Home

Het verlangen naar het paradijs

Het woord ‘zeegezicht’, bij schilderijen, roept bij mij nooit zoveel enthousiasme op. Hoewel ik in het echt, net als iedereen, behoorlijk lang over zee kan staren zonder te weten waarom. Natuurlijk kun je je voor de verfstreken gaan interesseren en voor de kleuren, maar meestal wil dat niet goed genoeg lukken om er echt iets aan te beleven.

Dus dat zeegezicht van Gustave Courbet dat de Normandische kust weergeeft op een wel mooie dag, mwah. Best mooi.

Maar nu liet Henk van Os het zien op een middag die ‘Verlangen naar het paradijs’ als thema had meegekregen. En ik keek naar het schilderij (nu ja, naar een projectie ervan) en ineens vond ik het schitterend en had ik er heel lang naar kunnen kijken. Die verre heel lage horizon (‘Hij heeft die rotsen een beetje naar beneden moeten drukken’ zei Van Os), het licht op het water, de hoge hemel en dan het idee dat daar ergens in de verte iets is – maar zelfs het vage ‘iets’ is al bijna te precies want je stelt je niet zoveel voor van wat er in die verte is, het gaat om de verte zelf. Zodra je vertes ingaat houden ze op betoverend te zijn en worden ze interessant, mooi, banaal of gewoon – hoe dan ook verdampt het mysterie.

Dat weet iedereen. Denk maar aan mist boven een weiland, ineens, door de vaagheid misschien, gaat er iets betoverends uit van het landschap. Trekt de mist op dan is er niets bijzonders te zien.

Nu hadden die paar woorden ‘Verlangen naar het paradijs’ het hele schilderij veranderd. Niet door het vaag te maken, maar door er een interpretatie aan te geven. Het was niet meer alleen een geslaagd schilderij, het drukte iets uit van onbestemd verlangen, een verlangen dat niet alleen met geografie maar ook met tijd te maken heeft. Alsof er altijd verderop iets wacht. Dat je dat wilt geloven.

Hoe taal de wereld toch voor ons kleurt. ‘De taal als bril’ schreef August Willemsen ooit in een essay over een Braziliaanse schrijver die in zijn jeugd sterk bijziend was en pas door een toevallige bril merkte dat er meer werkelijkheid te zien was dan hij altijd had gedacht. Dat kon dus ook met taal, realiseerde hij zich, en dan kan je dat ‘meer’ zeer ruim nemen. Ruim genoeg om de verte als een vorm van het paradijs op te vatten.

We discussiëren ongeveer dagelijks over de betekenis en de kracht van woorden (‘terreur’, ‘verzet’, ‘zelfverdediging’), juist omdat woorden onze blik op de wereld veranderen en bepalen. Daarom begrijp ik vaak niet waarom niet iedereen poëzie leest, een uitingsvorm waarin de woorden zoveel meer ruimte krijgen en scheppen dan in de taal van alle dag. In literatuur sowieso. De schrijver over wie August Willemsen schreef, João Guimarães Rosa, schreef ook eens deze zin: ‘En zo verstreken minstens een jaar of zes, zes en een half, maar dan ook precies zo, en niet anders, ongelogen, want dit is een verzonnen verhaal en geen echt gebeurde geschiedenis, als u dat maar weet.’ Kijk, daar hebben we wat aan.

Het paradijs bestaat niet, we weten niet eens precies wat we bedoelen als we zeggen ernaar te verlangen, en ook niet wat we bedoelen als we denken het verloren te hebben, of als we soms menen, dat gebeurt wel eens, erin beland te zijn. Nu ja, we bedoelen dan zoiets als: totale vrede, in en met de wereld en onszelf. Geluk.

Wonderlijk dat een schilderij met wat licht op golven het verlangen daarnaar kan uitdrukken, als je die paar woorden die iets onbevattelijks uitdrukken, erbij spreekt.

Source: NRC

Previous

Next