Home

Een eeuw na het bloedbad in Tulsa wacht de 109-jarige Lessie Benningfield nog op gerechtigheid

Lessie Benningfield was 6 jaar oud, toen op 1 juni 1921 onbekende mannen het huis van haar ouders binnenvielen en haar en haar grootmoeder dwongen te vertrekken uit Greenwood. Deze toen welvarende, zwarte wijk van Tulsa, de op een na grootste stad van Oklahoma, stond in lichterlaaie. In brand gestoken door witte, opgehitste mannen, in een van de ernstigste rassenonlusten uit de geschiedenis van de Verenigde Staten.

De hel brak los na een krantenbericht over een vermeende aanranding van een wit meisje in een lift door een zwarte schoenenpoetser. Vermoedelijk meer dan driehonderd zwarten verloren die dag hun leven; het precieze aantal viel achteraf niet meer vast te stellen. Veel stoffelijke resten verdwenen in een massagraf of in de rivier die Tulsa doorkruist.

Meer dan een eeuw later geldt Benningfield, die vrijdag 109 werd, als een van de gezichten van de juridische strijd die over het Tulsa race massacre wordt gevoerd. Die strijd begon wel pas in 2003, met een serie rechtszaken waarin de laatste overlevenden en nabestaanden een schadevergoeding en smartengeld eisen.

Destijds deden de autoriteiten er alles aan om de schandvlek weg te poetsen. Het statistiekenbureau van Oklahoma becijferde dat er 36 doden waren gevallen, onder wie tien witte mannen. De ambtenaren telden alleen de lichamen mee waarop autopsie was verricht.

De zwarte bevolking deed er het zwijgen toe, als de dood dat als ze zou klagen, er weer witte mannen op de stoep zouden staan met geweren in hun handen en haat in hun ogen.

Het gezin Benningfield, met een jongen en drie meisjes, bleef nog even in de wijk Greenwood, maar de ouders van Lessie besloten rond 1924 te verhuizen naar elders in Tulsa. Beiden waren boeren uit Texas, vertelde Benningfield in 2015 aan onderzoekers die gesproken getuigenissen van 100-jarigen in Oklahoma vastlegden: ‘Ze hadden kennissen daar, die ze ervan overtuigden dat leven er gemakkelijker was en dat ze makkelijk werk zouden vinden.’

Het bestaan in Tulsa bleek minder rooskleurig. Benningfield ging in Tulsa naar de middelbare school. ‘Engels was mijn favoriete vak. Op school speelde ik basketbal, maar ik speelde nooit mee in een team of ging ervoor op reis. Ach, die goeie ouwe tijd.’ In 1937 slaagde ze voor het eindexamen, maar een vervolgopleiding zat er niet in. Ze moest al snel werken om de kost te verdienen.

Omdat ze geen praktisch vak had geleerd, ging Benningfield aan de slag als babysitter, huishoudhulp en later als bejaardenverzorger. Misschien zat in dat werkend bestaan wel het geheim voor haar lange leven, zegt ze in het interview. ‘Hard werken en netjes leven. Ik werkte als kind hard op de boerderij. Ik werkte hard thuis. En toen ik ouder werd en naar de stad moest voor een baan, werkte ik ook hard. Ik ben ook van de drank afgebleven. Er is niks mis met sterke drank, maar je moet ermee weten om te gaan.’

Ze was van plan om haar hele leven vrijgezel te blijven, net als een tante die werkte als onderwijzeres. Maar het lot besliste anders. In het begin van de jaren veertig, zo beschrijft ze, ontmoette ze de man van haar leven. Een staalwerker, Warner Randle. Toen ze elkaar een paar jaar kenden, moest hij het leger in. Het echtpaar kreeg vijf kinderen, twee meisjes en drie jongens. Benningfield zorgt nog steeds voor een van haar kinderen – een van haar zonen, die een beroerte kreeg.

Benningfield zegt dat zijn en haar familie hun hele leven last bleven houden van de gebeurtenissen van 1921, in emotioneel en financieel opzicht. Zij niet alleen: de zwarte gemeenschap gaat nog steeds gebukt onder de rassenverschillen. Zwarte inwoners leven gemiddeld zes jaar korter dan witte Tulsanen en zijn vaker werkeloos.

In 1980 werd Benningfield opnieuw door ‘witte mannen’ haar huis uitgezet. Dit keer in het kader van een stadsvernieuwingsproject, waarvan tegenstanders zeggen dat het door racistische motieven was ingegeven.

Tegen The New York Times zegt Benning dat bij tijd en wijle nog steeds herinneringen aan 1921 de kop opsteken, die haar verdrietig en boos maken. ‘Je denkt er soms aan. Het is niet fijn. Zeker niet als je bedenkt wat er gedaan had kunnen worden om hier een einde aan te maken.’

Benningfield heeft levendige herinneringen aan de Great Depression, de crisis van de jaren dertig. ‘We hadden altijd varkens, koeien en andere runderen gehouden, maar toen was er op een dag geen vlees meer. Mijn moeder verving die door koeken en een pan met jus. Dat is best wel lekker als je honger hebt.’

Benningfield was 100 jaar toen ze voor het eerst in een ziekenhuis lag. ‘Een van mijn kinderen lag in het ziekenhuis, dus was ik daar. Ik was kennelijk uitgeput, want ze vertelden me dat ik onderuit ging. Ik kan er me niks van herinneren.’

Heeft Benningfield ooit gedacht dat ze 100 jaar of ouder zou worden? ‘Nee, ik heb het nooit gedacht. Ik had een overgrootvader die 105 is geworden. Mijn moeder werd 82, en mijn vader 92.’

Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.

U bent niet ingelogd

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden

Source: Volkskrant

Previous

Next