Kunstenaar Anselm Kiefer gooit nooit iets weg. Ook schilderijen en sculpturen die toch niets worden, bewaart hij, netjes gearchiveerd en wel. Wie weet gaat hij het nog eens gebruiken, of zal hij er zelfs weer mee verdergaan, of blaast hij het ooit nieuw leven in en transformeert hij het. Bijvoorbeeld door het (deels) te verbranden, of door er kokend lood overheen te gieten.
In de onlangs uitgebrachte 3D-documentaire Anselm van Wim Wenders is te zien hoe Kiefer dat doet, hoe het lood sissend in het rond spettert, wat voor een alchemistische tovenaar Anselm Kiefer is in zijn studio. In die werkelijk gigantische ruimte, in het voormalige magazijn van een Parijs’ warenhuis, 36 duizend vierkante meter groot, zijn vuur en blusapparaten net zo onmisbaar als kwasten en doeken. De nog altijd kwiek doorwerkende Kiefer (78) verplaatst zich er bij voorkeur per fiets.
Onze gids dit weekeinde is een rubriek in Volkskrant Magazine waarin een bekend persoon (op velerlei terreinen) uit binnen- of buitenland ons gidst langs zijn of haar favorieten.
‘Ik ga in mijn werk altijd verder, verder, verder’, vertelt Kiefer in museum Voorlinden in Wassenaar, waar een overzichtstentoonstelling van zijn werk te zien is. ‘Als je alles weggooit, kun je niet verder, dan begin je steeds opnieuw. Mijn werk is een constante stroom; het ene vloeit voort in het andere.’
Toen hij in 1992 vanuit Duitsland verhuisde naar een voormalige zijdefabriek in het Zuid-Franse Barjac, kwamen er tachtig vrachtwagens vol werk en materiaal met hem mee. Hij bouwde er een kunstuniversum met hoge torens en een ondergronds gangenstelsel, een mengsel van atelier en laboratorium en almaar uitdijend privé-openluchtmuseum (sinds kort ook opengesteld voor publiek). Toen hij vijftien jaar later nabij Parijs ging wonen en werken, bracht hij vanuit Barjac 120 vrachtwagens met zich mee – en dat terwijl hij er toch ook héél veel achterliet.
Het niet-willen-weggooien is in lijn met wat hij maakt: kunstwerken vol verwijzingen naar de Duitse geschiedenis en cultuur, die er vaak aan herinneren hoe we het verleden verzwijgen, ontkennen en wegstoppen in boeken en archieven, in plaats van het onder ogen te komen en te onderzoeken. ‘Alles wat ik maak, komt voort uit herinneren, en creëert ook weer nieuwe herinneringen. Het is allemaal puin, in zekere zin, en het is allemaal materiaal voor het volgende bouwsel, stof voor het volgende weefsel.’
In het vaak immens grote werk van Kiefer keert een aantal ongebruikelijke materialen, zoals lood en stro, steeds weer terug. In Voorlinden staat een sculptuur van stapels loden boeken met ijzeren kettingen eromheen, dat meer dan tienduizend kilo weegt. Verderop hangt een enorm doek van een landschap waarin een zeis is verwerkt. Allerlei tegenstellingen komen hier in één beeld samen: een symbool van de dood bij levend land, licht en zwaar, schepping en destructie.
Voorlinden focust vooral op Kiefers werk van de afgelopen vijftien jaar. Er hangt zelfs een schilderij dat zo nieuw is, dat de verf er tijdens de opening nog vanaf drupt. Verrassend zijn de zalen met erotische waterverfschilderijen, die Kiefer schilderde in zelfgemaakte boeken van karton en gips. Op elk ervan staat een naakt vrouwenlichaam afgebeeld, soms intiem, vaak ronduit seksueel en dierlijk, in houdingen waarin je werkelijk alles onverbloemd kunt zien. Deze vrouwen zijn diep in een erotische roes verzonken en gaan op in hun genot, ze zijn helemaal niet bezig met mooi zijn, maar zijn (toch, juist) prachtig en echt.
Hoe heeft hij die vrouwen toch zo goed kunnen treffen? Kiefer reageert eerst een tikje defensief, alsof hij dat allemaal vanzelfsprekend vindt: ‘Ik had daar gewoon modellen voor, en soms zijn het vriendinnen met wie ik samenwoonde.’ Dan: ‘Maar ik ben zelf ook heel vrouwelijk, moet je weten! Ik voel me een halve vrouw. In New York ging ik uit in vrouwenkleding.’
Een bij het interview aanwezige medewerkster van Kiefer onderbreekt hem eventjes voor een subtiele toelichting: ‘Dan heeft hij het wel over de vroege jaren negentig. Dus dat is dertig jaar geleden.’ Kiefer moet lachen.
De waterverfnaakten lijken in Kiefers oeuvre een eigen plek in te nemen. Het werk is kleiner, hij gebruikt andere materialen. Destructie en verval lijken hier plaats te maken voor een persoonlijker wereld, eentje die barst van wat Freud ooit ‘eros’ noemde: levensdrift, seksuele drift en scheppingsdrang.
Dat ziet Kiefer zelf anders. Geregeld schildert hij citaten op zijn doeken uit mythes, literatuur of filosofie, en nu haalt hij Nietzsche aan: ‘Weet je, een klein aquarel van een naakte vrouw of een immens schilderij van een tarweveld... voor mij is dat allebei heel ‘erotisch’. Nietzsche zei dat hij een dag waarop er niet gedanst werd, als een verloren dag beschouwde. Dat bedoelde hij niet alleen lichamelijk – hij danste in zijn gedachten. Hij danste in zijn werk. En ik? Ik dans voor mijn schilderijen.’
‘Waarom Paul Celan op mijn nachtkastje ligt? Celan laat ons zien wat ons leven is in het licht van de geschiedenis, de aarde en de kosmos.’ In klinkend Duits draagt Anselm Kiefer uit zijn hoofd Celans gedicht Fadensonnen* voor: ‘Fadensonnen / über der grauschwarzen Ödnis / Ein baum- / hoher Gedanke / greift sich den Lichtton: es sind / noch Lieder zu singen jenseits / der Menschen.’
Ik kende vroeger wel zo’n tweehonderd gedichten van hem uit mijn hoofd. Naarmate ik ouder word, begin ik tot mijn spijt steeds meer te vergeten.
Lang geleden heb ik ook wel geprobeerd om poëzie te schrijven. Toen ik 16 was, won ik zelfs een schrijfprijs. Het was in die tijd een groot dilemma voor mij of ik schrijver of schilder moest worden. Een mens kan het niet allebei doen. Heb je weleens de teksten van Picasso gelezen? Dat toneelstuk dat hij schreef? Ik heb het allemaal gelezen, het is totale onzin.
Ik schrijf nog altijd heel veel, ik schrijf elke dag in mijn dagboek, maar vooral voor mezelf.’
*‘Draadzonnen / boven grauwzwarte kaalslag. / Een boom-/hoge gedachte/slaat de lichttoon aan: er zijn / nog liederen te zingen voorbij / de mensen.’ (vertaling Ton Naaijkens.)
‘In de 9de eeuw zou Karel de Grote trouwen met keizerin Irene, heerseres van Constantinopel, en zouden het Karolingische en het Byzantijnse rijk worden samengevoegd. Hij ontwikkelde toen een plan om de Rijn via de rivier de Main met de Donau te verbinden. Dat huwelijk is nooit voltooid, en het plan raakte in de vergetelheid. Maar wie wilde het werk later toch nog weleens even afmaken? Dat was de aartsconservatieve Duitse politicus Franz Josef Strauss, die het werk in de jaren zeventig van de 20ste eeuw heeft voltooid. Dus nu kun je over water van Istanbul naar Aken. Maar, en nu komt het: niemand gebruikt dat kanaal! Het is absoluut geen succes. Grappig toch? Iemand die duizend jaar later een mislukt huwelijk alsnog wilde doen slagen en de twee machtige rijken wilde samenbrengen.
Of ik dat kanaal volkomen nutteloos vind? Nee hoor, voor mij heeft het zeker nut: ik kan me er enorm mee amuseren!’
Omdat het werk van Anselm Kiefer vol zit met expliciete verwijzingen naar de Duitse filosoof Martin Heidegger, verbaast het antwoord op de vraag wie zijn lievelingsfilosoof is: ‘Dat is de Italiaanse filosoof Andrea Emo. Ik ontdekte Emo zeven jaar geleden, een vriend van me stuurde me een bloemlezing van zijn werk. Hij is sindsdien enorm belangrijk voor mij geworden.
Emo is sterk geïnspireerd door Heidegger, die schreef over het zijn en het niets. Volgens Emo is het niet zo dat iemand of iets eerst bestaat, en later niet meer; je hebt niet éérst het leven, en dan pas de dood, die daar chronologisch op volgt. De twee gaan steeds samen, zijn onlosmakelijk verbonden, ze bestaan gelijktijdig en komen uit hetzelfde voort. Voor mij was dat een openbaring, alsof hij de manier beschreef waarop ik zelf dingen maak. Zodra ik iets creëer, staat vast dat het ook ten onder zal gaan, vernietigd zal worden, niets zal zijn.’
‘De muziek van componist, mysticus, schrijver en wetenschapper Hildegard von Bingen is van een grote eenvoud. Heel mooi vind ik haar muziek. Ik luister er graag naar in mijn studio als ik even niet werk. Ik luister trouwens ook vaak naar de late kwartetten van Beethoven. Nooit tijdens het werken zelf, maar in de pauzes, om iets te hebben om over na te denken als ik weer verderga.’
‘Ik hou erg van absurdistisch theater, van Eugène Ionesco en Samuel Beckett. Maar mijn favoriete absurdistische theatermaker was de Poolse Tadeusz Kantor. Voor zijn stukken ging ik speciaal op en neer uit Duitsland naar Frankrijk, ik was goed bevriend met hem en zijn acteursgezelschap. Na afloop gingen we vaak tot de vroege ochtend drinken in Parijs. Hij was ook een belangrijke inspiratiebron voor Pina Bausch, haar werk zou zonder hem niet denkbaar zijn geweest. (In 2011 maakte Wim Wenders de 3D-documentaire Pina over het werk van deze Duitse choreograaf, red.)
Kantor speelde met zijn gezelschap meestal in het Chaillot-theater, in de kelder van het Musée de l’Art Moderne de la Ville de Paris. Hij zat op het podium en vertelde iedereen ter plekke wat ze moesten doen. Zijn werk zat vol katholicisme, mythologie, geschiedenis, autoritarisme – maar waar het over ging, laat zich onmogelijk navertellen. Helaas heeft zijn werk het niet erg overleefd, het leent zich er niet voor om door anderen te worden opgevoerd.’
‘Het architectenbureau van Anne Lacaton en Jean-Philippe Vassal is geweldig. Ze werken altijd met bestaande gebouwen en woningblokken: ze verwoesten niets, parasiteren ook niet op wat er al is, maar weten dat wat er al is te transformeren, bijvoorbeeld door oude socialewoningbouwcomplexen uit te breiden met ruime, overdekte balkons, waarmee die woningen compleet veranderen. In 2021 wonnen ze de Pritzker Prize voor hun oeuvre.
Ik hou trouwens ook erg van Le Corbusier. Toen ik nog studeerde mocht ik eens drie weken in een dominicanenklooster verblijven dat hij heeft ontworpen, Sainte Marie de La Tourette. Ik was er diep van onder de indruk; het ontwerp is fantastisch. En Corbusiers beroemde kapel bij Ronchamp: hoe het licht daar naar binnen valt is ongelofelijk.’
‘Leos Carax vind ik echt fantastisch, de regisseur van onder meer Holy Motors (2012) en Annette (2021). Mijn lievelingsfilm van zijn hand is Les amants du Pont-Neuf uit 1991, met Juliette Binoche en Denis Lavant, over twee daklozen in Parijs, die bij de Pont-Neuf verliefd op elkaar worden. Een waanzinnige film, ik zie de beelden van die twee op de brug over de Seine zo weer voor me, zo uitbundig, fantasierijk en droomachtig. Carax maakte opnamen vanuit boten, experimenteerde met vuurwerk en dans en wervelende montage – hij filmde als een choreograaf.’
Anselm Kiefer – Bilderstreit. Tot en met 25/2, museum Voorlinden, Wassenaar.
8 maart 1945 Geboren in Donaueschingen, Duitsland.
1965-1969 Studies rechten en Romaanse talen aan de universiteit van Freiburg, stapt over naar de kunstacademies van Freiburg en Karlsruhe, waar hij afstudeert.
1980 Vertegenwoordigt Duitsland op de Biënnale van Venetië, samen met Georg Baselitz.
1981 Eerste expositie in de Verenigde Staten; gevolgd door exposities wereldwijd in alle toonaangevende musea.
1988 Vertegenwoordigt Duitsland op de Biënnale van São Paulo.
1992 Verhuist naar het Zuid-Franse Barjac en creëert er een eigen kunstuniversum.
2007 Verhuist zijn atelier naar een complex nabij Parijs.
2022 Het voormalige atelier in Barjac wordt opengesteld voor publiek.
Anselm Kiefer won vele prijzen, waaronder de Deutscher Nationalpreis in 2023. Zijn werk is opgenomen in museumcollecties van onder andere het MOMA, het Tate Modern en het Louvre.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden