Home

In zijn studentenhuis werd hij Mozart genoemd: Jan-Willem Rozenboom is zowel bandleider van Guus Meeuwis als klassiek pianist

‘Het enthousiasme bewaren we nog even’, zegt Guus Meeuwis na het spelen van zijn hit ’t Dondert en ’t bliksemt. De zanger repeteert met zijn band in het Philips Stadion in Eindhoven. Niet op een podium boven het grasveld van voetbalclub PSV, maar in een zaaltje met systeemplafond. Wie deze ochtend toevallig langsloopt, of vanuit de zolders van de huizen aan de overkant van de straat naar binnen kijkt, hoort vrijwel niets – alleen drums, in een aantal liedjes de koperblazers en saxofoons die Meeuwis bijstaan, en misschien heel zachtjes nog een flard zang of akoestische gitaar.

En dat terwijl er toch twee toetsenisten, een bassist en vier gitaristen aan het werk zijn. Wie wil horen wat ze doen, kan een koptelefoon pakken. De band speelt zonder gitaarversterkers, maar met in-ear monitors, zodat de muzikanten zo direct mogelijk horen wat ze doen – precies zoals het er straks bij de concerten aan toe gaat. Op deze manier hebben ze zo min mogelijk last van de weerkaatsingen van het geluid. De drummer hoort een clicktrack, waarmee het tempo van ieder nummer al is vastgelegd.

Dat er weinig hoeft te worden overlegd of onderbroken, is vooral de verdienste van de man achter de elektrische piano. Bij een break of belangrijke inzet zie je hem opkijken, net als een dirigent. Een bemoedigend knikje, een lach die vertrouwen wekt. Hij hoeft weinig meer te doen, het echte werk is al gedaan.

Over de auteur
Merlijn Kerkhof is redacteur klassieke muziek van de Volkskrant. Hij publiceerde twee boeken: Alles begint bij Bach, een inleiding tot de klassieke muziek, en Oude Maasweg kwart voor drie, over The Amazing Stroopwafels.

Jan-Willem Rozenboom (48) is de man achter, of naast Guus, de bandleider, componist en pianist die alles regelt. Al vanaf het eerste album van Meeuwis is hij erbij. Maar sinds zo’n tien jaar leidt hij een artistiek dubbelleven. Treedt hij de ene week op in een stadion waar massa’s de mede door hem geschreven nummers meezingen, de weer erna kun je hem zien in een kleine theaterzaal. Als klassiek pianist.

Ook in klassieke context heeft Rozenboom succes. Eerder dit jaar speelde hij in de Grote Zaal van het Concertgebouw in Amsterdam. Voor zijn nieuwste album met Bach-bewerkingen kreeg hij vier sterren in de Volkskrant. Maar dat hij die albums in eigen beheer uit kan brengen, komt vooral door zijn werk met Meeuwis. Het roept de vraag op: waar voelt hij zich het meest thuis? Welke artiest is Jan Willen Rozenboom het liefst?

Het contrast tussen zijn optredens is groot. Bij de stadionconcerten is er 1800 man personeel, van beveiligers tot biertappers: dat is al bijna de capaciteit van een vol Concertgebouw. Groots met een zachte g, de serie stadionconcerten die ze hier al sinds 2006 organiseren, is een miljoenenproductie met vuistdik draaiboek. Niets wordt aan het toeval overgelaten. Aan lange tafels zitten mensen, ook van koptelefoons voorzien, mee te schrijven en mee te tikken – ‘schaduwmuzikanten’ die zich met bladmuziek voor hun neus inleven. ‘Voor het geval er iemand bij het concert uitvalt’, fluistert Rozenboom. Ze zijn allemaal door hem gestrikt.

Sinds hun studententijd zijn ze bevriend, Meeuwis en Rozenboom. Door mee te doen aan een studentensongfestival had Meeuwis in 1994 met Het is een nacht een platencontract gescoord. Toen moest er alleen nog een band komen. Toevallig meldde zich bij de ontgroening van de Tilburgse studentenvereniging Sint Olof waar Meeuwis zich had ingeschreven, nog een muziekliefhebber aan: Jan-Willem Rozenboom. Het klikte. Hij werd lid van de groep, alleen was er al een toetsenist. Dus werd het maar bas. Hij wist maar net waar de noten zaten.

Het is een nacht werd een nummer 1-hit, net als de opvolger Per spoor (kedeng kedeng). Het zijn de enige vroege nummers waarop Rozenboom niet te horen is (op de albums mocht hij wel toetsen spelen). Alleen Guus’ broer Marc en Rozenboom bleven aan Meeuwis verbonden toen de begeleidingsband Vagant in 2001 ophield te bestaan. De andere muzikanten begonnen aan de banen waarvoor ze hadden gestudeerd, Rozenboom rondde in die periode zijn master piano af bij Rian de Waal aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag.

‘We waren net uit de collegebanken gedropt met een zooitje nummer 1-hits terwijl we bij wijze van spreken drie keer op het podium hadden gestaan’, vertelt Meeuwis in de pauze. ‘We dachten: we gaan dit doen, we gaan straks weer studeren en dan hebben wij de allermooiste verhalen ter wereld. We waren eendagsvliegen, dat heb ik uiteindelijk toch wel zo’n vijf jaar gedacht. Het kon niet echt zo zijn dat dit ons leven zou worden.’

Dat werd het wel – mede dankzij het piano- én schrijftalent van Rozenboom. Meeuwis: ‘Hij weet zoveel van muziek, hij kijkt er altijd net even anders naar dan ik. Hij zorgt ervoor dat we de nummers steeds weer in een nieuw jasje steken, zoals ook nu met die bigband. Hij voelt heel goed aan wat ik wil. Stel: ik heb een liedje. Dan kan hij er met zijn harmonieën en twists voor zorgen dat het echt een líéd wordt.’

Heeft hij een voorbeeld? ‘Neem Tranen gelachen. We zaten in een huisje te schrijven, maar hij kreeg koorts en lag in bed. In een keer hoor ik iemand van de trap af komen, Jan-Willem. Hij luistert even en zegt: misschien moet je in die bridge dit of dat doen. Het was precies wat we misten.’ Dan, lachend: ‘En toen ging-ie weer ziek naar boven.’

Dat het muzikaal zo’n goede match zou zijn, stond niet direct vast. ‘Toen we elkaar leerden kennen, kende hij qua popmuziek alleen Level 42 en Dire Straits. Van Nederlandstalig wist hij helemaal niks. Ik heb hem een stapel muziek van Herman van Veen en Frans Halsema gegeven als huiswerk.’

Maar houdt hij er ook echt van? ‘Zijn passie ligt echt bij klassiek, daar kunnen we eerlijk over zijn. En daarom vind ik het ook zo mooi dat hij bij mij blijft.’ Ja, waarom? ‘Omdat hier ook een groot stuk liefde in zit, denk ik. Eigenaarschap, zo kun je het noemen. We hebben dit samen opgebouwd. Maar ik vind het ook echt heel mooi dat hij nu voor zijn klassieke werk de erkenning krijgt. Dat ze hem eindelijk zien.’

Toen Jan-Willem Rozenboom in Tilburg in een studentenhuis kwam te wonen, werd hij er Mozart genoemd. ‘Ik had een piano op mijn kamer. Mijn huisgenoten waren allemaal economen of econometristen. Ik vond het niet erg. Ik was de enige conservatoriumstudent die lid werd van een studentenvereniging. Mijn broer was bij Minerva gegaan in Leiden en zoiets leek me wel leuk. Maar ik ben nooit een echte bal geworden, hoor.’

Maar een permanente outsider misschien wel? ‘Ja, een beetje. Dat voel ik me onder popmuzikanten in ieder geval. Ik leer nog altijd dingen bij. De Hammond-organist in de band weet bijvoorbeeld veel beter welke harmonieën je moet gebruiken als je iets echt gospelachtig wil laten klinken.’

Vroeger stond in het gezin-Rozenboom altijd Radio 4 aan. Opa speelde piano, vader – eerst werkzaam voor Philips, uiteindelijk hoogleraar minivermogenselektronica op de TU Eindhoven – speelde piano. We zitten in Rozenbooms studio. Pronkstuk in de ruimte is de Steinway die Rozenboom in 2016 over heeft kunnen kopen van het Muziekgebouw Eindhoven. Zijn oudste zoon (vier kinderen) brengt worstenbroodjes.

Vervelende vraag, maar: dit herenhuis is nogal groot. Hoeveel procent daarvan komt van de Buma, de auteursrechtenorganisatie die de royalty’s uitkeert als je liedjes bijvoorbeeld op de radio worden gedraaid? Rozenboom lacht ongemakkelijk. ‘Ik denk dat iets meer dan de helft van mijn inkomen van de Buma komt. Ik ben er niet zo mee bezig. Maar ik klaag niet.’

Het zorgt er hoe dan ook voor dat hij als klassiek musicus geen concessies hoeft te doen: dat hij geen schnabbels hoeft aan te nemen waar hij geen zin in heeft, dat hij kan uitbrengen wat hij wil. ‘Dat is wel een beetje mijn mazzel, ja. Aan de andere kant: mijn eigen albums verdienen zich ook weer terug. Het is niet dat het ene het andere mogelijk maakt, het maakt het alleen makkelijker.’

Want hij heeft een paar knallers op zijn naam. Zoals Brabant, waarvoor hij de muziek schreef – het is het lied waarop hij het meest trots is en dat als officieus volkslied van de provincie is omarmd. ‘De producer met wie wij werkten, zei: moeten jullie niet eens wat maken over waar jullie vandaan komen? Guus was net in Moskou geweest waar hij had opgetreden voor een Nederlandse vereniging en bedacht toen die tekst. En ik kwam met de muziek. Pas veel later ontdekte ik de verwantschap die er is met de aria van de Goldbergvariaties van Bach, het stuk dat ik toen studeerde.’

Dat was ook het stuk dat hij voor het eerst op een eigen cd zette, in 2015. Voor televisieprogramma’s was het een dankbare invalshoek: de pianist van Guus Meeuwis die stiekem al die tijd klassieke muziek bleek te spelen. ‘Maar dan zou ik bij Podium Witteman komen, en werd ik uiteindelijk toch weer gebeld met die vraag: we zouden het wel leuk vinden als je Guus meeneemt, kan dat? Oké, ik zal het vragen. Hij deed het graag, dat was het probleem niet. Maar ik zat daar liever alleen, op eigen kracht. Ik zat vastgeklampt aan die invalshoek. Nu is dat gelukkig iets minder.’

De verhouding optredens met Guus (oplopend tot zeventig shows per jaar) en eigen recitals is nu ongeveer 2:1. Heeft hij ooit overwogen om te stoppen met de band, om alleen nog klassiek te spelen? ‘Toen Vagant stopte in 2001 vroeg Guus of ik nog mee wilde blijven doen. Ik vond het liedjesschrijven heel leuk en we waren bovendien goede vrienden. Maar ik zag op dat moment ook wel in dat een klassieke carrière als solist bij orkesten, of dat je alleen kunt leven van recitals, er niet meer in zat. Daarvoor was het gewoon te laat.’

Dus hij had het opgegeven? ‘Eigenlijk wel. Je moet veel vroeger pieken, als tiener al mee doen aan die concoursen en dan knallen. Ik was al eind twintig en concoursen lagen me sowieso niet. Ik was een laatbloeier. En ik vind de afwisseling nog steeds heel leuk. Die afwisseling is er trouwens ook als ik met Guus speel, want in het theater doen we heel ander repertoire dan in het stadion. We trekken er ook heel verschillend publiek mee, en als ik Bach speel, is de sfeer ook weer anders. Het is niet zo dat er veel Guus-fans naar mijn recitals komen, maar toch wel wat.’

Als Rozenboom klassiek speelt, dan doet hij dat bijna altijd solo. Nog een project waarbij je agenda’s op elkaar af moet stemmen, dat is niet te doen. Om half vier ’s middags komt hij aan in Theater De Kom in Nieuwegein, straks gaat hij inspelen in de kleine zaal. Eerst even zorgen dat de balletvloer weg is, ten behoeve van de akoestiek, dan checken of de piano in orde is. Hij draagt een trui met daarop de hoes van zijn album. Zat er in het Philips Stadion een heel legertje medewerkers bezig te zijn met de productie, nu staat hij er helemaal alleen voor, op de theaterman die het geluid en licht doet na.

Hij heeft een banner meegenomen van twee bij twee meter, een zelfgemaakte zalmsalade, plus natuurlijk een doos met cd’s en bladmuziek. ‘Mijn publiek koopt nog cd’s’, zegt Rozenboom. ‘Bij concerten van Guus worden er ook wel cd’s verkocht, maar dan dient zo’n ding vooral als vehikel voor een handtekening.’

Nog een verschil: op filmpjes uit het stadion valt op dat mensen de hele tijd door de muziek heen praten, ook als er een breekbaar nummer wordt gespeeld zoals Geef mij je angst, het lied waarmee Rozenboom en Meeuwis in 2004 hun carrières een nieuwe impuls gaven door het te spelen in de Amsterdam Arena bij de herdenking van de toen net overleden André Hazes. Dat er straks mensen gaan kletsen: ondenkbaar.

Thuis heeft hij al anderhalf uur gespeeld. ‘Dan doe ik alleen de technisch lastige passages, bijvoorbeeld in de Chaconne van Bach in de bewerking van Brahms. Dan studeer ik gefocust. Als ik hier straks in ga spelen, en daar trek ik twee uur voor uit, heeft dat een andere functie: dan moet je de piano leren kennen. Dan zit ik gewoon lekker te spelen. Mijn concentratie moet ik bewaren voor het concert.’

Hoe beïnvloedt het spelen met Guus zijn klassieke spel en vice versa? ‘Ik ben door met Guus te spelen heel erg gewend aan die groove die pop nou eenmaal heeft. Daar moet ik als ik Bach, of zeker Chopin, ga spelen even van loskomen. Na een tour met Guus heb ik anderhalve week nodig eer mijn vingers weer sterk genoeg zijn voor een Bach-recital. Maar als ik heel veel klassiek heb gedaan, speel ik pop juist te netjes en wil ik te veel toevoegen.’

Hij zou wel meer willen componeren, zegt hij – geen ‘Guus-liedjes’, nee, het soort muziek waar je minder ‘Buma’ voor krijgt. Maar ja, wat dan? ‘Het is lastig om een taal te kiezen. Ik wil niet dat het te abstract wordt. Er moeten altijd aanknopingspunten zijn voor het publiek.’ Die zijn er in ieder geval voldoende in een stuk dat hij straks zal spelen: een fuga in de stijl van Bach, maar dan gebaseerd op Brabant.

Als het concert begint, blijken er 45 kaarten verkocht.

Rozenboom leidt al zijn stukken in, vertelt over hoe verschillend Brahms en hij Bachs muziek hebben bewerkt en verklaart de 12/8ste maat. En als hij de Brabant-fuga aankondigt, ‘een fuga in zachte g’, zegt hij dat het stuk is gebaseerd op een lied van ‘een bekende Nederlandse zanger’. In Rozenbooms biografie in de programmafolder wordt Meeuwis pas in de vijfde alinea genoemd.

Vijf minuten na afloop zet hij zijn cd’s en bladmuziek op een statafel in de foyer. Hij bestelt een biertje. Een vrouw komt vertellen over haar eigen muzikale activiteiten. Volgende bezoeker: vergelijkbaar verhaal. Nog maar een biertje.

Dan pakt hij zijn cd’s, zijn banner, zegt hij de laatste mensen in de foyer gedag, en loopt hij door een te stille stad terug naar zijn auto. Over drie kwartier is hij thuis, en hij weet: daar brandt licht.

Volgende zomer doen Meeuwis en Rozenboom voor de laatste keer Groots met een zachte g, heeft Meeuwis net aangekondigd. Waarom? ‘Het bepaalt onze agenda’s al zo lang, het is een keurslijf waar je ook weleens uit wil stappen. En je wilt het moment voor zijn dat je af moet schalen omdat de vraag terugloopt en een concert moet schrappen. Guus heeft allang iets nieuws bedacht, hoor. Maar ik weet ook nog lang niet alles.’

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next