Ik heb geen tuin, maar toch kom ik wel eens in een tuincentrum. Ik koop daar dan planten voor op het balkon, waar ze onveranderlijk spoedig doodgaan. Mijn balkon ligt op het noorden, en het enige dat er gedijt, is mos.
Toch blijf ik telkens nieuwe planten kopen. Ik voel me dan zo’n beetje als die uitgemergelde proletariërs, 100 jaar geleden in vochtige plaggenhutten, die de ene na de andere aan de vliegende tering gestorven baby ten grave moesten dragen, maar zich stug bleven voortplanten, in de hoop dat er eens eentje zou blijven leven.
Gisteren betrof het een sierpeper. Een nest rode pepertjes in een zinken bak. Het geheel had 6,99 euro gekost en bood wekenlang de gezellige aanblik van een gloeiend haardvuurtje, al bleken de pepers zelf, na voorzichtig proeven, geen spoortje hitte te geven.
Na een maand of twee begonnen ze slijmerig te verwelken, na een maand of drie lag het hele balkon vol glibberige rode drab en na een maand of vier gaf een sterfgeval in de familie de doorslag: ik wilde niets meer met de dood te maken hebben en droeg de hele verloederde plant met bak en al naar de vuilnisbak op de hoek van de straat. Een eerlijk pepergraf.
Terwijl ik de klep opendeed, hoorde ik een stem paniekerig roepen: ‘Nee! Ho! Niet doen!’ Het bleek een vrouw van een jaar of 40, een mooie, slanke, blonde vrouw in een prachtige wollen jas. ‘Gooi je die wég?’, vroeg ze ademloos van verontwaardiging.
‘Ze zijn dood’, sprak ik, met een knikje naar de rode lijkjes. De vrouw plukte met een fraai gemanicuurde hand een pepertje van de plant. En zei, weer zo verongelijkt: ‘Dat is vóédsel hè? Weet je dat je die pepers drógen kunt?’
Ja, dat weet ik, want ik heb vaak pepers gedroogd. Maar bij deze had dat geen zin. ‘Ze smaken naar niets’, antwoordde ik. Polemisch sperde ze haar mond open, beet in het pepertje en kauwde vorsend.
‘Nou ja’, hernam ze slikkend. ‘Maar die schaal, dat is toch een schitterend ding? Daar kun je superleuk rijst in serveren. Of een salade. Die gooi je toch niet zomaar weg?’ Ik schudde – een tikje triomfantelijk – mijn hoofd. ‘Er zitten gaten in de bodem’, zei ik. ‘Voor de afwatering. Kijk maar.’ Ze keek, en knikte zuur.
‘Maar dennenappels zullen er prachtig in staan’, zei ze. ‘Nou, ík neem ’m mee!’ Voorzichtig nam ze het modderige ding in haar onberispelijke handen. Terwijl ze wegliep, beet ze me nog toe: ‘De wereld gaat ten ónder aan mensen zoals jij.’
Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.