Home

Kasper Kemper: ‘Ik ben een vader van 100 jaar met een baby’

Kasper Kemper is 100 jaar. Hoe kijkt de oud-medewerker van de Volkskrant aan tegen de eeuw die achter hem ligt? En welke gebeurtenis gaf een wending aan zijn leven en dat van zijn gezin?

Kasper Kemper wil ‘geen somber, geen optimistisch, maar een realistisch verhaal’ in de krant, benadrukt hij bij het maken van de afspraak. Zijn belevenissen de afgelopen eeuw typeert hij als ‘dolle avonturen’. De 100-jarige is nog samen met zijn 96-jarige vrouw Hennie, die zich geregeld in het interview mengt. De oudste van de twee is de vitaalste. ‘Ik heb geen makkelijk leven gehad, maar wel een goed leven’, zegt hij.

‘We starten de dag langzaam. Ik help Hennie met aankleden, drie keer per week komt een mevrouw haar wassen. Onze buurman haalt de Volkskrant voor ons uit de brievenbus. In de ochtend maak ik alvast het warme eten voor de avond klaar. Vanochtend heb ik tomatensoep gemaakt. Om de week komt de hulp de boel hier uitmesten. Ik betaal haar 20 euro per uur, omdat ik het minimumloon veel te laag vind.

‘Twee dagen in de week gaan we naar onze jongste zoon Casper, die in een instelling woont. Hij heeft het syndroom van Down, en de geestelijke vermogens van een kind van 1,5 jaar. Hennie gaat woensdag, ik zaterdag. Als we samen gaan, is het te veel voor hem; hij is een oud mannetje aan het worden, en aan het dementeren, 63 jaar is hij nu. Ik ben dus een vader van 100 jaar met een baby. Sinds corona wil hij de instelling niet meer uit. Daarom gaan we naar hem toe. Casper heeft ons gezin heel goed gedaan. Hij was en is het lichtstraaltje in ons leven. Ik had hem niet willen missen.’

Hennie: ‘Als ik het van te voren had geweten, had ik niet voor een abortus gekozen.’

‘Casper heeft ons leven verrijkt. Door hem hebben we geleerd geduldig te zijn en dat het leven niet draait om materie, maar om liefde en schoonheid: kijk om je heen! Zorg dat je je zaakjes financieel op orde hebt, en jaag niet op nog meer. Ik ben opgevoed met het doel zo veel mogelijk te bereiken, maar dat heb ik opgegeven. Hij heeft onze oudste drie ook veel gegeven, het is denk ik niet toevallig dat zij allemaal een sociaal beroep hebben gekozen.’

Hennie: ‘Ze waren alle drie heel lief voor Casper; als hij een snotneus had, pakten ze een papiertje en veegden die af, als er vriendjes kwamen, betrokken ze hem bij hun spel. Hij hoorde er gewoon bij.’

Kasper: ‘We hebben ontzettend veel plezier met hem gehad, al die vakanties samen met hem, toen de oudsten al uit huis waren, naar Zweden, Denemarken, Finland, Frankrijk…’

Hennie: ‘Dan zong hij midden in de zomer kerstliedjes achter op de tandem. Casper is gek op bier. We gingen naar een café, zag hij op de rand bij een biljarttafel een biertje staan. Voordat we het in de gaten hadden, had hij het opgedronken.’

Kasper: ‘Je had die kerel naar zijn lege glas moeten zien kijken! Hoe de buitenwereld ook over hem dacht of op hem reageerde, kon ons niets schelen. Ik heb mij erg vermaakt met de mensheid.’

‘Waren we aan het kamperen in Limburg, kwamen er mensen aangereden die naast onze vouwcaravan wilden gaan staan, zag ze de 4-jarige Casper in zijn blote kontje in een zwembadje poedelen – en wég waren ze. Elk nadeel heb zijn voordeel; hadden wij lekker veel ruimte.

‘We kozen een openbare basisschool voor hem. Kwam er een uitnodiging van de pastoor, die zei dat Casper genade zou krijgen als hij naar een katholieke school zou gaan. Wat een gelul. Genade? Waarvoor? Na een verhuizing naar een andere buurt, vielen we onder een andere parochie. Bij de kennismaking met die pastoor vroeg hij naar het aantal kinderen in ons gezin. ‘Vier’, antwoordde ik, ‘en de jongste heeft het syndroom van Down.’ Hij duwde ons weg. Toen was het voor mij uit, en heb ik mijn lidmaatschap van de katholieke kerk opgezegd.

‘Na Caspers geboorte hebben we zes weken lang geen mens gezien, zelfs onze ouders kwamen niet op kraambezoek. We begrepen er niks van. Later bleek dat mijn schoonzus, die wijkverpleegkundige was in onze buurt, van een collega had gehoord dat bij ons een mongooltje was geboren – en het in de familie had rondverteld. Wij wisten nog van niks.’

Hennie: ‘Caspertje dronk goed en was een lieve baby, wel heel stil. Na twee maanden ging ik naar de zuigelingenzorg om te laten onderzoeken of hij goed groeide. De kinderarts vroeg: ‘Hoe vindt u uw kindje?’ Ik antwoordde dat ik hem een lekker joch vond en dat hij al zijn best deed te lachen. ‘Zo pittig is hij niet, u zal voor verrassingen komen te staan, hij is helemaal niet goed’, reageerde ze. Ik pakte Casper op, zei dat ze zelf gek was, en liep weg. Niet lang daarna kwam de huisarts bij ons langs voor onze oudste. Kasper vroeg of hij ook naar onze baby wilde kijken. De arts keek en vroeg of ons bij de geboorte niet was verteld dat Casper een mongooltje is – zo heette dat toen nog.’

Kasper: ‘Heel even, maar Hennie en ik keken elkaar aan en zeiden: ‘We gaan ervoor, we hebben schijt aan de wereld.’ Casper was 8 of 9 jaar en draaide goed mee in ons gezin, toen we ineens huisbezoek kregen van allerlei welzijnswerkers, een psycholoog en een psychiater. Ze zeiden allemaal dat het zo goed voor hem en ons gezin zou zijn als hij naar een instelling zou gaan. Dat wilden we niet, toch lieten we ons ompraten. De AWBZ (Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, red.) was net ingevoerd en er was geld om grote inrichtingen te bouwen. Dus gingen ze op jacht om die inrichtingen vol te krijgen. Na 2,5 jaar kregen we te horen dat we Casper beter weer in huis konden nemen, omdat hij na elk weekend thuis drie dagen verdrietig was. We hebben hem tot zijn 25ste thuisgehouden.’

‘Ik was een echte alfajongen, de exacte vakken gingen niet op de mulo. Na de derde klas zeiden mijn ouders: ga jij maar een ambacht zoeken. Ik ging in de leer bij een drukkerijtje, prachtig; geboortekaartjes, pamfletten en reclameboekjes maken. In 1943 kreeg ik een oproep voor een medische keuring, en kreeg meteen te horen dat ik naar Duitsland moest om te werken. Daar paste ik voor, maar ik kon geen onderduikadres vinden. Ik kwam op een drukkerij in Berlijn terecht, waar ik oud zetsel in vakjes moest leggen. Ik heb het niet slecht gehad in Berlijn, maar wel veel verschrikkelijke dingen gezien tijdens bombardementen en de inval van de Russen. Duizenden doden heb ik op straat zien liggen, vooral jonge mensen, een hoofd zonder gezicht, een Duitse deserteur die was opgehangen aan een lantaarnpaal, chaos was het. Een jonge vrouw met drie kleine kinderen die mij om bescherming vroeg tegen Russische soldaten.’

‘Ja, dat gebeurde op grote schaal. Een keer heb ik, schuilend in een kelder van een bakkerij met twee jonge vrouwen, Russische soldaten die ons vonden, kunnen wegjagen. Een oudere buurvrouw riep: ‘Stuur ze maar naar mij, ik heb al 17 jaar niets aan mijn man gehad.’ Dit maak je allemaal mee. Het ergste vond ik de straatgevechten, man tegen man. Ik vluchtte op een dag een huis binnen waar een man zat met een heel wit gezicht. Hij vertelde dat hij sinds 1933 ondergedoken had gezeten in zijn eigen huis. Een Joodse man, die met hulp van de Amerikaanse ambassade naar de VS werd gebracht. Waar ik in mijn leven nooit antwoord op heb gekregen, is de vraag waarom regeringen niet genoeg geld zeggen te hebben voor bijvoorbeeld de gezondheidszorg, maar als er een oorlog uitbreekt, zoals in Oekraïne, zijn er ineens miljoenen voor wapensteun.’

‘In 1950 kon ik bij de Volkskrant aan de slag als koppenzetter, tegen een hoger loon dan mijn vorige baan en het bedrijf hielp ons ook nog eens aan een eengezinswoning in Bovenkerk. Het vak van koppenzetter bestaat inderdaad niet meer. De tekstkolommen voor de krant kwamen uit de zetmachine, maar de koppen waren in een grotere letter en moesten apart, met de hand worden gemaakt, door loden letters te gieten in matrijzen. Dat was mijn werk. Samen met de redacteur stond ik aan het steen, zo heette dat. De redacteur zei wat voor kop ik moest maken. Er ging weleens iets mis. Ik heb een keer een kop gezet met een nulletje te veel; stond de volgende dag in de krant dat autofabriek Daf 1.500 man ging ontslaan, in plaats van 150.‘ (Hij krijgt tranen in de ogen van het lachen:) ‘Ik had het voltallige personeel weggejaagd! Ik moest bij de redactiechef komen, het werd natuurlijk gerectificeerd. Het waren heerlijke, avontuurlijke jaren bij de Volkskrant, geen dag was hetzelfde. Op een verkiezingsavond kwam premier De Quay (KVP) langs. Toen bleek dat de Boerenpartij zetels had gewonnen, begonnen we met zijn allen te zingen: ‘De boeren hebben gewónnen!’ Boos liep De Quay weg. Dan zie je hoe klein ook zo iemand kan zijn.’

‘Bij tegenslagen moet je geen drama maken, maar aanpakken en zien waar je uitkomt. Loslaten, anders heb je geen leven. Wie verzandt in pietluttigheden haalt de 100 niet.’

‘Ik stem links, op de SP. Ik weet dat deze partij niet gaat regeren, maar zij mag haar kritische geluid laten horen in de Tweede Kamer. Lilian Marijnissen zegt dat er armoede is en dat geloof ik. Meer daklozen, minder woningbouw, verzorgingshuizen voor bejaarden zijn wegbezuinigd - nu liggen ouderen in veel duurdere ziekenhuizen. Als er gestemd wordt over betere salarissen voor verpleegkundigen, verlaat men de Tweede Kamer om niet te hoeven stemmen. Hoe diep kun je zakken.’

geboren: 15 juli 1923 in Bennebroek

woont: zelfstandig, in Haarlem

beroep: graficus en zetter

familie: zijn vrouw Hennie (96), vier kinderen (een overleden), twee boers (89 en 93)

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next