In het Israëlisch-Palestijnse conflict hebben machthebbers aan beide zijden het slachtofferschap politiek gebruikt. Hoe meer dat werd benadrukt en hoe meer wraak werd aangewakkerd, hoe minder er in oplossingen werd gedacht, betoogt redacteur Olaf Tempelman.
Wraak is als het gooien van een brandend stuk hout: degene die het werpt, brandt zichzelf het meest. Dat is een aloude wijsheid die zowel een oosterse als een westerse oorsprong kan hebben. Behalve in relaties tussen individuen wordt die ook vaak bewaarheid in relaties tussen staten of bevolkingsgroepen.
De overeenkomst tussen wraak op individueel of collectief niveau is dat de dosering vaak vragen oproept. Als de praktijkversie van wraak het nieuws haalt, gaat die veelal vergezeld van beschrijvingen als ‘uit de hand gelopen’ of ‘buitenproportioneel’. Partijen die opteren voor wraak, riskeren altijd alleen nog voor zichzelf herkenbaar te blijven als slachtoffers van onrecht, omdat de rest van de wereld daders of agressors ziet, of zelfs genocideplegers.
Er zijn nog altijd nationalistische Serviërs die het executeren van ruim achtduizend mannen in Srebrenica in 1995 verdedigen als een normale vergelding voor plunderingen van Servische dorpen door mannen uit Srebrenica in de jaren ervoor. Er bestaan nog steeds Hutu-extremisten die de genocide in Rwanda in 1994 reduceren tot een vergelding tegen toenmalige Tutsi-guerrilla’s. In de tijd van die genocide was de cultus van slachtofferschap wijdverbreid.
Dat was in de geschiedenis vaker zo. De lijst van gruweldaden gepleegd door groepen die zich slachtoffer waanden, is lang. Vaak stonden die bloot aan dermate vergaande politieke propaganda over slachtofferschap dat ze zich moeilijk nog in de rol van dader konden voorstellen. Armeniërs waren de slachtoffers van de eerste genocide van de 20ste eeuw, maar begingen aan het einde van dezelfde eeuw oorlogsmisdaden in Nagorno-Karabach, gedreven door politiek aangewakkerde wraakgevoelens.
Over de auteur
Olaf Tempelman is redacteur van de Volkskrant. Van 2000 tot 2008 was hij correspondent in Oost-Europa.
Aan de oorlog tegen Oekraïne ligt een Russische politieke cultus van slachtofferschap ten grondslag, veroorzaakt door wrok over het uiteenvallen van de Sovjet-Unie. De Amerikaanse war on terror laat zich categoriseren als een grote wraakexercitie voor de aanslagen van 11/9. Leiders van de Volksrepubliek China wakkeren wraakgevoelens aan in toespraken over het Chinese slachtofferschap in ‘de eeuw van de vernedering’, de 19de, toen Europeanen het Chinese keizerrijk binnenvielen.
In het Israëlisch-Palestijnse conflict is aan beide kanten decennialang door machthebbers een cultus van slachtofferschap opgetuigd. Als een gevoel van slachtofferschap ergens algemeen en allesoverheersend wordt, vergemakkelijkt dat het omslaan van gerechtvaardigde woede in buitenproportionele wraak. Dat werd vorige maand betoogd door Jan Egeland, de Noorse diplomaat die een sleutelrol speelde in het tot stand komen van de Oslo-akkoorden, die in 1993 de opmaat vormden voor het vredesproces tussen Israël en de Palestijnen. In een interview met de BBC stelde Egeland de retorische vraag: ‘Sinds wanneer is wraak een rationeel middel om terreur te bestrijden?’
Artikel 51 van het Handvest van de Verenigde Naties gaat over het recht op zelfverdediging, een begrip dat, kun je betogen, enigszins in de buurt zit van ‘gerechtvaardigde woede’. Conform artikel 51 valt dit recht toe aan staten die te maken hebben gekregen met een ‘gewapende aanval’. Zelfverdediging dient ‘noodzakelijk’ en ‘proportioneel’ te zijn. Met ‘noodzakelijk’ wordt gedoeld op een gebrek aan alternatieven; met ‘proportioneel’ dat represailles in verhouding staan tot de aard en de schaal van de ‘gewapende aanval’.
Dat de bloedbaden die Hamas op 7 oktober aanrichtte op Israëlische bodem zijn te kwalificeren als gewapende aanval, staat buiten kijf, evenals de noodzaak tot zelfverdediging in een strijd met een islamitische terreurorganisatie. Dat de bombardementen op Gaza ‘proportioneel’ zijn, wordt elke dag dat er meer doden vallen door meer mensen betwijfeld. In zijn 75-jarige bestaan wekte Israël niet eerder in zo’n kort tijdsbestek zoveel internationale verontwaardiging. Op Israëls wraak en de internationale verontwaardiging daarover was door Hamas geanticipeerd. Het uitlokken ervan – ‘laat Israël de eigen glazen ingooien’ – was een oogmerk van de terreur van 7 oktober.
Jan Egeland zei tegen de BBC: ‘Hoe kan het belegeren van Gaza en het afsluiten van elektriciteit voor gewonde kinderen als een rationele reactie worden beschouwd?’ Wraak krijgt zelden de vorm een rationele reactie. In stukken over artikel 51 over het recht op zelfverdediging in het VN-Handvest valt dat adjectief ‘rationeel’ niettemin vaak: zelfverdediging is niet rationeel als een oplossing voor een conflict daarmee verder uit zicht raakt. Maar waar sterke gevoelens van slachtofferschap in het spel zijn, wordt zelden nog rationeel gedacht, laat staan oplossingsgericht.
Zestig jaar geleden, Israël bestond pas vijftien jaar, publiceerde Hannah Arendt, Amerikaans-Duitse filosoof van Joodse origine, het boek dat haar beroemdste en meest controversiële zou worden, Eichmann in Jeruzalem: de banaliteit van het kwaad. De basis daarvan is het proces in Jeruzalem in 1961 tegen SS-Obersturmbannführer Adolf Eichmann, die een jaar daarvoor door de Israëlische geheime dienst in Argentinië was opgepakt.
Arendt wekte met Eichmann in Jeruzalem internationaal verontwaardiging omdat ze een man die overduidelijk een fanatieke nazi, virulente antisemiet en aanjager van de Holocaust was geweest, had afgeschilderd als een radertje in een collectieve moordmachine. In Israël, het land waar het Eichmann-proces plaatsvond, kreeg Arendt nog een heel ander verwijt, namelijk een gebrek aan liefde voor haar eigen volk. Aan de basis daarvan lag haar analyse dat de Israëlische premier David Ben-Gurion het Eichmannproces gebruikte om saamhorigheid te kweken onder Joden over de hele wereld, en daarmee hun steun aan de Joodse staat te verzekeren, en burgers van Israël angst aan te jagen voor vijanden in het Midden-Oosten.
‘De Joodse staat’ werd in Ben-Gurions discours ‘de erfgenaam van de vermoorde Zes Miljoen, de enige erfgenaam’. Als slachtofferschap in de Shoah een basis wordt van de Israëlische identiteit, stelde Arendt, dan heeft dat vergaande gevolgen, want het werkt een diepe angst voor reële en potentiële vijanden in de hand. Van de hand van schrijver-journalist Ian Buruma is het onlangs verschenen essay In de schaduw van het kwaad, waarin hij ingaat op de perceptie van Eichmann in Jeruzalem: ‘Dat de collectieve ervaring van Joden in Europa trauma’s had achtergelaten, is duidelijk. Maar Arendt had de moed om bezwaar te maken tegen het gebruik van trauma’s voor politieke doeleinden.’ Waar een beroep op collectieve gevoelens van een geheel volk wordt gedaan, wordt een deur geopend naar ‘agressieve vormen van nationalisme’. ‘Collectief trauma als een stimulans voor wraak’, noemt Buruma dat.
Nochtans was het gebruik van traumatische geschiedenis in het Israël van Ben-Gurion gering en gedoseerd vergeleken bij dat van vandaag de dag. Zestig jaar geleden was het moeilijk denkbaar geweest dat een Israëlische VN-ambassadeur met een gele ster op zijn revers in de VN-Veiligheidsraad zijn opwachting had gemaakt. In het kielzog van de terreur van de 7de oktober werd veelvuldig gesproken van een ‘nieuwe Holocaust’. Op rondleidingen die journalisten kregen langs plekken waar Hamas bloedbaden aanrichtte, werden heden en verleden voortdurend met elkaar verbonden. Waar traumatische geschiedenis en traumatische actualiteit zo in elkaar overlopen, verdwijnt elke ruimte voor nuance. Niemand wil medeplichtig zijn aan een ‘nieuwe Holocaust’.
Mensen wier bewustzijn met verdriet, woede en angst is gevuld, zijn niet bezig met de gevolgen van buitensporige represailles. In de Volkskrant van 8 november schreven Hella Rottenberg en Chaja Polak over hun ‘ernstige zorgen (…) om vrienden en familie in Israël die door angst en rouw om geliefden, angst om hun kinderen aan het front, angst om de veiligheid en de toekomst van hun land, geen emotionele ruimte meer hebben voor mededogen met de Gazanen’.
Een discours waarin bombardementen op Gaza een verdediging worden genoemd tegen ‘een nieuwe Holocaust’, is tegelijk een middel van extreem-rechtse Israëlische bewindslieden om critici en tegenstanders politiek de pas af te snijden. Dat middel hebben die bewindslieden hard nodig: nooit eerder werd Israël geleid door mensen die in eigen landen zo omstreden waren.
In het Israël van zestig jaar terug bestond grote eensgezindheid over de koers van het land. Ben-Gurion genoot brede steun voor de manier waarop hij het land verdedigde, Netanyahu is niet alleen de meest omstreden premier uit de Israëlische geschiedenis, vóór 7 oktober vond niet minder dan de helft van de Israëlische bevolking dat hij in de gevangenis thuishoorde. Veertig weken lang vonden massademonstraties plaats tegen zijn ontmanteling van de rechtsstaat.
Zoals veel Israëliërs hun premier een politieke crimineel vonden, zo wilden veel Palestijnen in Gaza voor 7 oktober graag worden verlost van Hamas, omdat ze in angst leefden voor het schrikbewind van deze terreurorganisatie. In het project Gefluisterd in Gaza noemden anonieme inwoners het cultiveren van wraakgevoelens tegen Israël ‘voor Hamas een ordinair verdienmodel’. De leiders die inwoners ophitsen wraak te nemen, wonen zelf in villa’s in Qatar. Ook die gefluisterde kritiek is nu verstomd. Inwoners van Gaza die op de vlucht zijn voor Israëlische bombardementen, hebben weinig oog meer voor de misdaden van degenen die de bombardementen uitlokten.
Het politiek gebruik van slachtofferschap in de Shoah aan Israëlische zijde wordt aan Palestijnse zijde weerspiegeld in het politiek gebruik van slachtofferschap in de Nakba oftewel ‘de catastrofe’. Daarmee wordt gedoeld op de verdrijving van honderdduizenden Palestijnen in de Arabisch-Israëlische oorlog van 1948. Ook deze slachtoffercultus intensiveerde decennialang. En ook aan Palestijnse zijde gold dat hoe meer slachtofferschap werd benadrukt en wraak werd aangewakkerd, hoe minder er in oplossingen werd gedacht.
Weinig is daarvoor illustratiever dan dat Palestijnse activisten en hun westerse steunpilaren telkens weer terugkeren naar het jaar 1948. De schande van toen, oftewel de stichting van de staat Israël, moet worden uitgewist. Dat streven is niet alleen ontdaan van elke vorm van rationaliteit, omdat een land dat in 75 jaar tijd is opgebouwd en tien miljoen inwoners heeft, echt niet meer verdwijnt – wie daarvoor blijft ijveren, ijvert de facto voor vernietiging.
De Israëlische schrijver en vredesactivist Etgar Keret formuleerde het op 3 november in een interview met de Volkskrant als volgt: ‘Als vredesactivisten hier hebben wij het over 56 jaar. Want wij refereren aan de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever, die in 1967 bezet zijn, terwijl (pro-Palestijnse) Europese activisten het over 1948 hebben, toen Israël werd gesticht. Dat zijn dus niet zomaar twee getallen. In het ene geval zeg je: er moet een Palestijnse staat komen. In het andere geval zeg je: Israël moet verdwijnen. Dit is het verschil tussen een tweestatenoplossing en een oproep tot genocide.’
In hetzelfde interviewde benoemde Keret nog iets wezenlijks, namelijk het heimelijke bondgenootschap dat er bestond tussen Netanyahu en Hamas, omdat beide partijen niet geïnteresseerd zijn in het welzijn van de eigen bevolking op lange termijn, maar in hun eigen macht en politieke gewin op korte termijn. Keret: ‘Netanyahu’s strategie was om Hamas te versterken. Hij wist dat hij met een machtig Hamas, dat Israël van de kaart wil vegen, altijd een excuus had om een Palestijnse staat tegen te houden. Met die status quo normaliseerden ze de verschrikkingen.’
Hoe vaker wraak en weerwraak zich ergens hebben herhaald, hoe harder moet worden gezwoegd voor een milligram vertrouwen. De Israëli’s en Palestijnen die ruim dertig jaar terug de moed hadden aan een vredesproces te beginnen, uitmondend in de Oslo-akkoorden, zetten zich aan een buitengewoon lastig karwei. Voor degenen die het opnieuw willen proberen, wordt het nog tien of honderd keer moeilijker. Het alternatief is de eindeloze herhaling van wraak en weerwraak. In de woorden van de Noorse architect van de Oslo-akkoorden, Jan Egeland: ‘En hoe draagt dat bij aan minder verbittering en haat?’
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden