Omdat we de toekomst niet kennen en geen herkenbare analogieën voorhanden hebben, wordt in politieke analyses vaak teruggegrepen op het verleden. Het zij zo. Maar in deze verkiezingscampagne wordt het nu toch te dol. Om Pieter Omtzigt op voorhand al een plaats te geven in de geschiedenis, wordt de laatste weken niet alleen teruggegrepen op de Messias (± 6/4 voor Christus – 30/33) en Pim Fortuyn (1948-2002) maar zelfs op Hans van Mierlo (1931-2010).
De medeoprichter van D66 wordt meestal opgevoerd om het heden historisch cachet te geven. Zo riep ‘politiek duider’ Arjan Noorlander bij Nieuwsuur de hulp in van „oer-D66’er” Van Mierlo om Rob Jetten, de zesde opvolger in de dynastie na 1994, tot de orde te roepen inzake kennelijk ontoereikende prestaties rondom openbaarheid van bestuur.
Politiek columnist Hans Goslinga ging verder. Hij pre-incarneerde Van Mierlo tot „de Pieter Omtzigt van de jaren zestig”. Gelet op het feit dat de huidige „coalitiepolitiek [...] heeft geleid tot een ongekende ontsporing van de staat” en een „diepe vertrouwenscrisis” in de democratie, „is het een geluk dat een nieuwe Van Mierlo in de persoon van Pieter Omtzigt is opgestaan”, schreef Goslinga in Trouw.
Dat de politieke keurvorst van na 22 november de fantasie op hol jaagt, is begrijpelijk. Maar net als in elke roes is daarmee de associatie tussen Omtzigt en Van Mierlo nog niet waar. Karakterologische aspecten als levensstijl en retorica buiten beschouwing latend, zijn er namelijk twee objectieve verschillen. De eerste is politiek, de tweede sociologisch.
Weliswaar werd/wordt in beider verkiezingsprogramma een districtenstelsel geopperd als alternatief voor de evenredige vertegenwoordiging en dook/duikt ook het begrip referendum op. Maar hun visie op de verhouding tussen wetgevende en uitvoerende macht is fundamenteel verschillend.
In een kruisverhoor bij Nieuwsuur zei Omtzigt dat het in Nederland is „misgegaan” mede omdat de premier te belangrijk is geworden. Hij wil de rol van de man in het Torentje terugbrengen naar die van „eerste onder gelijken”. Hij denkt monistisch. Vandaar dat hij weigert een potentiële premier te presenteren. Alle macht komt volgens hem voort uit de volksvertegenwoordiging, al wil hij via een nieuw Constitutioneel Hof wel een veiligheidsklep installeren.
Van Mierlo redeneerde daarentegen dualistisch. Hij pleitte voor een dubbele stem. De burger moest, net als in Amerika, twee stemmen uitbrengen: een voor een parlementariër en een voor de premier. Consequentie van Van Mierlo’s bestelhervorming was dat de minister-president een eigen mandaat zou krijgen en dus machtiger zou worden.
Omtzigt heeft ook een heel andere positie in het sociale krachtenveld dan Van Mierlo had. Van Mierlo was de tolk van een vrijzinnige burgerij die, gestimuleerd door de postindustriële diensteneconomie en de daaraan gepaard gaande maatschappelijke ontzuiling, genoeg had van politieke bevoogding. Van Mierlo appelleerde aan het toekomstperspectief van ‘opwaarts mobiele’ burgers. Omtzigt is juist de stem van burgers die ‘verweesd’ (dixit Fortuyn) weer terug willen naar „een gemeenschap met rechten, plichten en verantwoordelijkheden”. Omtzigt refereert zo aan beelden uit het verleden, die vooral oudere spijtoptanten herkennen. Omtzigt lijkt niet voor niets bijna drie keer meer bejaarde dan jongere kiezers te trekken. De electorale aanhang van Van Mierlo in 1967 was voor bijna 60 procent jonger dan veertig.
De overeenkomst is dat beiden de aanzeggers waren/zijn van een democratische crisis. Maar daarmee is het meeste wel gezegd. De duiders kunnen beter op zoek gaan naar andere analogieën. Bijvoorbeeld naar die met Carl Romme (1896-1980), de KVP’er die zich tijdens de jaren vijftig ook niet opwierp als premierskandidaat maar vanaf een bankje in de Tweede Kamer zijn kudde disciplineerde.
Source: NRC