Politiek is een strijd om tijd. In een spel van vertragen en versnellen bepaalt de meester van de klok wat wanneer gebeurt. Rutte blonk hierin uit en geeft een voorbeeld aan degenen die in zijn voetsporen treden.
Het was een frisse verkiezingsavond en ik was een oude nieuwkomer in Den Haag. Wil jij daar eens gaan kijken, had de chef gezegd. Het was op loopafstand van de redactie: bar & grill stond er op de luifel. Wij, de journalisten, moesten vroeg komen en achter een touwtje gaan staan. Daar voor onze neus zou het gebeuren.
Voorlopig gebeurde er niks. Gasten verschenen aan de andere kant van het touwtje, zeg maar het vrije uitloopdeel. Zij konden eten en drinken, wij achter het koordje verdrongen elkaar om de paar krukken die er waren en stonden op een droogje. Dat kwam goed uit, want wilden we naar de wc, dan moest dat onder begeleiding van de beveiliging.
Uren verstreken, we konden kijken naar een katheder, met daaraan drie ballonnen geplakt. Het was feest hier. Achter dat katheder verscheen op zeker moment Geert Wilders. ‘Willen jullie meer of minder Europese Unie?’, begon hij. ‘Minder, minder’, antwoordde de bar & grill. ‘Een misschien nog belangrijker vraag: willen jullie meer of minder PvdA’, zei Wilders nu. ‘Minder, minder’, riep de bar & grill.
Over de auteur:
Ariejan Korteweg is journalist. Hij was van 2013 tot 2022 parlementair verslaggever voor de Volkskrant. Van hem verscheen onlangs het boek Het Haagse moeras. Stilstand en verandering in de Nederlandse politiek.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onderaan dit artikel.
Dan de klap op de vuurpijl: ‘Ik mag het eigenlijk niet zeggen, maar ik zeg niets wat niet mag: willen jullie meer of minder Marokkanen?’ ‘MINDER, MINDER, MINDER’, scandeerde nu de bar & grill. Wilders was tevreden: ‘Dan gaan we dat regelen.’ Uit de zaal klonk vrolijk gelach. Wij, de journalisten achter het touwtje, hoorden het aan en gaven geen krimp, want dat is ons vak. Buiten stonden inmiddels vijf jongeren met een rood spandoek met de tekst: ‘Den Haag tegen racisme.’
Dit alles gebeurde in bar & grill De Tijd, aan het Plein in Den Haag. Daar had je nu eens een plek waar politiek en tijd letterlijk samenvielen. Als ik er langskom, kijk ik altijd of er al een herdenkingsteken is aangebracht: ‘Op 19 maart 2014 vroeg PVV-leider Geert Wilders hier om minder minder minder Marokkanen. Hier werd de grens van het fatsoen nog wat verder opgeschoven.’
Tijd en geld zijn de ordenende beginselen van de politiek. Ze vormen de inzet van al wat gebeurt. Voor het geld heb je allerlei instanties, het Centraal Planbureau, de Algemene Rekenkamer, de Belastingdienst natuurlijk. Voor politiek en tijd is van staatswege nog weinig geregeld. Er is geen Algemene Kamer van Klok en Kalender, geen Centrale Datum Dienst.
Terwijl daar alle reden voor zou zijn. Politiek is een strijd om tijd. Wordt iets over de verkiezingen heen getild of kan het niet wachten? Wordt het 2030 of 2035? Willen we 2050 halen? Hebben we zeven minuten om het verkiezingsprogramma van honderd pagina’s te lezen, of krijgen we een paar weken? Komt het rapport voor het reces of wordt het bewaard voor de nieuwe Kamer? Duurt het tv-debat een uur, of twintig keer drie minuten? Is de dinerpauze voor of na de inbreng van de heer Omtzigt? En haalt hij dan het achtuurjournaal nog wel?
Politiek is terug te brengen tot een strijd tussen twee kampen. Enerzijds de meesters van de klok, die bepalen wat wanneer gebeurt en hoelang het duurt. Dat doen ze in keurig overleg. Maar ook over het tijdstip van dat overleg zijn ze heer en meester. Overleg pensioenstelsel? Tot na het kerstreces uitgesteld. Patiëntveiligheid? Tot nader order verdaagd. Overleg landbouwakkoord? Wordt vlak voor sint-juttemis verwacht. Anderzijds zijn er de tijdslaven. Zij worden al tegenspartelend gedwongen hun klokken gelijk te zetten naar die van de meesters.
De avond dat het zomerreces was begonnen, begin juli dit jaar, meldde ik me in Nieuwspoort voor het afscheid van een collega. ‘Zo, ramptoerist’, zeiden twee journalisten en een woordvoerder toen ze me zagen. Ze dachten dat ik kwam om de val van het kabinet live te aanschouwen.
Kom op, dat zal zo’n vaart niet lopen, zei ik – m’n politieke antenne was blijkbaar al flink bot geworden. Een dag later was het zover: Rutte IV trad af, Kaag en Hoekstra reageerden met sombere gezichten. Weer twee dagen later beleefde Mark Rutte een epifaan moment: de plotselinge openbaring dat zijn tijd erop zat.
De gebeurtenissen riepen vragen op over volgtijdelijkheid. Zoals nog niet eens zo heel lang geleden elke stad en elk dorp zijn eigen tijd bepaalde, die een of twee minuten kon verschillen van die in de stad even verderop, zo was in Den Haag al dertien jaar Mark Rutte de man die ritme en moment bepaalt. Dat klinkt dictatoriaal voor een egalitaire monarchie als Nederland. Toch is het zo.
In Den Haag heeft alles betekenis. Een glimlach, een terloopse opmerking, een aarzeling, een complimentje, compleet genegeerd worden, een terzijde over een collega – toeval bestaat niet. Als in zo’n omgeving de meester van de tijd bekendmaakt dat hij zijn laatste rondje als minister-president heeft gemaakt, dan mag je ervan uitgaan dat het moment waarop hij dat doet helemaal zo epifaan niet is. Had hij verder in de tijd gekeken en berekend wanneer hij zijn handen vrij zou hebben?
Dat het kabinet begin juli viel, zou leiden tot verkiezingen ergens in november. Dan zou er een halfjaar later een kabinet moeten kunnen aantreden. Driekwart jaar later, ergens tegen de zomer van 2024, zou Rutte zeker zijn handen vrij hebben.
Op 4 juli van dit jaar, een kleine week voordat Rutte zijn vertrek aankondigde, was er een andere aankondiging: Jens Stoltenberg maakte bekend dat hij een jaar langer zou aanblijven als secretaris-generaal van de Navo. Zijn vertrek werd nu gepland voor 1 oktober 2024. Het toeval kun je soms een handje helpen, zeker als je de meester van de tijd bent. Politiek maakt achterdochtig.
Nadat de meester van de tijd had gezegd zijn biezen te pakken, was het alsof een startschot had geklonken: alle anderen gingen hun eigen tijdspad aflopen: Kaag werd Jetten, Hoekstra werd Bontenbal, Azarkan werd Van Baarle, Simons werd Olf… ook in de lagere echelons werd gewied en geschoffeld. Het leken autonome besluiten, in wezen volgden ze de tijdsregie van de VVD.
Dat had anders kunnen gaan. Het scharnierpunt van dit politieke decennium lag niet op 10 juli 2023, de dag dat Rutte zijn vertrek bekendmaakte. Dat lag ruim twee jaar eerder, op 1 april 2021, de nacht van het vreemdste debat in tijden. Een debat dat leek te gaan over – ik durf het haast niet meer te zeggen – ‘Pieter Omtzigt: functie elders’, maar in wezen ging over een diep gevoeld dubbel wantrouwen. Allereerst een wantrouwen van de burger jegens de politiek, dat alle politici op scherp zette. Vervolgens een even diep wantrouwen dat zich in de politiek zelf had genesteld en de onderlinge verhoudingen aantastte. Een wantrouwen dat zich vertaalde in een even onhandig als fascinerend debat en dat nog lang niet uitgewoed is.
Die onhandigheid zette zich na het debat voort. Als de ChristenUnie, net als de geloofsgenoten van de SGP, in dát debat zijn vertrouwen in de minister-president had opgezegd, was de politieke werkelijkheid van nu een andere. Dan was er wellicht geen Rutte IV gekomen, dan was in de formatie schoon schip gemaakt. Dan was Rutte gedwongen tóén al over zijn politieke houdbaarheid na te denken. Kortom: een denkversnelling van twee dagen bij de ChristenUnie had voor een ander politiek landschap kunnen zorgen. Dat is wat tijd met politiek doet.
In deze verkiezingscampagne kwam de strijd om tijd aan de oppervlakte in het gebakkelei rond premierskandidaten. Timmermans en Yesilgöz lieten vlot weten dat ze wel in waren voor die functie, Wilders ook. De nieuwkomers vonden dit een ingewikkelde kwestie. Omdat de BoerBurgerBeweging met een premierskandidaat moest en zou komen, kwam Mona Keijzer, op een ontijdig moment, in beeld. Daarna zette de daling in de peilingen in.
De druk op Pieter Omtzigt om te zeggen of hij naar het Torentje wilde, was nog veel groter. Maar Omtzigt bleef meester over zijn klok. Eerst traineerde hij eindeloos over de toch al sinds 2021 spelende vraag of hij een partij zou beginnen. Vervolgens – halsbrekende versnelling – werd die partij uit de grond gestampt. Waarna met het verkiezingsprogramma werd getreuzeld. De ingewikkelde klus van een kandidatenlijst opstellen was dan weer – volgende versnelling – verbazend snel geklaard. Waarna hij – ergerniswekkende vertraging – de Torentjesvraag boven de markt liet hangen. Om vlak voor verkiezingsdag – versnelling – bij te sturen. Tempowisselingen waarmee zijn tegenstanders het moeilijk hadden.
Aan de vooravond van een verkiezing die misschien het einde van een cyclus markeert, maar ook de geschiedenis kan ingaan als de dag van de niet ingeloste verwachtingen, past een relativering. Daarbij kan dit fragment uit het gedicht ‘Tijd’ van Rutger Kopland helpen, voor het eerst gepubliceerd op 31 december 2000.
het is vreemd maar ook vreemd mooi te bedenken
dat ooit niemand meer zal weten
dat we hebben geleefd
te bedenken hoe nu we leven, hoe hier
maar ook hoe niets ons leven zou zijn zonder
de echo’s van de onbekende diepten in ons hoofd
niet de tijd gaat voorbij, maar jij, en ik
buiten onze gedachten is geen tijd
we stonden deze zomer op de rand van een dal
om ons heen alleen wind
(Rutger Kopland, Uit: ‘Over het verlangen naar een sigaret’, Uitgeverij G.A. van Oorschot, Amsterdam 2001)
Je hebt je plek op de apenrots bevochten, treedt elke dag energiek de uitdagingen tegemoet. De volle agenda afwerken die je medewerker voor je heeft opgesteld, interviewtje geven, petitie in ontvangst nemen, Twitter bijhouden, rapport doorploegen; altijd drie dingen tegelijk, steeds met een glimlach. Omringd worden door mensen die het belangrijk vinden te weten hoe jij ergens over denkt.
Dan ineens is je tijd als Kamerlid voorbij: je valt van de rots of wordt ervan afgeduwd; voor jou een betere. Dan blijkt ineens dat het al die tijd niet om jou ging, maar om de functie die je had en de macht die daarmee gepaard gaat. De leegte die je overvalt is duizelingwekkend. De blanco agenda, spanningsloze ochtenden, appjes die niet meer komen, het diepe gevoel van overbodigheid.
Soms hoor je Kamerleden hardop nadenken over dat later. Dat later, dat morgen aangebroken kan zijn.
Voor hen zijn deze regels bedoeld: niet de tijd gaat voorbij, maar jij, en ik.
Dit is de bekorte versie van een lezing die Ariejan Korteweg dinsdag 21 november hield bij de presentatie van het Jaarboek Parlementaire Geschiedenis in Nieuwspoort, Den Haag.
Source: Volkskrant