Home

Een boek bij de verkiezingen

Het jaar 1977 was een keerpunt in de politieke geschiedenis van Nederland. Het wippen van het links-progressieve kabinet-Den Uyl markeerde het begin van een nieuwe tijdgeest, die later als ‘neo-liberaal’ zou worden aangeduid. De collectieve mens ingebed door verzuilde structuren ging plaats maken voor het ongekroonde individu in een ik-samenleving. De Franse filosoof Jean-François Lyotard (La condition postmoderne, 1979) en de Amerikaanse historicus Christopher Lasch (The Culture of Narcissism, 1979) gaven er ongeveer tegelijkertijd duidende woorden aan.

Dit tijdvak voor geprivatiseerde staatsburgers wordt nu afgesloten. Niet langer staat het individu in het brandpunt van de politiek. Alle ogen zijn juist gericht op de ‘gemeenschap’. Alleen die kan zich kennelijk ontfermen over de ‘verweesde samenleving’, zoals spijtoptant Pim Fortuyn, in zijn eigen leven trouwens een vette spekkoper van de vermaledijde liberaliteit, een kwart eeuw geleden de ‘puinhopen’ van de Paarse macht diagnosticeerde. Zelfs in het programma van de VVD komt het mensbeeldige begrip ‘individu’ tegenwoordig alleen in negatieve zin voor.

De conclusie dat 1977 niet zozeer de climax was van de naoorlogse trente glorieuses maar veeleer het begin van een neoliberale tijd is in de Nederlandse historiografie geen gemeengoed. Mede door de escalatie van het linkse terrorisme van de Rote Armee Fraktion (Deutschland im Herbst anno 1977) en de Brigate Rosse (de moord op de christendemocratische politicus Aldo Moro in 1978) wordt het laatste kwart van de jaren zeventig veelal gezien als de doorgedraaide politisering van de culturele revolutie der jaren zestig.

In het Duitse taalgebied is de kijk op dit tijdsgewricht wel veelzijdiger. Daar worden de jaren zeventig niet alleen bekeken als het begin van de machtsaanspraken van babyboomers die toen, net als Pim Fortuyn, aan hun lange mars door de instellingen begonnen en pas decennia later begonnen te klagen over de contra-indicatieve gevolgen, maar ook als de kraamkamer van de postmoderne tijd, waarin de hiërarchie van de gestaalde industriële twintigste eeuw haar hegemonie verloor ten gunste van een digitale postindustriële maatschappij die juist draaide op ik-bv’s en andere zzp-achtige constructies.

Deze overgang van collectieve massapolitiek naar identiteitspolitiek, een onvermijdelijk bijverschijnsel van de digitale revolutie, was niets minder dan een politieke omwenteling, vergelijkbaar met de uitvinding van de stoommachine in de economie. In 1977. Eine kurze Geschichte der Gegenwart werkt historicus Philipp Sarasin, hoogleraar in Zürich, deze notie nader uit. Hij bestrijkt een breed spectrum: van harde economie tot zachte popmuziek, van geweldsfetisjisme tot naïef anarchisme. ‘De erfenis van 1977 is doordrenkt van een diepe ambivalentie. De winst van vrijheid, diversiteit en inclusiviteit, die niet in het minst door internet, veel perspectieven heeft gekregen, kan niet hoog genoeg worden geschat. Maar dat geldt ook voor de prijs die we daarvoor moeten betalen’, aldus Sarasin die in 1977, net als ik, 21 jaar werd.

Over de kosten gaan de verkiezingen van de 22ste november, over de baten niet of nauwelijks. Veel politici en duiders zijn namelijk bang om de paradoxale verworvenheden openlijk aan de orde te stellen. Ze ontlopen die complexe vraag liever door het liberale scheidsvlak simpelweg te verwerpen en tegelijkertijd door de collectieve jaren vijftig juist te idealiseren. Sarasin biedt in 1977 het nodige tegengif tegen deze anti-historische mentaliteit die de politiek in Nederland is gaan overwoekeren.

Philipp Sarasin: 1977. Eine kurze Geschichte der Gegenwart. Suhrkamp Verlag, 502 blz. € 32,-

Wat mij betreft is er eigenlijk maar één boek dat de kiezer zou moeten lezen voor hij het stemhokje ingaat: De wereld van gisteren. In deze wereldberoemde memoir uit 1942 vertelt Stefan Zweig (1881-1942) hoe hij opgroeide in het veilige, welvarende en vooral extreem optimistische Wenen van de Habsburgers. De westerse elite, waar Zweig deel van uitmaakte, geloofde zo tegen het einde van de negentiende eeuw dat het paradijs op aarde nabij was. De mens zou zich met alle moderne inzichten moreel verheffen en techniek zou de rest doen: barbaarse tijden vol honger, onderdrukking en geweld zouden definitief tot het verleden behoren. Tegen elk denkbaar ongeval kon je je verzekeren, alles kende hoe dan ook een vrolijk einde.

Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak schrok Zweig wakker uit deze droom, om tot zijn afgrijzen te ontdekken dat zijn omgeving de strijd juist verwelkomde en er van overtuigd leek dat het alleen maar goed kon aflopen. Opgewekt stuurde men zijn kinderen naar de loopgraven. Het zou nog een hele tijd duren voor in Oostenrijk het besef begon te dagen dat ze zich alles veel te rooskleurig hadden voorgesteld, met alle gevolgen van dien: op de Eerste Wereldoorlog volgde een tijd van bittere armoede, hyperinflatie en een periode van enorme politieke onrust. En toen moest de Tweede Wereldoorlog nog beginnen.

Er zijn veel parallellen tussen de wereld van toen en die van nu. De meerderheid van de Nederlandse stemgerechtigden groeide ook op in een relatief stabiele tijd, waardoor velen lijken te geloven dat vrede, voorspoed en veiligheid vanzelfsprekend zijn, in plaats van kunstmatige en vooral zeer tijdelijke constructen die continu onderhoud behoeven. Wanneer een land te lang de wind mee heeft, en dat illustreert De wereld van gisteren wat mij betreft als geen ander boek, kan de waakzaamheid van zowel burgers als bestuurders verslappen. Men kan het feit dat de boel niet instort als een recht gaan beschouwen, en komt daardoor, zoals Zweig keer op keer laat zien, pas in actie als het eigenlijk al te laat is.

De wereld van gisteren is één lange, prachtig geschreven waarschuwing om te blijven kijken naar een leefbare lange termijn, om altijd realistisch te blijven en vooral: dat in het verleden behaalde resultaten geen garantie bieden voor de toekomst. Dat waakzaamheid altijd geboden is, juist als het fantastisch gaat.

Stefan Zweig: De wereld van gisteren (Die Welt von gestern). Vert. Willem van Toorn. De Arbeiderspers, 432 blz. € 35,99

Democratie en de vrije markt zijn een slecht huwelijk, waarin de partners het liefst toch bij elkaar blijven. Met elkaar is het constant ruzie, maar zonder elkaar gaan ze dood. Het is verleidelijk daar een biologische metafoor bij te zoeken – ‘symbiose’ voor wie neutraal naar het conflict wil kijken, ‘parasitisme’ voor wie moeite heeft met het kapitalisme.

De kracht van Robert Dahl, de Amerikaanse politicoloog die met deze klassieke vergelijking komt in On Democracy (1998) is juist dat hij geen woorden verspilt aan dat soort mooischrijverij. Dahl is van de simpele vragen – wat is macht? wie bestuurt het land nu echt? – en de genuanceerde antwoorden.

Een simpele vraag in het Nederland van 2023: hoezo kiest dat bóze land telkens tegen verandering? Hoe kan het dat jaar na jaar nieuwe politici succesvol kapitaliseren op maatschappelijk chagrijn en de noodzaak tot verandering, en ‘Den Haag’ ondertussen voortkabbelt? Hoeveel partijen hebben we inmiddels niet, namens alle Nederlanders die zich tekort gedaan voelen? Pim Fortuyn, Geert Wilders, Thierry Baudet, Caroline van der Plas, Pieter Omtzigt: verkiezingen in Nederland lijken soms ground hog day voor ‘de nieuwe leider’.

Hoezo? Wie On Democracy er nog eens op naslaat vindt minstens drie antwoorden. Allereerst natuurlijk dat door globalisering en sociale media het lastiger is dan vroeger een samenhangende politieke visie te presenteren. Veel belangrijke beslissingen vallen buiten Nederland, nieuws verspreidt zich in een ongekend tempo. Politieke ondernemers vinden zo telkens andere mogelijkheden om eventjes te scoren met een verhaal dat lekker klinkt maar niet veel hout snijdt.

Ten tweede dat al die zogenaamde vernieuwers zich vooral druk maken om immigranten, stikstof of de overheid zelf. Ze schuren hooguit met veel kabaal langs de kern, het beperkt houden van sociale en economische ongelijkheid. Zo blijft het chagrijn springlevend en is er altijd weer plek voor de nieuwste vernieuwer. En Dahl zegt ten derde ook: doormodderen is zo erg nog niet. Leren van fouten is cruciaal voor democratie. Pas als mensen zeggen dat het kan zonder partijen ontstaat autoritarisme.

Wel zou het beter zijn wanneer burgers meer snappen van de publieke zaak. Want hoe vluchtiger de politieke partijen, hoe meer sociale mediaondernemers (Elon Musk, Mark Zuckerberg) als nieuwe dominees het debat bepalen. Iets minder consumentisme bij het zoeken naar wéér een andere partij of wéér een nieuw gezicht en iets meer bereidheid om ook zorgen van anderen mee te laten wegen bij je stemkeuze zou beter zijn. Dan houdt dat slechte huwelijk wat langer stand.

Robert A. Dahl: On Democracy. Yale University Press, 288 blz. € 19,00 (nieuwe editie met een inleiding en twee hoofdstukken van Ian Shapiro)

Een kalme campagne. Middenpartijen die conflictvermijdend zijn, lijsttrekkers die tijdens debatten vooral hun overeenkomsten benadrukken en nauwelijks gepassioneerd zijn. Waarom toch zo voorzichtig? Het simpele antwoord is dat politici bang zijn om stemmen te verliezen met een impopulair verhaal. Maar wellicht is er meer aan de hand. Want hoe zit het eigenlijk met de Nederlander? José Ruiz de Arana y Baüer, ook wel bekend als Hertog de Baena, meende in 1967 hier al een antwoord op te formuleren. In Het raadsel Nederlander (The Dutch Puzzle) pende deze Spaanse diplomaat, die drie keer langere tijd in Nederland verbleef en zich in elitaire kringen bevond, op licht ironische toon zijn observaties neer over het volkskarakter en levenswijze van de Nederlanders.

Zelf de onstuimigheid van zijn Spaanse medeburgers gewend, omschrijft Hertog de Baena de Nederlander als ‘kalm, saai en zonder verbeeldingskracht’. Tegelijkertijd constateert hij dat het karakter van de Nederlander paradoxale trekken vertoont. Want die schijnbare onverstoorbaarheid stemt volgens hem niet werkelijk overeen met het wezen van de Nederlander.

Zo meent hij dat er wel degelijk een rusteloosheid ‘diep begraven ligt in de Nederlandse ziel’. Waarom die emotie er echter niet uitkomt heeft volgens hem te maken met ‘de worsteling in de Nederlander tussen de ontzegging van genot en zijn genotzucht’.

Oftewel, de innerlijke tweestrijd die hij ‘de botsing tussen de werelden van JAN STEEN en CALVIJN’ noemt.

Want zijn jonge Nederlanders in eerste instantie nog fris, onbedorven en geestdriftig, na de universiteit, op de drempel van de burgermaatschappij, worden zij ‘overvallen door een heilloze kramp’, aldus de hertog. ‘De Nederlanders geven deze kramp de onschuldige namen van terughoudendheid, bescheidenheid en verlegenheid. En die elementen zitten er ook werkelijk wel in, maar zij zijn overgoten met een saus van wat nog niet zo lang geleden orthodox Calvinisme was, de waker over het zedelijk gedrag, die thans regeert onder de naam van socialistische democratie.’

Deze innerlijke verkramping zorgt ervoor dat de Nederlander vooral veel waarde hecht aan gematigdheid. Een levens- en denkwijze die misschien wel bijdraagt tot de innerlijke vrede en rust in Nederland – ‘want daardoor hebben de Nederlanders iedere vorm van politiek extremisme weten te voorkomen’ – maar er ook voor zorgt dat de Nederlander belandt in een toestand die niet langer ‘gematigd’ is maar eerder ‘middelmatig’. Hoe dit te verenigen met de uitgesproken vrijheidsdrang van de Nederlander? Ziedaar de paradox. Een beetje meer uitgesprokenheid, durf en passie zou op zijn plaats zijn. Maar of dat ooit gaat lukken? Hertog de Baena had er destijds al een hard hoofd in, daarvoor is ‘de merkwaardig conformistische eerbied van de Nederlander voor het heilige ritueel van onnozele burgerlijke verplichtingen’ te groot. En dat geldt volgens hem al helemaal voor de politiek. ‘Er is voor zover ik weet in de hele wereld geen stad te vinden waar men zich zo rigoreus onderwerpt aan de tirannieke en dwingende regels van dit ritueel als in Den Haag.’

Hertog de Baena: Het raadsel Nederlander (The Dutch Puzzle). Vert. S.F. des Tombe. L.J.C. Boucher, 211 blz. (alleen antiquarisch verkrijgbaar)

Tijdens zijn zoveelste confrontatie in de Tweede Kamer, toen antwoorden van het kabinet op zijn vragen weer eens uitbleven, vroeg Pieter Omtzigt zich vertwijfeld af wat hij er nu eigenlijk aan het doen was, in die vergaderzaal. In een vlaag van zelfkennis riep hij: dan had ik net zo goed journalist kunnen worden. Die onderzoeken immers ook, leggen misstanden bloot en klagen aan.

Abraham Kuyper, een van Omtzigts christelijke voorlopers, wás journalist. De gereformeerde politicus, premier en staatsman schreef vanaf 1871 artikelen voor De Heraut en begon een jaar later zijn eigen krant, De Standaard. Het werd een vehikel van zijn anti-modernistische gedachtegoed en zijn politieke opmars, die hem als leider van de Anti-Revolutionaire Partij (1879) uiteindelijk in 1901 het premierschap zou opleveren. Tussendoor richtte hij in Amsterdam de gereformeerde Vrije Universiteit op (1880), die hij diende als rector en later als hoogleraar theologie. Historicus Jeroen Koch beschrijft het in zijn politiek-intellectuele biografie Abraham Kuyper uit 2006.

Dat boek geeft een leerzaam beeld van de sociale en intellectuele woelingen waar Nederland ook toen in was beland, eind negentiende eeuw. Kuyper zette zich af tegen het goddeloze modernisme van staat, kapitaal en arbeid en tegen de elitair liberale politieke cultuur. Hij streed voor gelijke rechten van het christelijk onderwijs (de pacificatie) en poneerde de ‘antithese’, een bondgenootschap van protestanten en katholieken tegen de seculiere politieke partijen van liberalen en socialisten. Soevereiniteit in eigen kring – met christelijke scholen en organisaties – werd de strijdkreet van de ‘kleine luyden’ voor wie Kuyper en zijn ‘mannenbroeders’ opkwamen.

Op langere termijn had Kuypers ‘activistische neocalvinisme’ (Koch) maar beperkt succes. Van de ‘herkerstening van de natie’ kwam niets terecht; de ontkerkelijking bleek een onstuitbaar proces. De Kuyperiaanse antithese legde het in politieke zin na de Tweede Wereldoorlog af tegen de ‘doorbraak’, het samengaan van confessionele en seculiere progressieven uit verschillende partijen. Verzuilde scheidslijnen werden vloeibaar.

Toch was de anti-revolutionair Kuyper in een aantal opzichten zijn tijd vooruit of is hij opnieuw actueel: kritiek op geesteloos materialisme, liberale staatsdwang en doorgeslagen individualisme klinken weer volop – in de eerste plaats bij Kuypers verre katholieke nazaat Omtzigt.

Maar is Omtzigt, aanklager van achtereenvolgende kabinetten-Rutte, een man van de antithese, dus van een harde oppositie, of toch eerder van een nieuwe doorbraak, voorbij oude partijen – dit keer onder confessionele en seculiere conservatieven? In naam en program blijft zijn Nieuw Sociaal Contract in elk geval ver weg van ostentatief christendom of van soevereiniteit in eigen kring. Er is sprake van een ‘sociaal contract’ (een term die Kuyper zou verafschuwen) van een impliciet-katholiek ‘personalisme’ en vaagjes van het behartigen van de ‘spirituele verlangens’ van de mens. Maar daar blijft het bij. Geen antithese dus – maar wie weet wel een heel eigentijdse, nieuw-conservatieve pacificatie.

Jeroen Koch: Abraham Kuyper. Een biografie. Boom, 672 blz. € 25,-

‘Geen enkele moderne mens kan zich verplaatsen in een tijd waarin de begrippen oorlog en geluk een zinvolle constellatie vormen; voor de eerste toehoorders van Homerus zijn ze een onafscheidelijk paar,’ schrijft Peter Sloterdijk in Woede en Tijd, in de Nederlandse vertaling van Hans Driessen.

Ooit was de heldenstatus verbonden aan mensen die het klaarspeelden, zij het voor korte tijd, om geen prooi te zijn van het noodlot of van andere mensen. Tegenwoordig is de heldenstatus juist verbonden met het prooi-zijn.

Zo is ook de woede een precaire zaak geworden. Geleidelijk aan, dat is het beschavingsproces in een notendop, bleek die woede een gast ‘die alleen onder strenge voorwaarden welkom is.’ De moderne mens, of zoals Nietzsche hem noemde, de laatste mens, is iemand die alle trots heeft leren inslikken en onder begeleiding van economen concludeerde dat zijn vrijheid slechts betrekking heeft ‘op de keuze van etensbakjes.’

Vandaar is het niet ver naar permanente ontevredenheid want etensbakjes bieden op middellange termijn weinig soelaas. Om die permanente ontevredenheid tijdelijk op te heffen wordt tegenwoordig graag gesproken over ‘bestaanszekerheid’: in ruil voor het opgeven van alle woede krijgt de burger de zekerheid van het bakje. De verlokkingen van de oorlog maken weer even plaats voor de roes van het ressentiment.

Het werkelijke, niet-symbolische geweld vindt vandaag de dag met name in de periferie plaats, is veelal afkomstig van ‘de buitengeslotenen,’ zij die nog laatste mensen moeten worden.

Sloterdijk noteert dat in onze tijd ‘de woede van de buitengeslotenen zich met de infotainmentindustrie van de ingeslotenen’ verbindt om uit te groeien tot een ‘geweldtheatersysteem voor de laatste mensen.’

Hoe accuraat dat is blijkt uit de discussie over de video-opnames van de gruweldaden van Hamas. Hebben we de plicht deze te bekijken, of is het bekijken ervan meegaan in Israëlische propaganda? (Was het trouwens niet zo dat Hamas zelf meende dat deze opnames als propaganda konden dienen? In ieder geval vormen oorlog en geluk bij Hamas nog een zinvolle constellatie.) Het geweldtheatersysteem reikt de laatste mensen een dilemma aan dat ze met dezelfde hartstocht kunnen bespreken als waarmee ze nog niet zo lang geleden de nieuwste Tarantino bespraken.

Al in 1848 wist men: ‘Alle geschiedenis is de geschiedenis van het productief maken van woede.’

Dat in Nederland de populairste politicus zijn woede vormgeeft door ambtelijke stukken uit te pluizen als ware hij een Schriftgeleerde zonder Bijbel geeft aan dat ook onder de laatste mensen culturele en regionale eigenaardigheden blijven bestaan. De dood heeft hoe dan ook altijd werk genoeg, vrede of oorlog, en het stond al lang geleden op de voorhoofden van de laatste mensen geschreven dat als de oorlog hen niet meer gelukkig maakt, alleen de bestaanszekerheid dat nog voor elkaar kan krijgen.

Peter Sloterdijk: Woede en Tijd (Zorn und Zeit. Politisch-psychologischer Versuch). Vert. Hans Driessen. Boom, 319 blz. € 27,90

‘It was the worst of times, it was the worst of times.’ Dat is de geruststellende openingszin van Ali Smiths Autumn (Herfst). Geruststellend, want Autumn werd gepubliceerd in 2016 en het is dus altijd, op één of andere manier, the worst of times. (Ik wil ze niet bagatelliseren, onze times, maar een beetje perspectief is altijd welkom.) Smith schreef dit boek pre-Trump, pre-Covid, pre-oorlog in Oekraïne en in Gaza. Toch. Toen ook al: the worst of times.

Autumn wordt vaak neergezet als een boek over Brexit – dat zal wel met marketing te maken hebben, de zoektocht naar een ‘haakje’ – maar dat is te kort door de bocht, en ook zonde van deze roman, die over zo veel meer gaat, zo niet: over alles. Het verstrijken van de seizoenen, de vage grens tussen fantasie en realiteit, wat het betekent om mens te zijn in deze wereld, et cetera.

Maar goed: dit stukje gaat over de verkiezingen, dus daar zal ik me op richten. Autumn speelt zich inderdaad af in de nasleep van het Brexit-referendum – al had dat net zo goed een andere politieke werkelijkheid kunnen zijn – en gaat over de reële effecten van politieke keuzes op het leven van individuen. In Hollandse context: wie slaapt daar in Ter Apel in een haastig opgezette partytent? Waar droomt hij over? Hoe reageert de Schiphol-douanier op de V in een paspoort wanneer een zenuwachtige backpacker zich presenteert als X? Welk kleurrijk vogeltje zal uitsterven door een overschot aan stikstof?

Het CPB rekent per partijprogramma in precieze procentpunten door in hoeverre de economie zal groeien of niet, en dat is nuttig, maar over dat vogeltje, of die backpacker, of die dromende man, weten we niets. Gelukkig is daar Ali Smith, die schrijft over menselijkheid, zachtaardigheid en gastvrijheid.

Nog even over onze times: het openingscitaat uit Autumn is een variatie op de openingszin van Charles Dickens’ roman In Londen en Parijs (A Tale of Two Cities, uit 1859), dat zich afspeelt ten tijde van de Franse Revolutie. ‘Het was de beste der tijden, het was de slechtste der tijden, het was de eeuw der wijsheid, het was die der dwaasheid, het was het tijdvak van het geloof, het was dat van het ongeloof, het was het jaargetijde van het licht, het was dat der duisternis, het was de lente van de hoop, het was de winter der wanhoop.’

Dat was het destijds en dat is het allemaal nog steeds. Daarom: lees Autumn. Verplaats je in de ander die niet op jou lijkt. Denk aan een tijd die nog gaat komen, of je die nu mee gaat maken of niet.

Ali Smith: Autumn (Herfst). Penguin Books, 272 blz. € 15,99

De kiezer die verder wil kijken dan kieswijzers en programmapunten raad ik de essays van George Orwell (1903-1950) aan. Behalve de schrijver van de klassiekers Animal Farm (1945) en 1984 (1949) was Orwell ook journalist. Veel van zijn vluchtige stukken, geschreven op de huid van zijn tijd, lezen alsof ze vanochtend geschreven zijn. Ook langere essays die ogenschijnlijk over een onderwerp gaan dat beperkte interesse opwekt, zoals zijn essay over Charles Dickens, bevatten maatschappelijke inzichten waarover je meteen een avond in een debatcentrum wilt organiseren.

Dat laatste essay gaat bijvoorbeeld echt wel over Dickens, maar ook over hoe je de maatschappij beter kunt maken. Als je kwaad bent over wat er mis is in de samenleving, zegt Orwell, dan is je opwinden over het slechte gedrag van corrupte figuren niet genoeg – je zult ook echt iets aan de machtsstructuren moeten doen. Daarom was hij een overtuigd sociaaldemocraat.

Aan de andere kant, schrijft Orwell in datzelfde stuk, scheelt het al heel veel als mensen zich een beetje fatsoenlijk tegenover elkaar gedragen – kijk naar de partijen met verlichte idealen over een betere wereld waar ze elkaar binnenskamers de tent uitvechten.

Orwell beschouwde zichzelf als een politiek schrijver en in zijn essays kom je vrijwel alle hete hangijzers van onze heftige tijd tegen – de neiging van politici om met taal een leugenachtige alternatieve werkelijkheid te scheppen, het luie, achteloze gebruik van begrippen die op een gegeven moment niets meer betekenen (‘nieuwe bestuurscultuur’ en ‘bestaanszekerheid’), de clichés waarmee politiek cynisme worden toegedekt (‘Natuurlijk betreuren wij iedere dode’) of machteloze dooddoeners (‘Stop de oorlog!’) waarmee we onze handen schoon denken te kunnen houden.

Nergens is Orwell gemakzuchtig. Bij hem hoef je niet aan te komen met het ‘positieve mensbeeld’ waarmee de oorzaak van het kwaad altijd buiten jezelf ligt – wij zijn allemaal aardige, welwillende mensen, heel naar dat we zo door media en politiek worden misleid! De politiek dat zijn wijzelf. Wij zijn het zelf die vallen voor slogans waarvan we ook wel weten dat het holle frases zijn, wij zijn het die onze partijdigheid laten misbruiken om de misstappen van het eigen kamp weg te moffelen, te bagatelliseren, of glashard te ontkennen. Wat helpt is niet schelden op de politiek, maar jezelf kritisch tegen het licht houden.

Tegelijk keert Orwell zich tegen iedere vorm van cynisme. Je afkeren van de politiek omdat het toch allemaal niets uitmaakt is voor hem geen optie. Voor het narcisme van de kleine verschillen, vooral bij links, heeft hij geen geduld. Dat geen enkele partij ideaal is, dat de democratie je nooit helemaal je zin geeft, dat je in je eigen partij mensen tegenkomt waar je niet dood mee gezien wilt worden, is geen reden om de handdoek in ring te gooien.

Lees Orwell.

George Orwell: Essays. Penguin Books, 496 blz. € 14,65

Source: NRC

Previous

Next