Sarah Bakewell is dol op Desiderius Erasmus, de 16de-eeuwse filosoof uit Rotterdam. ‘Hij was zo veelzijdig’, zegt de Britse auteur op een verregende vrijdagochtend in het Ambassade Hotel in Amsterdam. ‘Hij was een toegewijde Bijbel-exegeet die het Nieuwe Testament vertaalde. Maar hij schreef ook in verhandelingen waarom de mens niet gemaakt is voor oorlog. Onze armen zijn bijvoorbeeld veel geschikter om mee te omhelzen dan om mee te vechten. En als we een geschubd harnas of een plaatpantser willen dragen, moeten we daar een speciaal pak voor aantrekken – zelf hebben we een zachte huid.’
Ook zijn ideeën over opvoeding spreken Bakewell aan. Snuit niet te hard je neus, want trompetteren is wat olifanten doen, tipt Erasmus onder meer. In het geval van winderigheid was hij het niet eens met etiquette-experts die erop aandrongen om je achterste samen te knijpen en zo de uitgang te blokkeren – het behoorde immers ‘niet tot de goede manieren’ om jezelf een ziekte te bezorgen. Daarom raadde hij aan het geluid te verhullen met een kuchje. ‘Ik houd van het idee dat als regeringsleiders maar stilletjes hun scheten laten, ze de wereldproblemen zouden oplossen’, zegt Bakewell, wier ogen permanent twinkelen.
Over de auteur
Gijs Beukers is mediaredacteur bij de Volkskrant. Hij schrijft vooral over televisie, podcasts en boeken.
Erasmus is een van de hoofdrolspelers in De humanisten – Dromers, denkers en onderzoekers die de wereld veranderden, het onlangs bij uitgeverij Ten Have verschenen boek van Bakewell. Zij is docent creatief schrijven aan de Universiteit van Oxford en brak in 2010 internationaal door met Hoe te leven – Een leven van Montaigne in één vraag en twintig pogingen tot een antwoord. Waar ze zich daarin alleen richtte op het werk van de 16de-eeuwse Franse filosoof, is haar nieuwe boek ambitieuzer van opzet: in vijfhonderd pagina’s brengt ze ruim zevenhonderd jaar humanisme tot leven.
Dat doet ze door zich niet alleen te richten op de denkbeelden van schrijvers, wetenschappers en filosofen, maar ook op hun levens. Omdat die nooit saai zijn, is het boek dat ook niet. Je hebt gevoel het script te lezen van een Hollywood-productie met een cast die bestaat uit – en dit is een kleine greep – Petrarca (1304-1374), Erasmus (rond 1466-1536), Voltaire (1694-1778), Mary Wollstonecraft (1759-1797), Wilhelm von Humboldt (1767-1835), Frederick Douglass (1818-1895), Oscar Wilde (1854-1900), Lejzer Zamenhof (1859-1917) en Arthur C. Clarke (1917-2008).
Als Voltaire zijn door de censor verboden boeken via handlangers met koffers met dubbele bodem Frankrijk probeert in te smokkelen, denk je aan Indiana Jones. Als het gaat over de seksuele escapades van Wilhelm von Humboldt, gaan de gedachten naar Gossip Girl. Typerende alinea: ‘Naast zijn educatieve werk was Humboldt een kunstverzamelaar, een serieuze taalkundige en uitgesproken kinky in zijn seksleven. Benieuwd wat voor kunst hij verzamelde en welke talen hij bestudeerde? Lees dan verder.’
Iets soortgelijks deed ze in haar vorige boek, De existentialisten. Tijdens het lezen van die bestseller uit 2016 waan je je in het Parijse literaire café Les Deux Magots terwijl Jean-Paul Sartre, Simone de Beauvoir, Albert Camus en Maurice Merleau-Ponty met sigaretten en abrikozencocktails binnen handbereik aan je uitleggen wat het existentialisme nou precies inhoudt.
‘Bakewelliaans’ is een term die in The New York Times werd gemunt door Eric Banks, de directeur van het New York Institute for the Humanities. ‘Het enthousiasme spat van de pagina’s – dat is haar persoonlijkheid’, zei hij. ‘Er is een oude grap over het belang van het eten van groenten. Maar bij haar krijg je nooit het gevoel dat je iets moet lezen omdat het goed voor je is.’
‘Mijn boeken gaan niet over filosofen die vanuit hun ivoren toren de wereld beschouwden’, zegt Bakewell, die in Nederland is voor optredens bij het Brainwash Festival en het Humanistisch Verbond. ‘Ze gaan over denkers die naar hun filosofie leefden. Hoe mensen leven is toch veel interessanter? Het humanisme is trouwens nauwelijks een filosofie te noemen, het is eerder een manier van leven.’
‘Het is moeilijk te definiëren, het kan van alles betekenen. In de Engelssprekende wereld is het vaak het idee dat het nastreven van een goed en betekenisvol leven goed mogelijk is zonder religie. Maar dat is niet de enige definitie. Je hebt ook de traditie van de humanities, de geesteswetenschappen: het bestuderen van de kunsten, literatuur, geschiedenis. En dan heb je nog de algemene, filosofische betekenis. Hierbij staat het welzijn van mensen centraal en niet het dienen van een overkoepelende ideologie, zoals de staat of de kerk. Wat die drie definities met elkaar verbindt, is volgens mij het begrip human, menselijk.’
‘Ik blijf terugkeren naar een uitspraak van Terentius, een schrijver uit de 2de eeuw voor Christus: ‘Ik ben een mens, en niets menselijks is mij vreemd.’
‘Een personage in een van zijn blijspelen reageert zo op de vraag waarom hij zo’n luidruchtige buurman is. Hij bedoelt dat hij er niets aan kan doen, hij is nu eenmaal een mens. Het was een grap, maar werd uiteindelijk een motto van de humanisten – Montaigne liet het op de dakbalken van zijn toren schilderen.
‘Ik denk dat dit een samenvatting is van een essentieel humanistisch idee: dat we door onze menselijkheid met elkaar verbonden zijn. Hoewel we allemaal van elkaar verschillen, zijn we altijd in staat iets van onszelf in anderen te herkennen.’
‘Een van mijn favorieten is Robert Ingersoll, een 19de-eeuwse Amerikaanse vrijdenker. Zijn credo luidt als volgt.’ Bakewell citeert:
Geluk is het enige goede.
De tijd om gelukkig te zijn is nu.
De plaats om gelukkig te zijn is hier.
De manier om gelukkig te zijn
is door anderen gelukkig te maken.
‘Vooral die laatste zin is belangrijk voor me. Het draait niet alleen om het najagen van je eigen geluk. Door andere mensen gelukkig te maken word je het zelf waarschijnlijk ook. Ik probeer daarnaar te leven.’
‘Het idee van een Renaissance, een wedergeboorte van morele, politieke en literaire ideeën uit de klassieke oudheid, komt van Petrarca – al muntte hij de term niet. Hij speurde naar in de vergetelheid geraakte teksten, om die vervolgens te redigeren, te kopiëren en te distribueren.
‘Vaak waren er verwijzingen naar een werk van bijvoorbeeld Cicero, maar kon dat nergens worden teruggevonden. Petrarca rouwde voortdurend om verloren gegane bibliotheken en manuscripten. Tegelijkertijd was er ook soms een gevoel van optimisme, er was altijd de kans dat iets ineens toch gevonden werd.
‘Boccaccio was eveneens een bijzondere figuur. Vaak kwam hij depressief over, maar hij kon ook ineens uitbundig en opgetogen zijn. Met puppyachtig enthousiasme klopten hij en Petrarca aan bij Europese kloosters, in de hoop op een bijzondere vondst.’
‘Degenen die ik het interessantst vind, zouden misschien niet het beste gezelschap vormen, omdat ze al snel zouden vechten. Ik houd van uitgesproken persoonlijkheden.
‘We hebben nog weinig over vrouwen gesproken, en het klopt dat er vooral mannen in mijn boek staan, maar ik zou graag Mary Wollstonecraft aan tafel willen hebben, schrijfster van A Vindication of the Rights of Woman. Vrouwen werden in de 18de eeuw geacht preuts te zijn en stil, maar dat was zij bepaald niet. Mensen zeiden dat ze nooit eens haar mond hield, ze bleef maar praten – maar wat ze zei, was altijd interessant. Ik denk wel dat het risico groot is dat ze aan het einde van de avond met haar eten begint te gooien.’
‘Ik denk Bertrand Russell, een Britse filosoof uit de 20ste eeuw. Hij was zeer geestig en je kon geweldige gesprekken met hem voeren – hij had altijd iets te zeggen dat de moeite waard was. Maar ook bij hem is de kans groot dat hij zich zal misdragen.’
‘Zeker. En ik denk dat zij er misschien wel voor zal gaan.’
‘Erasmus, om de eerder genoemde redenen.’
‘Hij zou geweldig gezelschap zijn. Maar misschien wil ik dat een dergelijk diner iets… (ze laat een korte stilte vallen) wilder is.’
‘Ik ben zeer geïnteresseerd in de Oostenrijker Stefan Zweig, die in de 20ste eeuw een boek over Erasmus heeft geschreven. Volgens hem was Erasmus een van de belangrijkste humanisten door te stellen dat we humaner zouden zijn als we maar wat meer literatuur zouden lezen. Maar de geschiedenis blijft die theorie weerleggen. Keer op keer blijkt de mensheid buitengewoon gewelddadig.
‘Mijn eigen kijk is minder zonnig dan die van Erasmus. Maar ik denk dat het gevaarlijk is om te wanhopen. Want als we denken dat er niets goeds is aan de mensheid, dat we een soort plaag vormen, wat je nu steeds vaker hoort, dan neemt dat ook ons gevoel van verantwoordelijkheid weg. Dan kijken we naar het menselijk leed dat we hebben aangericht, de afnemende biodiversiteit, de opwarming van het klimaat – en kunnen we vervolgens onze handen in de lucht gooien en zeggen dat er niets aan te doen is. We moeten hoop houden.’
Volgens Erasmus en andere humanisten als Wilhelm von Humboldt moest het onderwijs niet alleen draaien om kennisverwerving, maar vooral ook om persoonlijke ontwikkeling: kinderen moesten zich ontplooien tot belezen en morele individuen. Onlangs schreef columnist David Brooks in het blad The Atlantic dat de Amerikaanse samenleving steeds gemener wordt, onder meer doordat scholieren vooral nog leren hoe ze hoge cijfers moeten halen om bij de goede universiteiten binnen te komen. Van de klassieke Bildung – een term die afkomstig zou zijn van Von Humboldt – komt weinig meer terecht, aldus Brooks.
‘Het klopt wel dat educatie nu vooral draait om het verkrijgen van bepaalde vaardigheden of technische know-how’, zegt Bakewell. ‘Natuurlijk is dat ook belangrijk, zeker als je later chirurg wilt worden. Maar het idee dat je op school leert hoe je een goed mens wordt, is de afgelopen eeuw wel erg in de verdrukking geraakt.’
‘Dat klinkt als iets wat volwassenen al eeuwen over kinderen zeggen, dat ze zich respectloos gedragen. Ik denk eigenlijk dat jonge mensen juist een grote betrokkenheid tonen, ze willen de wereld een leefbare plek houden en de rotzooi opruimen waar we in terecht zijn gekomen. Ze zijn niet gemener geworden, integendeel.’
‘Dat is een citaat van de Amerikaanse schrijfster Zora Neale Hurston (1891-1960), die overigens ook welkom zou zijn bij het diner. Zij wilde daarmee zeggen dat ze niemand het gevoel van zingeving wil ontzeggen dat van religie afkomstig kan zijn. Maar Neale Hurston heeft genoeg aan de gelukzaligheid van de dagelijkse zonsop- en ondergang. Zo denk ik er ook over.’
‘Iedereen die nadenkt over de vraag wat het betekent om mens te zijn, zal waarschijnlijk minimaal eens in zijn leven in het Anne Frank Huis willen zijn geweest.’
Bakewell werd in 1963 geboren in de Zuid-Engelse plaats Bournemouth. Ze studeerde literatuur en filosofie aan de Universiteit van Essex. Hierop verhuisde ze naar Londen om schrijver te worden, en werkte daar onder meer in een theezakjesfabriek. Een jaar of dertig geleden zocht ze in een trein in Hongarije iets om te lezen, en stuitte ze op De essays van Michel de Montaigne. Ze raakte gefascineerd en schreef in 2011 Hoe te leven – Een leven van Montaigne in één vraag en twintig pogingen tot een antwoord, dat haar doorbraak betekende.
Sarah Bakewell: De humanisten – Dromers, denkers en onderzoekers die de wereld veranderden. Uit het Engels vertaald door Karl van Klaveren en Indra Nathoe. Ten Have; 512 pagina’s; € 29,99.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden