Mijn ouders waren al vier jaar verloofd en konden niet trouwen, want ze hadden geen huis. Amsterdam, 1953. Dieptepunt van de naoorlogse woningnood. Bij de ouders van de een of de ander intrekken, wat veel lotgenoten deden? Daarvoor woonden hun beider ouders te klein. Mijn vader sliep al sinds de geboorte van zijn zusje in een opklapbed op de overloop. Mijn moeder had altijd een eenpersoonsbed gedeeld met haar zusje, in een kamertje waar geen stoel meer bij paste.
Toen ze op haar vierentwintigste een kamertje van anderhalf bij twee kon huren bij een weduwe op de Olympiaweg was ze de deur uit gegaan en elke dinsdag- en donderdagavond kwam mijn vader op bezoek. Maar niet om te vrijen, écht te vrijen. Dat was in strijd met het zevende gebod. Geen seks voor het huwelijk. Dus lagen ze op mijn moeders smalle bed te hunkeren naar ‘dat heel erge’. Mijn vader vertelde het me een paar jaar voor zijn dood. Niet vol te houden, zei hij. En kijk, net toen hij had bedacht dat hij naar de rubberwarenwinkel zou gaan om clandestien condooms te kopen werd hij op zijn werk gebeld door mijn opa. Goed nieuws. Er kwam een huis beschikbaar op de Nieuwendammerdijk.
Tweeënhalve slaapkamer, wel te groot. Mijn ouders zouden nooit een woonvergunning krijgen. Te duur ook, 15.500 gulden. Dat kon mijn vader niet betalen als klerk bij de Dienst der Publieke Werken, hoe goed zijn vooruitzichten ook waren. Maar mijn opa, politieman, had een truc bedacht. Hij had vijfentwintig jaar gespaard en zou mijn vader dat geld lenen. Na een halfjaar zouden ze toestemming vragen voor woningruil. Mijn ouders konden dan gaan wonen in dat piepkleine huurhuis van mijn opa en oma. En mijn opa en oma kregen voor het eerst van hun leven een beetje ruimte. De gemeente vond het goed, op voorwaarde dat mijn ouders in dat halfjaar iemand op kamers namen.
Woningnood heet nu woningcrisis en hoe zou het zijn, vroeg ik me af, als we dat soort dingen weer zouden invoeren? Na zestig jaar alsmaar toenemende welvaart hebben Nederlanders per persoon gemiddeld 65 vierkante meter huis ter beschikking. Duitsers: 46. Britten: 44. Sander Schimmelpenninck schreef het al eens in de Volkskrant: ‘We wonen gróót in dit dichtbevolkte, deels onder zeeniveau liggende land’. Je zou kunnen denken: een beetje indikken helpt. Past ook bij de nostalgie naar vroeger waar NSC, PVV en BBB zoveel kiezers mee weten te trekken. Maar dan zie ik mijn ouders voor me, die in januari 1954 eindelijk konden trouwden en vervolgens zaten opgescheept met de zoon van een kennis die net een baan bij Shell had gekregen. Ik denk ook even aan de bordkartonnen nieuwbouwflat in Osdorp waar ze in 1960 naartoe verhuisden. Nog geen 65 vierkante meter voor een gezin met drie, vier, vijf en uiteindelijk zes kinderen.
Source: NRC