Home

Hoe verleidelijk is kunst uit het Derde Rijk nu eigenlijk? En hoe fout?

Laat de woorden ‘kunst’ en ‘Derde Rijk’ uit de tentoonstellingstitel even op het puntje van uw tong balanceren en de vraag dringt zich op of in de zalen van het Museum Arnhem ook de schilderijen van Adolf Hitler zelve zijn te zien. Hoewel tot tweemaal afgewezen bij de Weense kunstacademie beschouwde de nazileider zichzelf namelijk wel als een begenadigd kunstenaar. En ja, er zijn een aantal werkjes van hem overgebleven.

Toch is het antwoord op de vraag ‘nee’. De samenstellers Jelle Bouwhuis en Almar Seinen hebben geen moeite gedaan. Reden: hang een schilderijtje van de Führer aan de muur en niemand kijkt meer naar de rest van de expositie. Hoewel: de zoetsappige aquarellen die van hem bekend zijn, zouden niet eens opvallen – totdat iemand het naambordje leest.

Over de auteur
Rutger Pontzen is sinds 2002 kunstcriticus en redacteur beeldende kunst van de Volkskrant en schrijft over zowel oude en moderne als hedendaagse kunst.

Daar komt bij dat werk van Hitler niet zomaar voorhanden is. Veel wat er in omloop is, is vals. En wat wel aan hem is toegeschreven bevindt zich grotendeels bij privéverzamelaars in de kluis, uit schaamte. De bekendste vier waterverfschilderijen liggen in een la van het U.S. Army Center of Military History in Virginia, achter gesloten deuren. Ze worden niet uitgeleend.

‘We willen niet dat het een verzamelpunt van nazisme wordt’, bekende conservator Sarah Forgey in een interview, indachtig de opkomst van extreem-rechtse groeperingen in de VS, de swastikavlaggen in Charlottesville en het ‘Heil Trump’-gebrul tijdens neonazibijeenkomsten.

Oké, geen bijdrage van de Führer zelf dus, wel negentig schilderijen en een handje vol beelden van 65 kunstenaars die op een of andere manier de nazi-idealen van het Derde Rijk in beeld wilden uitdragen en bevestigen. Velen zullen de namen niets zeggen: Ivo Saliger, Adolf Wissel, Else Wex-Cleemann, Udo Wendel, Ria Picco-Rückert, Edmund Steppes en Sepp Happ. En dat terwijl ze, overtuigender dan Hitler, wél een aardig tafereeltje konden penselen of beeldje hakken.

Uitzondering wellicht: Arno Breker, maker van reusachtige sculpturen, type vruchtbare vrouw en heroïsche man, de eerste volslank en bevallig, de tweede met sixpack en brede schouders waarin een kleerhanger is achtergebleven. Breker was Hitlers lievelingsbeeldhouwer, faam die hij na de oorlog kon blijven verzilveren, zoals met het portret van Peter Ludwig, de Keulse chocoladekoning en grondlegger van het overigens avant-gardistische Ludwig Museum.

Kunst uit nazi-Duitsland, enige terughoudendheid past hier wel bij. Is het wel ethisch verantwoord om dat te tonen? Het zijn toch kunstwerken waar een kwalijke geur van af walmt, omdat ze een volstrekt foute ideologie moesten uitdragen; vervaardigd door kunstenaars die, al dan niet gedwongen, in de pas van het fascistische regime liepen.

Maar in Arnhem is van die kwalijke geur nauwelijks iets te merken. Wie denkt wanden vol geschilderde portretten van Hitler en zijn companen Göring, Goebbels of Himmler te zullen zien, afbeeldingen met gestrekte rechterarmen, massabijeenkomsten in Neurenberg, marcherende soldaten, stadsgezichten vol hakenkruizen of karikaturale beeltenissen van Joden, zal vanuit interesse teleurgesteld zijn. Of juist opgelucht.

De getoonde nazikunst blijkt verrassend middelmatig te zijn. Je mist de scherpte in het werk. Technisch knap geschilderd allemaal, maar niet erg artistiek uitgesproken. Gooi een mengsel van academisme, Rafaël, Giorgione, middeleeuwse miniaturen, jugendstil en nieuwe zakelijkheidskunst in een trechter, pureer het samen met een mespuntje seksisme en voyeurisme tot een gladde, rimpelloze massa en serveer het uit in een neoclassicistische lijst, et voilà: Derde-Rijkkunst!

Dat het werk vol ‘verleiding en afleiding’ zou zitten, zoals de ondertitel van de tentoonstelling luidt, klinkt wat overdreven. Dat het Arnhemse museum een ‘verzamelpunt’ van rechts-radicalen zal worden lijkt me uitgesloten. Veel van wat er te zien is oogt daarvoor te kitscherig. Landschappen met grillige rotsformaties, meisjes met blozende wangen, strijdvaardige soldaten, pin-upnaakten en genreschilderijen waarop altijd wel iemand een trekharmonica bespeelt, naar de radio luistert of het land beploegt.

Natuurlijk, hier en daar zijn er thematische aanpassingen aan de nazidoctrine, zoals het portret van SS-Standartenführer Hermann Behme in zijn ravenzwarte uniform. Het straatgezicht met een eenbenige soldaat op krukken, dat de Duitse bevolking, na de nederlaag in Stalingrad, moest aanmoedigen leger en regime te blijven steunen. Constructiewerk voor een nieuw aan te leggen Autobahn. Soldaten in de sneeuw.

Maar onschuldig of niet, het blijft wel belangrijk te beseffen dat nazikunst meer was dan een puur beeldende uiting. Kunst in het Derde Rijk was een politiek dictaat, uitgevaardigd door Hitler bij de opening van de ‘Grosse Deutsche Kunstausstellung’ in het Haus der Deutschen Kunst in München in 1937; een expositie die voor het eerst op grote schaal werk liet zien dat officieel als ‘arisch’ was goedgekeurd, met schilderijen en beelden die deels nu ook in Arnhem aanwezig zijn.

Het Haus der Deutschen Kunst in München, waarin in 1937 de befaamde Grosse Deutsche Kunstausstellung werd georganiseerd, was het eerste bouwwerk dat volgens de strakke nazimaatstaven werd voltooid, naar een ontwerp van Hitlers toenmalige sterarchitect Paul Ludwig Troost. Het neoclassicistische museum, met zijn herkenbare, ruim 100 meter lange zuilenfaçade, staat er nog steeds, hoewel onder een andere naam: Haus der Kunst. Er zijn nu voornamelijk exposities van moderne en hedendaagse kunst te zien.

Om duidelijk te maken wat ‘goede’ en ‘foute’ kunst was, organiseerden de nazi’s tegelijkertijd 200 meter verderop in de Münchense binnenstad een tentoonstelling met ‘entartete Kunst’. Daarop werden juist kunstwerken aan de muur gehangen die níét aan de eisen van het regime voldeden, want decadent, elitair, bolsjewistisch of Joods. Of zoals kunstenaar en samensteller Adolf Ziegler (wiens werk nu ook in Arnhem aanwezig is) het formuleerde: ‘afwijkingen van waanzin, brutaliteit, incompetentie en degeneratie’.

De grootschalige tentoonstelling, met 650 werken van 120 kunstenaars, onder wie Ernst Ludwig Kirchner, Emil Nolde, Marc Chagall, Wassily Kandinsky, Max Beckmann en Max Ernst, trok overigens maar liefst twee miljoen bezoekers, ruim tweemaal zo veel als de ‘Grosse Deutsche Ausstellung’.

De nazi’s lieten sowieso, kort na de machtsovername in 1933, geen middel onbenut om het Duitse volk te kneden en te indoctrineren, ook in cultureel opzicht. Denk aan bepaalde Duitse muziek (Richard Wagner, Richard Strauss), Duitse films (Triumph des Willens en Olympia van Leni Riefenstahl), Duits theater (Gustaf Gründgens) en fotografie (Heinrich Hoffmann); het belang van radio (Volksempfänger), de productie van boekillustraties en affiches. Samen met de architectuur en design moest het ervoor zorgen dat de Duitsers de ‘juiste’ richting in werden gedirigeerd: de heilsverwachting dat de arische mens zou overwinnen.

Belangrijk instrument daarbij was de oprichting van de Reichskulturkammer. Die zou garant staan voor een evenwichtige en gelijkmatige kwaliteit aan arische kunstwerken – met als uiterste maatregelen dwang en uitsluiting. Wie zich niet wilde conformeren kon maar beter naar het buitenland vertrekken. Anderen pasten hun stijl aan of gingen, door zich uit het openbare leven terug te trekken, in ‘innere Emigration’.

Nam niet weg dat veel kunstenaars gewoon bleven doorwerken. Tussen 1933 en 1945 moeten het er zo’n veertienduizend zijn geweest, onder wie een groot aantal oorlogskunstenaars die als correspondenten het thuisfront informeerden hoe de succesvol het leger (nog) was. Bij elkaar produceerden ze in twaalf jaar tijd naar het schijnt een miljoen werken, waarvan Hitler er ongeveer achtduizend in bezit had, aangekocht voor bedragen van soms ver boven de marktprijs.

Terug naar de tentoonstelling in Arnhem. Dat het daar ontbreekt aan Hitler-portretten, schilderijen met gestrekte armen en stadsgezichten vol swastikavaandels komt doordat de expositie grotendeels is samengesteld uit de collectie van het Deutsches Historisches Museum in Berlijn. Dat museum bezit geen hardcore, extreme nazikunst. Het US Army Center of Military History in Virginia, waar ook de vier aquarellen van Hitler zijn, daarentegen wel.

En niet zo’n beetje ook, vooral dankzij het ijverige werk van een groep militairen, historici, architecten en museumconservatoren – ‘The Monuments Men’, later ook bekend van de gelijknamige film uit 2014 – die aan het einde van de oorlog, namens de Amerikaanse overheid, speciaal op zoek ging naar door de Duitsers geroofd cultureel erfgoed. En die en passant ook propagandawerk van nazigetrouwe kunstenaars hadden meegenomen, conform het bevel van president Roosevelt, tijdens de Jalta-conferentie in 1945, om ‘alle nazistische en militaire beïnvloeding uit het openbare, economische en culturele leven van de Duitsers weg te halen’.

Duizenden beelden, schilderijen, tekeningen en grafiekbladen met een duidelijke nazisignatuur werden op die manier naar de VS verscheept, waar ze uiteindelijk in Virginia onderdak vonden. Tot 1950. Toen werd besloten een deel van de werken, waarop geen hakenkruizen of nazi-‘helden’ te zien waren, naar de Duitsers terug te sturen, die ze eerst niet wilden hebben en ze daarna toch in de kelders van het Deutsches Historisches Museum onderbrachten. De rest, een paar honderd exemplaren die wel als besmet werden gezien, bleven in Amerika achter, waaronder Hitlers aquarellen.

Blijft de vraag: hoe verleidelijk is dat naziwerk nu eigenlijk? En hoe fout?

Wie weleens een werkje van Hitler heeft gezien, kan zich bijna niet indenken dat er een bruine nazilucht van af komt. Op de keper beschouwd zijn het landschappen en stadsgezichten met een hoog romantisch Anton Pieck-gehalte (waarmee ik de Efteling-ontwerper niet in diskrediet wil brengen), die je op elke rommelmarkt in dozijnen kan tegenkomen. Alleen het feit dat ze door Hitler zijn geschilderd en gesigneerd, maakt ze voor liefhebbers en rechts-radicalen aantrekkelijk, alsof je door ernaar te kijken hem de hand schudt.

Anders ligt het bij de schilderijen en beelden van Ziegler en consorten, die in Arnhem te zien zijn of in Virginia liggen opgeslagen. In meer of mindere mate sijpelt daarin het verwerpelijke nazi-idioom door, zoals bij het portret van de ravenzwart geklede SS’er. Maar of ze iemand tot het fascisme kunnen verleiden? Waarschijnlijk niet.

Daarvoor zijn ze, op een enkel portret van de Führer na, te afstandelijk, niet overdrachtelijk genoeg; meer ter bevestiging van de nazi-idealen dan bedoeld om iemand persoonlijk te overtuigen. Ze zijn bovendien te groot. Eerder gemaakt voor museumzalen, ministeries en partijgebouwen, niet voor de huiskamers van de gewone Duitsers. Reden waarom ze op een andere, minder intensieve manier ‘geconsumeerd’ werden. Zeker in vergelijking met de breed bekeken en beluisterde bioscoopjournaals, films en radioprogramma’s, massamedia waarmee de nazi’s hun Blut und Boden-ideologie natiewijd wisten uit te dragen.

Of in vergelijking met design. Hakenkruisvlaggen, uniformen, nazihandboeken, ansichtkaarten, affiches, rijksadelaars op gebouwen, bestek voorzien van swastika’s, luciferdoosjes, postzegels, de Volkswagen, Jodenster: ze waren in het nazitijdperk alom aanwezig. En door die wijdverspreidheid waarschijnlijk meer in het oog springend en gedachtebepalender dan de schilderijen die in Hitlers Rijkskanselarij aan de muur hingen, of nu in Arnhem te zien zijn.

Juist die brede verspreiding en alledaagse verleidelijkheid maakte de tentoonstelling Design van het Derde Rijk, vier jaar geleden in het Design Museum in Den Bosch, tot zo’n heikele onderneming. Plots lagen daar in vitrines voorwerpen die door zowat elke Duitser tijdens de nazi-jaren waren gezien en gebruikt, en die erop wezen dat iedereen – in potentie – door dat gebruik besmet had kunnen worden. Angstaanjagend.

En niet alleen dat. Het was ook verwarrend. Hoe kon zoiets verwerpelijks als een hakenkruis, het dressoir van Hitler, wandtapijten en drukwerk uit nazihandboeken er toch zo esthetisch uitzien? Kunst en design mochten dan van oudsher worden gezien als een combinatie van het ware, goede en schone, ineens bleek het een gewetensvraag. Kun je een swastika ‘een sterk ontwerp’ vinden, zoals Design Museum-directeur Timo de Rijk meende, alsof hij het had over een stoel van Gerrit Rietveld of een Tomado-rekje?

Wat nu precies een kunstwerk tot een ‘fout’ kunstwerk maakt, en hoe iemand daardoor op ‘foute’ ideeën kan komen, is een lastige kwestie. Komt bij dat tussen goed, fout-goed, goed-fout en helemaal fout honderd grijstinten zitten.

Voordeel van de tentoonstelling in Arnhem is dat er weinig ‘sterk’ werk te bespeuren valt. De middelmatige kwaliteit van de kunstwerken – hoewel afkomstig uit een moorddadig regime – zal nauwelijks aanleiding zijn er voze nazigedachten op na te houden. Eerder om het getoonde als een cultureel fenomeen te bestuderen. Mogelijk is daarmee de angst voor verleiding bezworen. Of een poezelig waterverfje van Hitler roet in het eten had gegooid zullen we wel nooit weten.

Kunst in het Derde Rijk. Verleiding en afleiding. T/m 24 maart, Museum Arnhem.

Wat is ‘goede’ en wat ‘foute’ kunst? De wisselende waardering voor het expressionistische werk van Ernst Ludwig Kirchner (1880-1938) en Emil Nolde (1867-1956) in de loop der jaren is een interessante casus. Hoewel aanvankelijk tijdens de Weimarrepubliek, in de jaren twintig en dertig, als avant-gardistisch beschouwd, werden hun schilderijen en beelden in 1933 door de nazi’s als ‘entartet’ afgeserveerd.

Als reactie liet de Amerikaanse president Roosevelt, in 1939 bij de inhuldiging van het Museum of Modern Art in New York, in een toespraak weten het werk van deze ‘ontaarde’ kunstenaars juist als een teken van artistieke vrijheid en democratie te beschouwen. Hetzelfde jaar waarin Moma-directeur Alfred Barr om dezelfde reden werk van hen begon aan te kopen, net als het Stedelijk Museum in Amsterdam daarna.

Opmerkelijk dus dat uitgerekend het Stedelijk in 2021, met de tentoonstelling Kirchner en Nolde, een poging ondernam de twee kunstenaars weer te beschuldigen, niet als schilder maar als mens, door hun vermeende ‘toe-eigening en uitbuiting van de volkeren, leefwijzen en cultuuruitingen in de toenmalige [lees: begin-20ste- eeuwse] koloniën’, zoals op de expositie was te lezen. ‘Ik kan er niet meer gewoon naar kijken’, bekende een van de samenstellers, Beatrice von Bormann, tijdens de persopening.

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next