Achtergrond Schrijver en filmmaker Tessa Leuwsha kleurde het leven van haar grootmoeder in. Wie was de stille Fansi (1905-1978), die met negen kinderen in Paramaribo woonde en de onafhankelijkheid van Suriname op een Nederlandse tv zag?
‘Bestedelinge’: met dat woord werd bij de Volkstelling van 1921 in Suriname de identiteit van Franceline Evelina bepaald. Een ‘kweekje’, een pleegkind, een ongewenst kind. Het was kennelijk ook niet de moeite waard haar naam een keertje goed te spellen, want in het geboorteregister, het bevolkingsregister en op latere papieren wordt de naam elke keer anders gespeld.
Gelukkig noemt haar omgeving haar Fansi, dat is wel zo makkelijk. Ze is het kind van de witte Sarah Cummings, een Engelse lerares die een kind kreeg met een zwarte man van wie de naam onbekend is. Dat Cummings het kind zou erkennen was in die tijd uitgesloten en dus wordt Fansi, vlak nadat ze in 1905 ter wereld komt, ondergebracht bij Angelica Brouwn, die in 1851 nog in slavernij was geboren. Bij haar krijgt Fansi de zorg die ze nodig heeft, maar ook een harde opvoeding. Ze zou de oma worden van schrijver en filmmaker Tessa Leuwsha.
Hoe het leven van Fansi (1905-1978), die in de laatste jaren van haar leven in Nederland terechtkwam en weinig zei, eruit moet hebben gezien wilde Leuwsha onderzoeken. In het boek Fansi’s stilte (2015) tekende ze van alle nog levende kinderen hun herinneringen aan Fansi op en dook ze de archieven in. Er kwam een prachtig vertelde geschiedenis uit. Fansi verdiende haar hele leven als wasvrouw de kost en had moeite met lichamelijke affectie naar haar kinderen. „Wat je niet hebt gehad, kan je ook niet geven”, had Fansi tegen haar dochter Jet gezegd toen deze ernaar vroeg. Ze kreeg bij drie mannen in totaal negen kinderen, van wie er eentje jong stierf.
Waar het in dit boek ging om verhalen over en herinneringen aan Fansi, geeft Leuwsha in Moeder Suriname/Mama Sranan haar grootmoeder zelf een stem en ze kleurt het leven aan de hand van foto’s en bestaande beelden letterlijk in, gekoppeld aan de ontwikkeling van de decennia van Suriname tot aan de onafhankelijkheid in 1975, drie jaar voordat Fansi sterft.
De losjes ingekleurde beelden benadrukken dat niet alle levens voor de volle 100 procent ingekleurd kunnen worden. Wanneer het gaat om het leven van een kind dat ongewenst was, dat in een Surinaams gehucht wordt achtergelaten bij een vrouw die al twee dochters heeft, is dat nog ingewikkelder. Leuwsha komt een heel eind en laat ons zien wie Fansi was.
„Mensen kweken kippen, en ook kinderen”, zegt Fansi als ze in de film terugkijkt op het begin van haar leven. Al vroeg moet ze als ‘kweekje’ aan de slag, maar ze leert ook lezen en schrijven. Dat heeft ze te danken aan de fraters en nonnen uit Tilburg die tijdens de missie in de afgelegen plekken onderwijs geven. Ze krijgen ervoor terug dat Fansi haar hele leven rooms-katholiek zal blijven, al twijfelt ze – als ze in Nederland in een bejaardenhuis woont – er wel aan of de hemel bestaat.
Ze ging naar Nederland omdat op twee na al haar kinderen daar zijn gaan wonen. Haar oudste Albert is achtergebleven in Suriname, haar tweede zoon John is er dood gegaan. Albert was de zoon van Fansi’s eerste man, die een tijdje nadat hun zoon op de wereld was gekomen niet meer kwam opdagen. Haar tweede man, Hendrik Edhard, was streng en leek veel van haar te houden. Maar na de geboorte van hun twee kinderen Jet en John had ook hij weinig interesse meer. Pas haar derde man, Prince, lijkt anders te zijn – hoewel ze ook met hem niet trouwt. Met hem krijgt ze nog zes kinderen. Ze volgt hem naar Paramaribo, maar Prince zit vaak op de vaart, de inkomsten hiervan zet hij grotendeels om in alcohol. Fansi verdient ook hier het geld als wasvrouw.
Als Albert negen jaar is, is het geldblikje leeg en stuurt ze haar zoon terug naar zijn biologische vader in Nickerie. Dat is geen succes en als hij een ongeluk krijgt, keert Albert weer terug.
Omdat John goed kan leren, is hij op een internaat terechtgekomen. Daar sterft hij als er bij een potje voetbal een bal hard in zijn maag wordt geschopt. Hij blijkt een abces in zijn lever te hebben en overlijdt enige tijd later. Daarna eist Hendrik zijn rol als vader op. Hij betaalt de kosten voor de begrafenis en laat zijn zoon bij hem thuis opbaren. Fansi is niet welkom, op de dag van de begrafenis moet ze op afstand kijken. Alleen vanaf een straathoek ziet ze hoe de kist van haar zoon uit Hendriks huis wordt gedragen.
De andere kinderen blijven gezond. Zelf niet gewend aan een moeder zoals je die zou wensen, blijft ze die zo goed mogelijk verzorgen. Een voor een vertrekken ze naar Nederland. Fansi blijft achter met Albert. Als ze een aandoening aan haar ogen krijgt, besluit haar dochter Carmen dat ook hun moeder naar Nederland moet komen. Wie weet kan een Nederlandse arts haar helpen.
Fansi woont om de beurt bij haar kinderen, haar trotse en weinig toegankelijke houding blijft. Geen arts kan haar helpen, Fansi gaat steeds slechter zien en belandt in een bejaardenhuis waar ze de enige uit Suriname is. Het zicht was slechter geworden, ze werd ziek en haar vlechten waren afgeknipt. De zwijgende Fansi was, zoals dochter Rika het verwoordt in Fansi’s stilte, in Nederland definitief „uitgedoofd”.
In 2025 is het vijftig jaar geleden dat Suriname onafhankelijk werd en dat wordt (alvast) gevierd met de documentaire Moeder Suriname. Het levensverhaal van Fansi (1905-1978), de grootmoeder van maker Tessa Leuwsha, valt grotendeels samen met Surinames ontwikkeling van Nederlandse kolonie tot onafhankelijke republiek („baas in eigen huis”). Leuwsha tekende haar verhaal eerder op in het boek Fansi’s stilte (2015), dat aan de basis stond van de door zangeres Denise Jannah ingesproken voice-over.
Fansi is de dochter van een witte, Britse vrouw en een onbekende zwarte man. Als „kweekje” (afgestaan kind) mist ze haar biologische moeder, later zal haar echtgenoot ook grotendeels afwezig zijn, met eenzaamheid tot gevolg.
Wat slordig ingekleurd archiefmateriaal, de kleuren fluctueren nogal, illustreert de verschillende fases uit haar leven: van haar geboorte in 1905 in Nickerie en haar opgroeien in de binnenlanden van Suriname tot de uiteindelijke overtocht naar het koude Nederland, waar Fansi in de Bijlmer herenigd wordt met haar al eerder naar Nederland gemigreerde kinderen.
Fansi vertelt beeldend over haar tijd als wasvrouw, de komst van de antikoloniale strijder Anton de Kom (in 1933) en de verhouding wit-zwart: „Wij werken, zij kijken toe.” Beelden van rubberplantages, de winning van bauxiet en goud en het hakken van bomen tonen hoe Nederland Suriname decennialang gebruikte als wingewest.
Leuwsha’s archieffilm laat het land zien door de ogen van een Surinaamse vrouw maar is niet de eerste documentaire die dit doet: het vorig jaar gerestaureerde en toen her en der vertoonde Vrouwen van Suriname (Oema foe Sranan, 1978) komt die eer toe, bovendien is die activistische film treffender dan Moeder Suriname.
André Waardenburg
Moeder Suriname/Mama Sranan
Regie: Tessa Leuwsha. Stem en zang: Denise Jannah. Lengte: 71 min.
Source: NRC