Wat me altijd opvalt in gesprekken met lhbtiq-personen, is dat ze vaak goed weten wanneer ze doorhadden dat ze ‘anders’ waren. Anders dan andere kinderen op de basisschool, omdat ze als jongen niet van voetbal hielden of als meisje niet met poppen speelden. Anders dan andere tieners op de middelbare school, omdat ze fantaseerden over een klasgenoot van hetzelfde geslacht. Of anders dan andere volwassenen, omdat ze zich niet konden vinden in de maatschappelijke verwachtingen ten aanzien van mannen en vrouwen.
Al die mensen die zich anders voelen dan de rest gaan echter door een vergelijkbaar proces van (zelf)acceptatie. Ze stellen zichzelf vaak dezelfde vragen: wat voel ik eigenlijk, wie ben ik vanbinnen, en is dat wel ‘normaal’? Als dan het pijnlijke besef volgt dat hun gevoelens volgens de familie en omgeving niet wenselijk zijn, moeten ze keuzes maken. Wanneer ga ik dit vertellen, aan wie ga ik dit vertellen en hoe ga ik dit vertellen? Pas als iedereen weet wie je werkelijk bent, kan het leven echt beginnen. Al is een coming-out volgens westers model voor sommigen te gevaarlijk, en voor anderen juist achterhaald.
Wat lhbtiq-personen ook gemeen hebben is dat ze overwegend negatief in het nieuws komen, als slachtoffers van geweldsincidenten en andere vormen van discriminatie. Deze slachtoffers worden vervolgens geprezen om hun moed en veerkracht, maar het leed staat centraal. Die focus op hun tegenslagen helpt de queer-emancipatie niet bepaald vooruit. Dus ik wilde weten hoe mensen uit de community naar zichzelf en naar elkaar kijken, en ook praten over hun doelen en dromen. Waar worden ze gelukkig van?
Tussen juni 2021 en maart 2022 maakte ik voor de Volkskrant de interviewserie Alfabetsoep, waarin uiteenlopende lhbtiq-personen over hun levens vertelden. Ik wilde de diversiteit van de regenbooggemeenschap en het brede spectrum van seksualiteit en genderdiversiteit laten zien. Hoe uiten deze mensen zich? Welke hindernissen overwonnen ze? Tegen welke vooroordelen vechten ze en in welke hokjes worden ze gestopt? Want identiteiten worden vaak ook benadrukt door anderen. Deze interviewreeks vormde de basis voor mijn boek Spectrum.
Ik wilde niet alleen mijn community vieren, maar ook onze onderlinge problemen uitdiepen. Want in hoeverre is de regenbooggemeenschap werkelijk een gemeenschap? Ik heb vele scenes en subgroepen verkend; groepen die soms langs elkaar heen leven. Ook worden er steeds meer letters aan de alfabetsoep toegevoegd. Zelfs de regenboogvlag is meermaals aangepast, met andere vormen en kleuren, die de diversiteit in de samenleving moeten weerspiegelen. Daardoor vraag ik me af: wat bindt ons als gemeenschap en welke kwesties verdelen ons?
In Spectrum vraag ik me onder meer af waarom homoseksuele mannen een stereotiep masculien uiterlijk verafgoden, maar ondertussen hun innerlijk verwaarlozen en vaak een fragiel zelfbeeld hebben. Ook probeerde ik te begrijpen waarom zogeheten trans-exclusionary radical feminists (zoals schrijfster J.K. Rowling) zo’n weerstand voelen jegens transgendervrouwen en hen niet als ‘echte’ vrouwen willen erkennen.
Racisme is ook nog steeds een probleem binnen de gaydatingscene. Je zou denken dat lhbtiq-personen elkaar niet discrimineren, omdat ze weten hoe het is om te worden buitengesloten. ‘Maar niets menselijks is ons vreemd’, vatte COC-directeur Marie Ricardo treffend samen. Veel personen van kleur voelen zich niet thuis bij pride-evenementen. En queer mensen met een beperking zijn nog weinig zichtbaar. De problemen in de bredere samenleving spelen dus ook binnen de regenbooggemeenschap.
We zijn niet alleen slachtoffers, maar soms ook daders. Zo deed ik onderzoek naar grensoverschrijdend gedrag onder gaymannen in de media. Ik vroeg vijftig collega’s naar de mores van de ‘roze maffia’, die elkaar vaak steunt en vooruithelpt in een competitief vakgebied. Het onderlinge contact is los en soms flirterig, en de grenzen tussen werk en privé zijn vaag. Moeten wij het ook niet wat vaker over consent hebben?
Die pijnpunten wil ik bespreekbaar maken. Toch zie ik na al mijn research dat het gevaar vooral van buitenaf komt en dat er in alle lagen van de samenleving nog veel homo- en transfobie zit. Die kwam vroeger vooral vanuit conservatieve religieuze gemeenschappen, maar ik zie een groeiende haat onder radicaal-rechtse politici, neoconservatieve influencers en hun (online)volgers. Die keren zich met name tegen genderdiversiteit, ook al zijn er vele culturen waarin die variatie juist werd gevierd. Maar non-binaire personen zijn weer zondebokken.
Gender lijkt vandaag de dag een grotere splijtzwam dan homoseksualiteit. Voor veel ouders is het niet meer zo’n punt als hun kind thuiskomt met iemand van hetzelfde geslacht. ‘Zolang je trouwt en kinderen krijgt, pas je nog steeds binnen het cisgender plaatje’, zei transactivist Dinah de Riquet-Bons. Maar wie uit de kast komt als non-binair of transgender, stuit op veel onbegrip en zelfs afkeer. Familieleden zijn vooral bang voor de medische consequenties. Hoe zal hun kind eruit gaan zien, en loopt hij, zij of hen daardoor gevaar? Genderdiversiteit wordt vaak gezien zoals homoseksualiteit in de vorige eeuw: als een psychische aandoening, als iets wat moet worden genezen of anders verketterd.
Kan mijn boek deze weerzin tegenaan? In de eerste plaats hoop ik dat lhbtiq-personen zich zullen herkennen in de worstelingen van geïnterviewden. Ik hoop dat lezers inspirerende rolmodellen ontdekken, die ze vaak misten in hun jeugd. Maar ik hoop ook dat mijn boek een breder lezerspubliek bereikt, zodat mensen hun medemens beter begrijpen en hun eigen vooroordelen uitdagen. Gesprekken over gender en seksualiteit kunnen ons allemaal aan het denken zetten, over de man en vrouw die we zelf willen zijn en de manier waarop we onze seksualiteit beleven. Men vindt het vaak eng als jongeren wat meer fluïde zijn in hun identiteiten, maar als oudere millennial bewonder ik juist hun experimentele aard.
Tegelijkertijd deel ik veel herkenbare verhalen over alledaagse levens. Ik rolde daarom met mijn ogen toen ik een verkiezingsleus van Denk zag, in een plaatje met regenbooglogo’s, drag queens en mensen met vaagtekens boven hun hoofd. ‘Zullen we weer gewoon doen?’ Maar wie bepaalt wat gewoon is? En de paradox van al die mensen die zich anders voelen is dat ze juist normaal gevonden willen worden. Ongeacht wie ze liefhebben, ongeacht de manier waarop ze hun gender uiten. Alle lhbtiq-personen die ik de laatste vijftien jaar interviewde, streven doodgewone dingen na: liefde, vriendschap, zingeving.
Ik hoop dus dat de conservatievere lezer zich niet blindstaart op datgene wat lhbtiq-personen anders maakt, maar empathie toont voor datgene wat ons allen bindt: de behoefte aan geborgenheid. Spectrum is in die zin een pleidooi om de gewone mens te blijven zien achter de kleurrijke cocktail van identiteiten. Labels en letters zullen nog even nodig blijven, om kwetsbare groepen en hun problemen te kunnen identificeren. Maar ik hoop dat ze op den duur overbodig worden, als we eindelijk leren hoe we anderen in hun waarde laten.
Journalist Haroon Ali (1983) maakte voor de Volkskrant de interviewserie Alfabetsoep, waarin lhbtiq-personen vertelden over hun levens (en werden gefotografeerd door Harmen Meinsma). Deze twintig interviews, plus nieuwe essays over de regenbooggemeenschap in de 21ste eeuw, zijn gebundeld in Spectrum, dat 23/11 verschijnt bij De Bezige Bij.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden