Verkiezingen
Dit is het dagelijkse commentaar van NRC. Het bevatmeningen, interpretaties en keuzes. Ze worden geschreven door een groepredacteuren, geselecteerd door de hoofdredacteur. In de commentaren laat NRC zien waar het voor staat. Commentaren bieden de lezer eenhandvat, een invalshoek, het is ‘eerste hulp’ bij het nieuws van de dag.
Het heeft lang geduurd, veel te lang zelfs, maar in de afgelopen jaren ontwikkelde Mark Rutte eindelijk passie voor buitenlandse politiek. Waar het buitenland, inclusief de Europese Unie, in het verleden vaak werd weggewuifd als een hinderlijke vlieg, veranderde dat rond 2018. „Ik moet zeggen: mijn persoonlijke opvattingen over het belang van de EU zijn in de loop der jaren geëvolueerd”, zei Rutte dat jaar in het Europarlement in Straatsburg. De Europese samenwerking bevatte volgens Rutte nog steeds een „transactioneel, brood-en-boter-element”, maar was, zo erkende hij, ook van wezenlijk belang voor veiligheid, stabiliteit en de rechtsstaat. Het Brexit-referendum, de annexatie van de Krim in 2014, de aanval op rechtsstaat en democratie in Polen en Hongarije: Rutte was klaarwakker.
Het was, achteraf gezien, een sleutelmoment: na jaren van krenterigheid, zowel financieel als intellectueel, toonde een Nederlandse premier zich bereid om zijn land weer een proactieve rol te laten spelen op het internationale politieke toneel, en niet alleen in de wereldhandel. Inmiddels wil Rutte zelfs het militaire bondgenootschap NAVO gaan leiden en is hij openlijk kandidaat voor die toppositie. Los van de vraag over zijn motieven en timing: de bocht lijkt genomen. Het buitenland doet ertoe, precies zoals het hoort in een land dat weliswaar achter dijken ligt maar verder in alle opzichten verweven is met de omliggende wereld.
Blijft dat ook zo? Wie de huidige campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen volgt, kan het niet ontgaan zijn: het gaat over veel zaken, maar amper over het buitenland. Journalisten vragen er niet naar, politici beginnen er niet over en de teksten in de meeste verkiezingsprogramma’s voelen als een sprong terug in de tijd. Alsof het buitenland nog steeds een plek is waar je geld verdient of op vakantie gaat, maar verder geen rekening mee hoeft te houden of alleen maar over hoeft te mopperen. De dijken kunnen altijd hoger en breder, nietwaar?
Nederlandse verkiezingen gaan nooit echt over het buitenland, en ook deze gaan vooral over sociaal-economische problemen (‘bestaanszekerheid’), de roep om een nieuwe bestuurscultuur en de vraag wie er premier wil worden maar het niet kan worden, of niet wil worden maar het wel zou kunnen worden. Desondanks zijn er goede redenen te bedenken waarom juist deze verkiezingen wél meer over het buitenland zouden moeten gaan. Al is het maar omdat er aan de grenzen van de EU voor het eerst deze eeuw een grote oorlog woedt die niet alleen bepalend zal zijn voor de bestaanszekerheid van Oekraïne maar ook voor die van de EU. Wat politieke partijen daarvan vinden is relevanter dan ooit.
Op de Europese agenda staat ook een grote, geopolitiek belangrijke uitbreiding. De Europese Commissie wil binnenkort toetredingsgesprekken beginnen met in ieder geval drie nieuwe landen: Oekraïne, Moldavië en Bosnië en Herzegovina. Sinds de coronacrisis en de oorlog in Oekraïne wordt ook de noodzaak van grotere strategische autonomie van Europa onderkend. De blijvende onzekerheid over het politieke landschap in de VS – keert Trump terug? – maken zulke vraagstukken alleen maar urgenter. En uiteindelijk is er weinig wat níet met het buitenland te maken heeft. Ook de huizenprijzen in Nederland worden beïnvloed door het rentebeleid in Frankfurt.
Wellicht is de bereidheid om in verkiezingstijd over het buitenland te debatteren afgenomen door de Gaza-oorlog. Het Israëlisch-Palestijnse conflict blijkt (opnieuw) een politiek mijnenveld. Voor politici is het, anders dan de oorlog in Oekraïne, lastig om er moreel heldere uitspraken over te doen, en dus ook niet aan te bevelen. Een meerderheid van de Tweede Kamer stelde een daad door de leus ‘From the river to the sea’ te verwerpen – en daarmee was het buitenlanddebat in campagnetijd meteen ook weer voorbij.
In een bijzonder interview deze week spreekt Robert Spronk, oud-leidinggevende van de inlichtingendienst AIVD, zijn verbazing uit over het gebrek aan aandacht in de campagne voor wat er in de wereld zoal gebeurt, in het bijzonder in Rusland. „Dit gaat óók over de soevereiniteit van Nederland.” Een oud-geheim agent die de noodklok luidt omdat politici het niet doen – het stelt niet bepaald gerust, maar het is kennelijk het maximaal haalbare op dit moment, en het is beter dan niets. Ja, het buitenland doet ertoe. Of het nou gaat om migratie of asiel, huizen- of energieprijzen, over mondkapjes en coronavaccins, over de Russische invloed op ING of over de vooralsnog mislukte krimp van Schiphol: steeds bonkt het buitenland weer op de deur, of we dat willen of niet. Dat er niemand opendoet, is heel zorgelijk.
Source: NRC