Home

Dromen over een zakenkabinet leidt de aandacht nu slechts af van de koers van het land

Pieter Omtzigt is eruit. Hij is toch bereid premier te worden, van een zakenkabinet. En dat is dus meteen wel een héél groot voorbehoud, want zoiets zal er niet snel komen.

Debatten over zakenkabinetten, die al zeker vijf decennia af en toe opflakkeren, beginnen altijd bij de definitie. Jan Joost Lindner, vermaard politiek commentator in deze krant in de laatste decennia van de vorige eeuw, omschreef het zo: ‘Een onpolitiek kabinet, liefst van prominente vaderlanders die de nationale winkel kunnen beheren en niet te zeer door volksvertegenwoordigers mogen worden gehinderd. Het is niet zo’n parlementair-democratische oplossing, met name populair in sociëteiten na het derde glas.’

Toch steekt het af en toe de kop op, met name in tijden dat politiek Den Haag kritiek oogst wegens gebrek aan probleemoplossend vermogen. Zoals nu dus. Ook Pim Fortuyn was voor zijn dood in 2002 bezig met de samenstelling van een ministersploeg die vooral uit ondernemers zou bestaan. Maar makkelijk bleek het niet: Fortuyn beklaagde zich dat de meeste kandidaten die hij benaderde geen zin hadden in de overstap. Zijn opvolger Mat Herben kwam uiteindelijk uit bij politieke zij-instromers als Roelf de Boer, Eduard Bomhoff en Herman Heinsbroek. De afloop van dat ongelukkige avontuur is bekend.

In het Volkskrant Commentaar wordt het standpunt van de krant verwoord. Het komt tot stand na een discussie tussen de commentatoren en de hoofdredactie.

Toen oud-CDA-voorman Elco Brinkman in 2006 toch weer een lans brak voor een zakenkabinet, om zo het landsbestuur wat te ‘depolitiseren’ kreeg hij nul op het rekest, ook in zijn eigen partij. ‘Uiteindelijk is politiek een weerspiegeling van de verschillende politieke opvattingen van de burgers’, reageerde fractieleider Maxime Verhagen. ‘Depolitiseren leidt niet tot meer daadkracht maar tot minder neiging om verantwoording af te leggen aan de samenleving.’

Daar komt nog bij dat het zeer de vraag is of bewindslieden ‘van buiten’ gemiddeld beter functioneren dan de beroepspolitici. Zij-instromers hebben we de afgelopen jaren al vaak gehad, van Ernst Kuipers en Robbert Dijkgraaf tot Ferdinand Grapperhaus. De een deed het beter dan de ander. Maar dat geldt ook voor de gewone bewindslieden. Een veelgeprezen minister als Carola Schouten loopt al haar hele werkzame leven mee in de ChristenUnie op en rond het Binnenhof.

Een voorbeeld dat Omtzigt aan het denken zou moeten zetten, is dat van Menno Snel, die in 2017 overkwam uit de financiële sector om de Belastingdienst te reorganiseren. Hij moest nog even snel lid worden van D66. Twee jaar later trad hij af omdat hij de afwikkeling van de Toeslagenaffaire maar niet onder controle kreeg. De Kamer prees hem op zijn dossierkennis, maar kraakte hem wegens zijn gebrek aan empathie en politiek gevoel.

Omtzigt heeft gelijk dat er de afgelopen jaren vaak wat al te losjes met de politieke benoemingen werd omgegaan. Partijpolitieke belangen en loyaliteit aan de partijtop bleken soms belangrijker dan dossierkennis. Te vaak belandden mensen zo op departementen waar ze zich eerst een halfjaar moesten gaan verdiepen in de materie.

Het zou schelen als het volgende kabinet dat benoemingenbeleid serieuzer neemt. Er is op veel ministeries geen tijd te verliezen. Maar nu alle hoop vestigen op mysterieuze mensen van buiten die het wel even komen oplossen, leidt de aandacht slechts af van het inhoudelijke debat over de koers van het land, het debat dat nu én in de komende formatie centraal hoort te staan.

Source: Volkskrant

Previous

Next