Home

Hoe belangrijk de langdurige relatie met de patiënt is, dringt nog niet overal door

Vroegah, toen was alles beter. Onzin natuurlijk, ik ben ongemeen dankbaar dat we de plaggenhutfase in Nederland voorbij zijn. Waarin chirurgijnen onverdoofd met vieze messen ingrepen uitvoerden, waarbij de meeste patiënten overleden. Brr. De zorg is daarbij vergeleken echt fantastisch nu. Helaas zie ik de huisartsgeneeskunde een stap terug doen. Naar minder goede zorg. Want voor goede huisartsenzorg is zowel medische kennis als kennis over de patiënt van belang.

Over de auteur
Rinske van de Goor is huisarts en columnist van de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Het grote verschil met ziekenhuisdokters is dat wij huisartsen dokteren met heel weinig onderzoeksmogelijkheden, behalve onze oren en ogen. We moeten het veel meer dan ziekenhuisdokters hebben van onze kennis over ziekten, onze kennis over de patiënt en het verhaal van de patiënt. Die puzzel zelf moeten leggen en die langetermijnrelatie met de patiënt maakt huisarts zijn zo leuk, veel leuker dan ziekenhuisdokter zijn. Vinden wij huisartsen dan, hè.

Dat medische kennis belangrijk is voor een huisarts vindt iedereen vrij logisch, maar dat de langdurige relatie met de patiënt zo belangrijk is, dringt nog niet overal door. Maar die is waarschijnlijk zelfs belangrijker voor de kwaliteit van de zorg dan medische kennis. Die is voor een huisarts uiteraard ook belangrijk, maar aan die medische kennis wordt dan ook, voor je je huisarts mag noemen, zo’n tien jaar getimmerd. En ook als je eenmaal huisarts bent, moet je verplicht 40 uur per jaar bijscholen. Dus die kennis, dat zit wel goed. Ook al is nooit aangetoond dat een huisarts met meer medische kennis ook een betere dokter is.

Het positieve effect van de continuïteit van zorg is wetenschappelijk wel aangetoond. Als een huisarts een patiënt lang kent, schrijft hij de patiënt minder medicijnen voor en verwijst minder vaak. Dat is niet alleen betere zorg, het scheelt ook enorm veel zorgkosten. Het is nog mooier: patiënten die lang dezelfde huisarts hebben, leven aantoonbaar langer. Het positieve effect van de continuïteit van zorg is ook voor andere zorgverleners aangetoond, maar nergens is het effect zo spectaculair als bij de huisarts.

Toch wordt nergens in de zorg gestuurd op de langetermijnrelatie tussen zorgverleners en patiënten. Sterker, de cijfers wijzen uit dat het huidige beleid zorgverleners de zorg uit jagen, waarbij ze met een beetje geluk dan nog wel als zzp’er in de zorg blijven werken, maar dat geeft natuurlijk geen continuïteit.

In de huisartsenzorg, waar die continuïteit dus het allerbelangrijkst is, is de exodus van vaste zorgverleners nog veel erger dan in het ziekenhuis. Dat heeft te maken met de onderwaardering van de eerstelijnszorg door de overheid ten opzichte van tweedelijnszorg. Een doktersassistente verdient in de huisartsenpraktijk bijvoorbeeld beduidend minder dan in het ziekenhuis – terwijl het werk in de huisartsenpraktijk doorgaans beduidend zwaarder is – maar, vind ik, gelukkig ook uitdagender en leuker.

Maar het tekort aan vaste huisartsen is nog veel groter dan het tekort aan ondersteunend personeel. Dat heeft niet direct met salaris te maken, hoewel ook ziekenhuisdokters doorgaans fors meer verdienen dan huisartsen. Het is ernstig: van alle huisartsen is inmiddels de helft zzp’er. Terwijl juist in ons werk de langetermijnrelatie met eigen patiënten cruciaal is voor goede zorg. Deze zzp-trend kost ons land geld, gezondheid en zelfs levens.

Waarom willen huisartsen dan geen eigen patiëntenpopulatie meer? Dat willen ze wel. Maar daar is beleid voor nodig, die bij de huisartsen de wil om die verantwoordelijkheid op je te nemen niet fnuikt. Het beleid van de afgelopen decennia maakt het steeds onaantrekkelijker als huisarts een eigen praktijk te beginnen of over te nemen.

Mijn collega Jaap begon gewoon een praktijk met nul patiënten en bouwde langzaam op. Hij hield van elke patiënt een groene kaart bij met de medische gegevens. Op den duur kwam Anja bij hem werken; zij is nog steeds assistente in onze praktijk en heeft die drastisch zien veranderen. Inmiddels zijn we met zes vaste huisartsen, om alle organisatietaken te kunnen verdelen.

We hebben ook twee huisartsen in opleiding, extra waarnemend huisartsen om de drukte aan te kunnen, een praktijkmanager, acht assistentes, drie verpleegkundigen, drie ggz-ondersteuners, consultatief medisch specialisten, een boekhouder en een administratrice. We werken met twintig verschillende it-systemen, moeten allerlei zorgcijfers en een jaarverslag aanleveren en moeten een onafhankelijk toezichthouder zoals een raad van toezicht instellen.

Kortom, de beleidsorganen dwingen de zorgbakker-op-de-hoek die al zijn klanten kent om ziekenhuisje te spelen. Zonder de financiën die horen bij een ziekenhuis overigens. Dus ja, al die jonge huisartsen die dolgraag zorgbakker-op-de-hoek zouden worden kijken ernaar en denken: hoe dan? Ik wil gewoon huisarts zijn en patiënten zien! Maar een eigen praktijk met eigen patiënten, daar is nu bijna geen beginnen meer aan. Ik weet wel wat ik als politieke partij in mijn zorgprogramma zou zetten.

Source: Volkskrant

Previous

Next