callas. Maria, een mollig, bijziend kind met een dik brilmontuur, werd ongunstig vergeleken met haar mooie zus Jackie. ‘Ik was het lelijke eendje, dik en onhandig en niet populair.’
Toen ze muzikaal begaafd bleek te zijn, werd de ambitie van haar moeder Evangelia aangewakkerd, tot ongenoegen van haar man. Uiteindelijk nam Evangelia haar dochters mee naar Griekenland. Op het conservatorium van Athene zong de 15-jarige Callas haar eerste operarol in een studentenuitvoering van Cavalleria rusticana. De kneepjes van het vak leerde ze van haar zangdocent en mentor Elvira de Hidalgo.
Na de Tweede Wereldoorlog kreeg Callas, via een reeks audities in de Verenigde Staten, de titelrol in La Gioconda in de Arena van Verona. De dirigent, Tullio Serafin, nam haar onder zijn hoede en zorgde voor haar doorbraak in Italië. Ondertussen had ze Giovanni Battista Meneghini ontmoet, een 28 jaar oudere, rijke zakenman die haar echtgenoot en agent zou worden.
Niet iedereen was fan, en sowieso zijn een mooie stem hebben en mooi zingen – en daarmee het publiek ontroeren – twee heel verschillende dingen. Volgens critici had Callas niet het mooiste, gelijkmatigste instrument. Haar topnoten konden flink wapperen, en haar midden- en lage tonen klonken soms versluierd. Waar iedereen het over eens was: ze had kracht, volume en een enorme dramatische zeggingskracht.
Aanvankelijk zong Callas veel zwaar repertoire, inclusief Wagner. Tot dirigent Serafin haar overtuigde om een zieke collega te vervangen in Bellini’s I puritani. Daarmee boekte ze in Venetië een groot succes. Wie was deze sopraan, die zowel Wagners gepantserde Walkure als Bellini’s hoogvliegende coloratuurkanarie kon zingen? Heel Italië had het erover.
Met deze buitengewone prestatie had Callas de soprano sfogato nieuw leven ingeblazen, een stemtype uit de 19de eeuw met de klankkleur van een mezzosopraan of een alt en de torenhoge noten en soepelheid van een lichte sopraan. In de 20ste eeuw was er een strikte indeling van stemtypen ontstaan, van licht tot dramatisch, maar hokjes golden niet voor Callas. Ze kon zowel sprankelen in een komisch werk zoals Rossini’s Il barbiere di Siviglia als ontroeren in Puccini’s Madama Butterfly.
In de jaren vijftig veroverde Callas de wereld. Ze haalde zelfs de omslag van Time Magazine. Maar naast veel lof kreeg ze ook felle kritiek. Bijvoorbeeld toen ze een voorstelling van Norma in Rome afkapte vanwege een zware verkoudheid. Hoe durfde ze weg te lopen in de aanwezigheid van de Italiaanse president?
Inmiddels had ze door een streng dieet te volgen haar stevige postuur getransformeerd in een slank silhouet. Ook om artistieke redenen: voor de rol van kindermoordenaar Medea wilde ze scherpere gezichtscontouren.
Amsterdam kreeg ze aan haar voeten tijdens het Holland Festival in 1959. In het Concertgebouw werd er volgens de Leeuwarder Courant ‘geschreeuwd, gestampt, op stoelleuningen geslagen, hier en daar gehuild’.
Vlak daarna begon haar stem geleidelijk te krimpen. Niet, zoals vaak wordt beweerd, door haar gewichtsverlies, maar vermoedelijk door haar kwakkelende gezondheid, en doordat ze haar stem nooit had gespaard. Nadat ze haar man had verlaten voor scheepsmagnaat Aristoteles Onassis ging ze steeds minder zingen. Toen Onassis in 1968 trouwde met Jackie Kennedy was Callas’ carrière al een paar jaar voorbij.
Callas trad weer op in Amsterdam in 1973, tijdens een treurigstemmende tournee met de tenor Giuseppe Di Stefano die bedoeld was als een comeback. Haar stem was verwoest. Vier jaar later stierf ze aan een hartaanval. Maar de mythe bleek onsterfelijk. Nog steeds worden haar opnamen regelmatig opgepoetst en heruitgebracht, en de catalogus van boeken, films en documentaires over Maria Callas wordt elk jaar groter.
Of haar opnamen nu nog maatgevend zijn: daarop is het antwoord waarschijnlijk ‘nee’. Maar dat mensen nog steeds van haar leren, is duidelijk. Ook Damià Carbonell Nicolau, hoofd artistieke zaken bij De Nationale Opera, prijst Callas nog altijd aan.
‘Ze was meer dan een fantastische zangeres, ze was een geweldige vertolker’, zegt de Spanjaard. ‘Haar indrukwekkende opnamen zijn een maatstaf voor veel rollen. Haar Norma en haar Lucia di Lammermoor behoren tot de top, evenals haar Verdi-rollen. Ik raad zangers aan om te luisteren hoe ze haar stem genuanceerd kleurt, hoe ze ademt. Tijdens liveoptredens zette ze soms de techniek aan de kant en nam ze veel risico’s met haar stem.’
En als de stemming in het klaslokaal representatief is voor die onder zangers, is Callas de bijnaam La Divina nog steeds meer dan waard.
Pien Smeets: ‘Alles wat Callas deed, was kunst. Ook met haar gezicht. Een zangeres boog ooit toen het publiek klapte voor haar aria, in het midden van een akte. Callas was woest dat die zangeres uit haar personage stapte. Haar bewegingen waren altijd klein, maar betekenisvol. Het was zo expressief dat je helemaal niet hoeft te weten waar het over gaat. Je begrijpt het toch wel, je voelt die ellende.’
Constandina Christodoulou, tweedejaars bachelorstudent: ‘Je vraagt je bij Callas af wat er nou allemaal met haar is gebeurd. Zingen moet wel haar uitlaatklep zijn geweest. Voor haar was het de enige manier om te overleven. Ze had het niet anders gekund.’
Smeets: ‘Dus wij moeten ook onze ‘pijn’ mee het podium op nemen.’
Wanneer Vissi d’arte uit Tosca van Puccini klinkt, is iedereen stil. Neven zegt zacht: ‘De manier waarop ze een climax opbouwt is zó knap. Ze houdt in, houdt nog even in, en dán geeft ze gas. Perfectie. Callas is compromisloos.’
Wat bedoelt hij daarmee? Neven: ‘Ze heeft zo helder voor ogen wat ze wil met de muziek. Er is geen twijfel bij haar. Ze zingt niet vanuit verwachtingen van dirigent, publiek of Instagram. Alles draait om de muziek en niet om haar persoon.’
Waarom is het voor veel zangers van nu dan lastig om duidelijk te maken wat zij willen? Wat is Callas’ geheim?
Charlotte Riedijk: ‘Zij was onbeschaamd. Wij twijfelen te veel.’
Iedereen heeft zijn worstelingen in het leven: neem die mee het podium op, studeer keihard en je bent de volgende Callas?
Robin Jacobs, eerstejaars bachelorstudent: ‘In die tijd kon je je totaal wijden aan je stem. Nu moeten we veel meer leren en kunnen in veel kortere tijd.’
Pien Smeets: ‘Je ziet op de sociale media zo veel andere mensen, dat is demotiverend en ook nog eens afleidend. Maar je moet wel een website hebben en je Instagram onderhouden.’
Marcel Reijans: ‘Vroeger had je alleen je leraar als klankbord en voorbeeld. Er waren geen opnamen om inspiratie op te doen. Alles is ook zo perfect op cd. Iedereen wordt steeds banger en gestresster om te zingen op podia. Dat moet stoppen.’
Riedijk: ‘Door al die perfecte opnamen is er een eenheidsworst ontstaan. Ik zou liever zien dat studenten een individueel geluid ontwikkelen, in plaats van dat iedereen zowat hetzelfde probeert te klinken.’
Callas – Paris, 1958, een in kleur gerestaureerde registratie van het debuut van Maria Callas in de Parijse Opéra, is van 25/11 t/m 9/12 te zien in verschillende bioscopen.
Francis van Broekhuizen en Phion reizen t/m 10/12 door het land met de muziektheatervoorstelling Maria Callas 100 jaar – een leven in aria’s.
Haar moeder, haar zus, haar echtgenoot en vele anderen tekenden het levensverhaal van Maria Callas op. Het volledigste portret van Callas als artiest is nog steeds Callas: The Art and the Life & The Great Years van John Ardoin en Gerald Fitzgerald, in feite twee boeken in één. Voor wie meer geïnteresseerd is in haar privéleven, is Maria Callas: The Woman behind the Legend van Arianna Stassinopoulos Huffington een aanrader.
Waar moeten we beginnen als we Maria Callas willen leren kennen? Drie kenners over hun favoriete opname.
Hein van Eekert, presentator van NTR Opera Live:
‘Ik kies voor de laatste twintig minuten van Donizetti’s Anna Bolena uit de cd Mad Scenes. Je hoort hierin haar kwetsbaarheid, haar verdriet, maar ook die enorme woede. Het is zo fel en tegelijkertijd zo in het ritme, helemaal volgens de partituur gezongen. Dus dat is wat het zo mooi maakt. Het is een diversiteit aan emoties, die ze allemaal neerzet op een heel muzikale manier. Er wordt niet gepraat of geschreeuwd, het is allemaal gezongen.’
Damià Carbonell Nicolau, hoofd artistieke zaken bij De Nationale Opera:
‘De finale van Bellini’s Norma, vanaf Deh! non volerli vittime, op de twee studio-opnamen onder leiding van Tullio Serafin uit 1954 en 1960. Op de eerste opname is haar stem frisser en misschien wel mooier. Aan de tweede opname hoor je hoe Callas zich heeft ontwikkeld. Er is meer druk op de stem, maar ook meer emotie en intensiteit. Op deze twee opnamen kun je de evolutie van haar carrière en haar leven horen.’
Nicolas Mansfield, voormalig directeur van de Nederlandse Reisopera:
‘De aria L’altra notte in fondo al mare uit Boito’s Mefistofele, een opname uit 1954 onder Tullio Serafin. Ik heb het gekozen omdat het bitterzoet is; dat was zij natuurlijk ook. Je hoort de souplesse in haar stem van hoog tot laag. Heel eerlijk gezongen, en dat vind ik wel heel belangrijk.
‘Objectief vind ik Callas fantastisch, maar subjectief staat ze bij mij niet op nummer 1. Zij raakt mij niet echt. Zij was natuurlijk een heel kwetsbaar mens, en dat hoor je in haar stem. De manier waarop ze haar stem gebruikt, van buiten naar binnen, trekt de luisteraar naar haar toe. Het heeft met energie te maken. Veel zangers zingen van binnen naar buiten, maar zij geeft je een kijkje in haar ziel.’
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden