Het vraagt een bepaald slag regisseurs om een epische onderneming naar het scherm te durven brengen. Een waaghals die het hele doek wil inkleuren, met figuranten tot zover het oog reikt. De Britse filmmaker Ridley Scott, die deze maand toch ook alweer 86 wordt, is er zo een. Met Napoleon levert hij – na onder meer Blade Runner (1982), Thelma & Louise (1991) en House of Gucci (2021) – zijn volgende blockbuster af. De hoofdrollen zijn voor Joaquin Phoenix en Vanessa Kirby.
Tussen de groots opgezette veldslagen door – niet uit de computer getoverd, maar gespeeld door figuranten van vlees en bloed, gevangen met acht camera’s – zoomt de regisseur in op de getroebleerde liefdesrelatie tussen Napoleon en zijn eerste vrouw, de zes jaar oudere Marie Josèphe Rose Tascher de la Pagerie, beter bekend als Joséphine Bonaparte.
Terwijl hij in verre oorden oorlog voert, vermaakt zij zich in de Parijse salons met een keur aan minnaars. Hij schrijft haar liefdesbrieven vanaf het front die zij maar zelden beantwoordt, en na een volgende overwinning heeft ze nooit veel zin om te komen kijken naar de parade van de Grande Armée.
In de film drijft dat Joaquin Phoenix tot wanhoop. De wereld ligt aan zijn voeten, maar zijn vrouw is hem de baas. Aardig uitgangspunt voor een biopic. Zo hadden we Napoleon in al die voorafgaande films nog niet eerder bezien.
Over de auteur
Rob van Scheers schrijft voor de Volkskrant over film, non-fictie, thrillers, muziek en graphic novels. Hij publiceerde achttien non-fictietitels, waaronder de biografie van regisseur Paul Verhoeven.
Op weerstand stuitte het idee ook. Met name de Franse pers was over deze insteek niet te spreken. Geen toeval dat dit een werkstuk van een Britse regisseur is, mopperden ze onlangs na de wereldpremière in Parijs, want als het om Napoleon gaat zijn de Engelsen nog altijd de erfvijand.
Kom niet aan Napoleon.
Niettemin blijft hij natuurlijk wel gewoon een multi-interpretabel icoon. Zoveel wordt eens te meer duidelijk als je de kleine keizer op zo’n dertien uur speelfilm voorbij hebt zien komen. Er zijn er meer, Napoleonfilms en mini-series zijn bijna een genre op zich geworden, maar we pikken de belangrijkste voorbeelden er even uit.
Dan hebben we het over: Napoléon, de stomme film van Abel Gance uit 1927 (330 minuten). War and Peace, in 1956 geregisseerd door King Vidor (209 minuten). Waterloo (1970), van de Russische regisseur Sergej Bondartsjoek (134 minuten. En Ridley Scotts Napoleon (157 minuten).
Er is ook nog de gestrande poging van Stanley Kubrick, eind jaren zestig, begin jaren zeventig. Van dit beoogde megaproject Napoleon is wel het complete scenario in boekvorm verschenen bij Taschen, zodat je het alsnog kunt raadplegen – Steven Spielberg heeft al meermalen aangegeven er een zevendelige serie voor HBO van te willen maken. Nog even kijken wat ervan komt.
Twee conclusies kun je trekken na zo’n Napoleonmarathon thuis. 1)De betreffende regisseur haalt werkelijk alles uit de kast om het verhaal zo spectaculair mogelijk te vertellen; 2) Maar bij iedere nieuwe film brokkelt de mythe van de onoverwinnelijke veldheer weer iets verder af.
In 2016 verscheen bij het British Film Institute een digitaal volledig gerestaureerde versie in een fraaie, vierdelige dvd-box van Napoléon uit 1927. Zo kun je nog eens bestuderen hoe in deze voor zijn tijd hoogst vernieuwende zwart-witfilm – vol camerarijders, extreme close-ups, overvloeiers, parallelmontages, kleurgebruik zelfs, en talloze figuranten – de mythe door de Fransman Abel Gance zorgvuldig wordt opgebouwd.
Wij wisten het niet, maar het blijkt dat hij als schooljongen al buitengewoon slim was en strategisch kon denken. Napoleon zit op de militaire academie in Brienne-le-Château en er is een sneeuwballengevecht gaande tussen de kleinste en veel grotere jongens. Dan verzint Napoleon een list. Achter een sneeuwwand zet hij zijn klassieke steek op een bezemsteel en beweegt die net zichtbaar voor de tegenpartij naar links, terwijl hij zijn ‘troepen’ bevel geeft om de oudere jongens rechtsom in de rug aan te vallen. Die zijn verbijsterd. 1-0 voor Napoleon.
Ook goed: tekstkaartjes tussendoor benadrukken telkens: ‘historisch feit.’ Voor als we het met een korreltje zout zouden nemen.
De volwassen Napoleon wordt gespeeld door Albert Dieudonné (1889-1976), die er met zijn getoupeerde piekhaar een beetje uitziet alsof hij uit een teenybopperband is weggelopen, of de zanger van The Sweet was. Later trekt dat bij, en dan wordt Napoleon de heldhaftige krijger zoals we hem van de vele schilderijen kennen.
Inmiddels is de Corsicaan dan opgeklommen tot kapitein in het Franse leger en zet hij het beleg van Toulouse – de havenstad die wordt bezet door Britse, Spaanse en Italiaanse troepen – in 1793 volledig naar zijn hand.
Een ster is geboren. Hij wordt gepromoveerd tot generaal en na zijn Italiaanse campagne in 1796 tuurt Napoleon aan het slot van de film naar de Italiaanse Alpen. Hij heeft visoenen over het exporteren van de Franse revolutie – geen feodale samenleving meer, de macht aan de burgers – naar de rest van Europa, tot in het verre Rusland aan toe.
Dit is de Napoleon zoals de Fransen hem graag hebben.
In deze Tolstoj-verfilming – met een topcast die loopt van Audrey Hepburn tot aan Henry Fonda – is Napoleon juist het absolute kwaad. Dat zie je direct al als bij aanvang een kaart van Europa wordt getoond waar een slagschaduw overheen trekt: het leger van Napoleon. Moedertje Rusland wordt bedreigd.
Het eerste halfuur komt hij niet in beeld, maar Napoleons aanwezigheid is bij de adellijke familie Rostov al voelbaar. Grote paniek breekt uit als de generaal, ondanks een wapenstilstand, in juni 1812 de rivier de Memel oversteekt en met 466 duizend soldaten optrekt naar Moskou.
Napoleon wordt hier gespeeld door de Tsjechisch-Britse acteur Herbert Lom. Hij geeft hem op zijn witte hengst een behoorlijke vleug megalomanie mee. Zo is Napoleon verbijsterd als het Kremlin verlaten blijkt en er niemand is om de overgave te tekenen. Driftig beent hij heen en weer, en foetert: ‘Dit is een belediging! Gaat tegen alle oorlogsregels in! Waar is tsaar Alexander?’
Dan kijkt hij uit het raam, en ziet een rode gloed aan de horizon. Als onderdeel van hun tactiek van de verschroeide aarde hebben de Russen zelf Moskou in brand gestoken, zodat er voor Napoleon niets meer te halen valt.
Op 20 oktober besluit hij tot de terugtocht, maar hij heeft buiten de vroeg ingevallen winter gerekend. Het landschap verandert in een modderpoel, en als de flink uitgedunde Grande Armée de Berezina wil oversteken slaan het Russische leger en de kozakken toe.
In omvangrijke massascènes schetst de Texaanse regisseur King Vidor de ontreddering van de Fransen die in volle paniek over de inderhaast door Nederlandse pontonniers uitgerolde noodbruggen van 87 meter lengte en 4 meter breedte proberen te vluchten. Grimmige toestanden en Napoleon beseft: dit is de ommekeer in mijn militaire carrière.
Over megalomaan gesproken: Stanley Kubrick had alvast een deal gemaakt met het Roemeense leger, dat hem voor de veldslagen veertigduizend infanteristen en tienduizend ruiters ter beschikking zou stellen. Daar kon Kubrick wel wat mee, ja.
Voor de hoofdrollen had hij Jack Nicholson en Audrey Hepburn op het oog, en het was de bedoeling om de 51 levensjaren van Napoleon in zijn geheel te verfilmen, zo lezen we in het postuum gepubliceerde scenario. Daarin staan ook foto’s van de beoogde locaties, alsmede het enorme kaartenbaksysteem waarmee de regisseur alle informatie chronologisch ordende. Minutieuze research, Kubrick zo eigen, maar hoe hij hem psychologisch wilde inkleuren wordt uit deze eerste scenarioversie niet helemaal duidelijk. Helaas deed koudwatervrees bij de financiers het hele project uiteindelijk kapseizen. Sindsdien geldt het als ‘de beste film nooit gemaakt’.
Als je met Kubricks Spartacus (1960) bekend bent, begrijp je die stelling wel. De confrontatie in het open veld tussen Spartacus en zijn aanhangers en het Romeinse leger dat zich opstelt in testudo’s, oftewel schildpadformaties, bevatte duizenden figuranten uit het Spaanse leger. Er bestaan foto’s van die set, en hoog gezeten op een toren regisseert Kubrick al die manschappen met militaire precisie. Een hoogtepunt uit het epische genre.
Helemaal tevergeefs was Kubricks studie van Napoleon toch ook weer niet. Veel van zijn vergaarde kennis benutte hij in zijn historische drama Barry Lyndon (1975), dat circa vijftien jaar voor de opkomst van Napoleon speelt.
Een van de redenen dat Kubrick uiteindelijk geen groen licht kreeg was de tegenvallende opbrengst aan de bioscoopkassa’s van Waterloo, die er zomaar tussendoor kwam. Producer Dino De Laurentiis, die eerder al War and Peace had gedaan met King Vidor, kwam voor de regie uit bij Sergej Bondartsjoek. Die had indruk gemaakt met zijn zeven uur durende Russische versie van Oorlog en Vrede, en hij had bovendien goede contacten om iets van twintigduizend figuranten uit het Sovjet-leger te kunnen rekruteren.
In Waterloo is Napoleon inmiddels verworden tot een soort Tony Soprano. Vadsig, zweterig, kalend ook. Een keizer op zijn retour. Heel goed gespeeld door Rod Steiger, die het in de allesbeslissende slag van 18 juni 1815 moet opnemen tegen de niet hinderlijk arrogante Christopher Plummer als de utterly Britse veldheer de Duke of Wellington.
Napoleon, in zijn gebruikelijke overmoed: ‘We steken de rivier over. Dan drogen we morgen onze laarzen in Brussel.’
Zijn generaal Michel Ney: ‘Als God het wil, sire.’
Napoleon: ‘God? God heeft hier niets mee vandoen.’
God, dat was Napoleon zelf in het diepst van zijn gedachten, zegt de film hier.
De in Oekraïne gedraaide gevechtsscènes zijn heel dynamisch, zo met de handgevoerde camera. Misschien nog wel beter is de spanningsopbouw in de avond voor de slag, als we zowel een piekerende Napoleon als Wellington in zichzelf horen lispelen, nerveus over wat straks komen gaat. Het regent en het regent maar. Dat zal de manoeuvres niet ten goede komen, zo weten ze allebei.
Napoleon gokt, en verliest. Na de smadelijke nederlaag vlucht hij weg met een koetsje, de tranen rollen over zijn wangen. Een huilende Napoleon, dat vonden de Fransen vast ook niet zo leuk.
Zo heeft de filmgeschiedenis ons al heel wat Napoleons geschonken, van zeer divers pluimage bovendien. Blijft over de vraag: waarom zou je, zoals Ridley Scott nu doet, na zoveel Napoleonfilms er nog eentje maken?
Het antwoord is eenvoudig: de kick.
Voor is dit slag regisseurs is de ambitie om iets groots en meeslepends te maken de voornaamste reden waarom ze ooit bij de film zijn gegaan. Hele werelden scheppen, dan zijn ze in hun element. Denk aan Kubrick hoog op die toren, terwijl hij als een veldheer zijn manschappen dirigeert. Of aan David Lean: die wilde niet meer weg uit de woestijn van Jordanië omdat hij daar tijdens de opnames van Lawrence of Arabia zo zielsgelukkig was. Dat is wat ze doen, de filmers met een voorliefde voor het epische genre. En als het goed uitpakt doen wij als kijkers er ons voordeel mee.
Geestig is in dit verband wel het verhaal van een nog piepjonge Paul Verhoeven die zich in 1960 aanmeldde bij de zojuist opgerichte filmacademie in Amsterdam. Daar vond de leiding hem nogal een rare snuiter. Hij vertelde enthousiast dat hij grootschalige films wilde maken, over Alexander de Grote, of de kruistochten, de Trojaanse Oorlog, of toch tenminste zijn eigen Ben-Hur. Vol ongeloof werd hij aangekeken, en na een jaartje stapte Verhoeven (‘Ik had niet het gevoel dat ik daar iets leerde’) alweer op. Later zou hij revanche nemen met omvangrijke producties als Soldaat van Oranje, Total Recall, Starship Troopers en Benedetta.
Of vraag het na bij Luke Scott (1968), de middelste zoon van Ridley Scott. Bij meerdere films van zijn vader was hij regieassistent. In een profiel over Ridley zegt Luke in The New Yorker: ‘In iedere film van mijn vader is er altijd een personage waarmee hij zich in hoge mate identificeert. Dat zijn doorgaans de personages in de periferie, de observanten bijna. Ze hebben de zwartere humor, ze zaaien onrust, ze doorzien de verborgen agenda. Denk aan gevechtstrainer Proximo in Gladiator. Maar bij Napoleon is hij... Napoleon.’
De regisseur als veldheer op de set. Met dat idee wordt binnen de filmwereld graag gespeeld. In Waterloo krijgt Napoleon door dat de zaken niet naar wens verlopen, en hij ploft uitgeput neer in een klapstoeltje. Dat zou zomaar eens het klapstoeltje van regisseur Sergej Bondartsjoek kunnen zijn, je ziet ze vaak op een filmset. Op de achterkant staat dan ‘director’ – maar dat blijft hier heel handig net buiten beeld.
1977: The Duellists
1979: Alien
1982: Blade Runner
1985: Legend
1989: Black Rain
1991: Thelma & Louise
1992 1492: Conquest of Paradise
2000: Gladiator
2001: Black Hawk Down
2005: Kingdom of Heaven
2007: American Gangster
2010: Robin Hood
2014: Exodus: Gods and Kings
2015: The Martian
2017: All the Money in the World
2021: House of Gucci
2023: Napoleon
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden