Home

Wat in oplossingsmodellen van de wooncrisis vaak wordt vergeten, is dat niet iedereen behoefte heeft aan een luxeappartement

Nieuwkomer in mijn top-10 vervelende mensen: projectontwikkelaar Sjoerd uit De strijd om de Havenstraat. Handenwrijvend kijkt hij in de documentaireserie van AT5 uit over het Havenstraatterrein: een voormalig spooremplacement in Amsterdam-Zuid, inmiddels een verzameling loodsen met daarin ateliers en werkplaatsen.

Een van de laatste rafelranden van de stad, dat zegt Sjoerd ook. ‘Maar je kan niet al die hallen houden’, zegt hij, er is behoefte aan woonruimte, aan torens met veel appartementen erin. Goed, zegt Sjoerd: ‘Je kan wel één of twee halletjes houden, knap die op, zet daar een paar gekke dingetjes in, dat vindt iedereen leuk, ook mensen die hier straks wonen.’

Over de auteur
Doortje Smithuijsen is filosoof en journalist. Voor de Volkskrant schrijft ze essays en reportages en doet ze eens in de vijf weken dienst als tv-recensent.

Types als Sjoerd hebben het vaak geprobeerd, met ‘een paar gekke dingetjes’ de ziel van een gegentrificeerde wijk in leven houden. In de praktijk pakt dat zo uit dat elke vorm van oorspronkelijkheid plaatsmaakt voor een VVV-idee van karakter. Projectontwikkelaars lijken oprecht te denken dat je zoiets als authenticiteit kunt bewaren door een muur van een nieuwe woontoren toe te wijzen aan een graffitikunstenaar.

Maar de ziel van een buurt is niet te koop in de vorm van een werk van Street Art Franky. Zo’n ziel wordt gevormd door mensen die ergens zonder inmenging van planologen en woonstrategen hun leven opbouwen. Door het gevoel van saamhorigheid dat daaruit ontstaat. Een gevoel dat doorgaans nauwelijks nog te bespeuren is in de woontorens die op voormalige broedplaatsen en krakersbolwerken verrijzen: prefab livingconcepten waarin creatieve gemeenschap plaatsmaakt voor ingekaderde, geïsoleerde levens, allemaal gemodelleerd naar dezelfde Hay-catalogus.

Het gaat over bestaanszekerheid deze verkiezingen. Een tamelijk holle term, vermoedelijk juist populair door die betekenisloosheid: elke partij kan er zijn eigen programma mee aankleden in een jas van urgentie. Timmermans wil het minimumloon verhogen, Yesilgöz vindt het belangrijk dat de gewone man stressvrij kan tanken. Omtzigt heeft het over betaalbaar voedsel, Wilders over het afschaffen van het eigen risico.

Ik kan me voorstellen dat bestaanszekerheid voor Sjoerd zoiets betekent als: lekker kunnen wonen in een hartstikke toffe buurt.

De enige zekerheid in het bestaan van de Havenstraatbewoners is ondertussen dat het nooit zeker is. Al decennialang horen zij van projectontwikkelaars dat ze binnenkort écht het veld moeten ruimen. Hun bestaanszekerheid: het gedeelde voornemen nooit weg te gaan.

Bestaanszekerheid kan een flat betekenen met een garage eronder. Vloerverwarming, een inductiefornuis, zo’n interactieve bel. Voor de ander betekent het: kunnen blijven aanrommelen in een loods waar je al dertig jaar komt. Natuurlijk heeft Sjoerd een punt met zijn woontorens: we moeten érgens wonen met z’n allen. Maar wat in oplossingsmodellen van de wooncrisis vaak wordt vergeten, is dat niet iedereen behoefte heeft aan een luxeappartement met een Quooker in de keuken. Sommige mensen wonen al – alleen niet volgens een ontwerpbaar model.

Voor de een betekent bestaanszekerheid: alsmaar kunnen doorontwikkelen. Voor de ander betekent het: mogen blijven waar je bent.

Source: Volkskrant

Previous

Next