‘Mensen die me zien denken altijd dat ik van de belastingen ben, of van de gemeente, of van de woningbouwvereniging. Een meneer met een colbertje en wit haar, dat moet wel slecht nieuws zijn. Met zo’n man willen ze liever niet praten. Daar moet ik doorheen, maar als dat eenmaal is gelukt, dan gaat het altijd goed.’
De linkse schrijver, reiziger, journalist, buurtactivist en – hij hecht zelf veel waarde aan deze vermelding – oud-keeper van ASV Arsenal en VVGA Chris Keulemans (63) woont sinds vijftien jaar in de Vogelbuurt in Amsterdam-Noord, in een bovenwoning. De voormalige arbeiderswijk, ooit nauw verbonden met de scheepswerven aan het IJ, heeft een gemêleerd karakter, tot zijn grote genoegen.
Over de auteur
Paul Onkenhout werkt sinds 1990 voor de Volkskrant. Hij schrijft over populaire cultuur, media, muziek en voetbal.
‘Ik heb me niet eerder ergens zo thuis gevoeld. En dat komt doordat ik de meeste tijd hier doorbreng met mensen die niet op mij lijken. Dat vind ik fijn. Ik heb me nooit op mijn gemak gevoeld in een homogene groep; mensen die er hetzelfde uitzien en hetzelfde denken als ik.’
Tien jaar geleden was Keulemans een van de oprichters van de Tolhuistuin, een culturele vrijplaats voor alle kunstvormen op het voormalige Shell-terrein. Eerder begon hij, ook in Amsterdam, de literaire boekhandel Perdu. In de jaren negentig was hij programmamaker en aansluitend directeur bij De Balie, het centrum voor cultuur en politiek.
Van die kring heeft hij goeddeels afscheid genomen. Amsterdam-Noord is zijn wereld geworden. Hij is in het stadsdeel een van de gangmakers van een actiegroep die zich verzet tegen de gentrificatie van het stadsdeel, Verdedig Noord, opgezet door componist, muzikant en schrijver Massih Hutak en onderdeel van de beweging Red Amsterdam-Noord.
Als schrijver is hij productief. Gastvrijheid, was het thema (en de titel) van een geprezen boek van zijn hand dat vorig jaar verscheen, een bundeling van kleine essays en reisverhalen. Komend voorjaar verschijnt Verzet, een titel die de tijdgeest én zijn persoonlijke drijfveren nog duidelijker blootlegt.
Zijn politieke opvattingen verwoordde hij eerder dit jaar in een vurig stuk in het maatschappelijk geëngageerde tijdschrift OneWorld. Online werd het massaal gelezen. Beheerst maar doeltreffend richtte Keulemans het woord tot de grote groep waarvan hij ook zelf deel uitmaakt, of uitmaakte, die van de ‘witte gezichtsbepalers in de wereld van kunst en media’.
Steeds meer gelijkgezinden, generatiegenoten, ‘glibberen naar rechts’, verloochenen volgens hem hun oude progressieve idealen en maken ‘xenofobe grapjes’. Ze hebben hun hakken in het zand gezet en keren zich af van de maatschappelijke vernieuwingen die worden aangezwengeld door ‘nieuwe stemmen’ en ‘mensen met ingewikkelde namen’. Een van zijn kernvragen: ‘Was het dan al die tijd zo’n dun laagje, hun linksheid, meer gewoonte dan overtuiging?’
‘Heel veel, maar niet één van mensen zoals wij; de mensen over wie ik schreef. Dat zegt wel iets.’
‘Dat mannen van onze leeftijd, mannen die ik ken uit de culturele sector, denken: o ja, Chris was altijd al een beetje eigenwijs en nu weten we zeker dat hij niet bij ons hoort. En dan krijg je de cold shoulder.’
‘Ze negeren me. Kijken de andere kant op. Gaan niet in gesprek. Ik had ook niet anders verwacht. Mijn sociale leven speelt zich ook niet meer af in de culturele wereld van Amsterdam. Maar we kennen elkaar goed, uit de tijd dat ik daar ronddoolde. We zijn samen opgegroeid.
‘Op dit moment ben ik in politieke en culturele kringen en in de media totaal niet belangrijk. Ik heb een paar posities gehad en ik heb daarna wat geschreven, maar ik heb geen officiële functie meer. Ik ben in die zin geen bedreiging. Een stukje in OneWorld is dat voor de goegemeente blijkbaar ook niet. Dus je kunt mij heel makkelijk links laten liggen. Dat vind ik verder ook prima, maar het zegt wel iets. Ze voelen zich waarschijnlijk betrapt en denken: ja, ik ben niet zo links als ik altijd deed voorkomen.’
Namen noemde hij in het stuk spaarzaam. Oud-politicus Ronald Plasterk, tegenwoordig columnist van De Telegraaf, is een uitzondering. Wat Keulemans over Plasterk schrijft, geldt ook voor de anderen tot wie hij het woord richt: ‘Tegenwoordig is hij een grimmige, bange man die overal spoken ziet.’
Keulemans formuleert kalm en weloverwogen en neemt soms lange denkpauzes. Of ik nog eens wil uitleggen waarom ik hem wil interviewen voor een groot stuk in de Volkskrant, vraagt hij.
‘De culturele scene in Amsterdam bestaat grotendeels uit mensen die elkaar met een half woord verstaan. Dat zie je niet alleen daar, ook bijvoorbeeld de bankenwereld en de journalistiek zijn daarop gebouwd. En dan komen mensen met moeilijke achternamen plotseling hun plek opeisen. Sommigen juichen dat toe, totdat hun eigen positie onder druk komt te staan. Het front begint af te brokkelen, omdat er soortgenoten zijn die verder gaan dan jij.’
‘Die plaats maken. Die hun positie niet als heilig beschouwen. Ruimte maken. Een platform bieden. Stemmen aan het woord laten die uit een andere geschiedenis komen; mensen met een ander referentiekader die andere boeken hebben gelezen dan jij, naar andere muziek hebben geluisterd en andere films hebben gezien.
‘Het is wennen. Dat snap ik. Toen ik hier de Tolhuistuin opzette, wilde ik graag de verhalen van Noord laten vertellen, de muziek laten horen en de films vertonen. Maar ik vond mezelf wel degene die het programma het beste kon samenstellen.
‘Ik stelde een team samen met zoveel mogelijk mensen met verschillende achtergronden en geschiedenissen. Toen voelde ik dat ik gewoon niet meer de beste componist was van het verhaal. Mensen kwamen met ideeën waar ik zelf nooit op was gekomen en hadden andere opvattingen dan ik over wat kwaliteit is. Het hele idee dat er één componist is, verviel langzaam maar zeker.
‘Mijn rechter- en linkerhand was acht jaar lang Touria Meliani, ze is nu wethouder van Cultuur in Amsterdam. Andere generatie, andere geschiedenis. Ze kwam uit het niets. Ik had haar ooit leren kennen als stagiaire in De Balie en ze was een tijdje bloemenverkoper in Den Helder geweest. We kwamen elkaar weer tegen en ik vroeg of ze bij de Tolhuistuin kwam werken. Dat heeft ze met verve gedaan. Langzamerhand ging zij de sfeer en de stijl van die plek bepalen, op een manier die ik niet had gekund.
‘Maar de bereidheid om die omslag te maken, moet je wel hebben. En die heeft niet iedereen. En vooral niet als je het gevoel hebt dat je eigen positie en inkomen gevaar lopen. En daar gaat het uiteindelijk om.’
‘Maar waarvoor? De mensen die ik aanspreek in dat stuk in OneWorld hebben in principe allemaal de kans gehad om hun schaapjes op het droge te krijgen. Vooropgesteld: ze hebben veel in huis en er hard voor gewerkt. Wij zijn niet per ongeluk op die plekken terecht gekomen. Er is voor gebikkeld.
‘Maar er is ook goed verdiend. Dat kon in de periode dat ze groot werden. Als het goed is, hebben ze een mooi pensioen, misschien een tweede huis, genoeg geld om hun kinderen te steunen. Ik spreek even niet voor mezelf, want dat heb ik allemaal niet.
‘Juist als je zelf die weelde hebt verschaft, juist als je het geluk hebt gehad deel uit te maken van die generatie, heb je de ruimte en de mogelijkheden om je verantwoordelijkheid te nemen; om een bijdrage te leveren aan een toekomst die gezond, tolerant en open is.
‘Met dit interview in het achterhoofd las ik laatst een column van Theodor Holman in Het Parool. Holman is iemand die zich vreselijk druk maakt over deze tijd van oorlog. Hij beschreef zijn woede en frustratie nadat hij had gebeld met vrienden. Jongens, hallo, Israël staat in brand, Oekraïne staat in brand, we moeten ons zorgen maken over wat er aan de hand is.
‘Maar de vrienden die hij aan de telefoon krijgt, zitten net lekker in de nazomerzon te genieten in hun huisje in Italië. Ze vertellen over de etentjes in de open lucht en over de fantastische wijn die ze in de buurt hebben gevonden. Dus die hebben helemaal geen zin om na te denken over Israël of Oekraïne. Dat is misschien het fenomeen waar ik het ook over heb; ze hebben alle mogelijkheden om hun verantwoordelijkheid te nemen, maar in plaats daarvan duiken ze weg.’
‘Theodor is, euh, wonderlijk. Omdat hij alle kanten opschiet. Hij is op de een of andere manier in zijn Theo van Gogh-trauma getriggerd door Oekraïne en nu door Israël en Gaza. Hij is verdrietig, bezorgd en paniekerig. Hij kijkt niet weg, maar hij is wel een man die bang is geworden voor de wereld en bang is voor de veranderingen.
‘Ik zat laatst samen met hem in een panel over Salman Rushdie. Vergeleken met mij staat hij helemaal aan de andere kant. Maar hij is niet de cold shoulder. Met hem kun je nog praten. En hij kan heel goed schrijven. Dat helpt een beetje.’
‘Mijn generatie is opgegroeid in de no-future-tijd, de jaren tachtig met punk en krakers en de stad-is-van-ons-mentaliteit. Het was een revolutionaire periode waarin veranderingen werden geëist. Wij wáren de veranderingen.
‘Dan kan het er bij mij niet in dat je er dertig, veertig jaar later bang voor bent. Bovendien is het niet zo dat de stad van de ene dag op de andere vol stond met mensen met moeilijke achternamen. Dat is natuurlijk een super-, supergeleidelijk proces geweest. Ergens in de loop van die dertig, veertig jaar had je heel makkelijk kunnen aanhaken.
‘We zijn niet overvallen door de veranderingen in de muziek, de film, de kunst en de literatuur. Ik snap dat je bang bent voor iets wat opeens op je afspringt, maar ik snap niet dat je bang bent voor die heel geleidelijke verandering van je eigen samenleving; een samenleving die nog steeds een van de meest welvarende en comfortabele ter wereld is.’
‘Dat heeft het geleidelijke proces alleen maar een versnelling gegeven. Er is iets meer massa ontstaan van mensen die roots hebben in voormalige koloniën of roots in landen waar meer moskeeën staan dan kerken. Maar die massa is niet groter geworden sinds het woordje woke zijn intrede deed. Die groep, die waaier aan diverse stemmen, bestaat al veel langer.
‘Het is wel zo dat de momenten waarop in de publieke ruimte iemand van kleur of iemand met een migratieachtergrond zijn stem verheft, elkaar iets sneller opvolgen. De beweging groeit en het geduld is op. De stemmen zijn luider geworden; niet omdat het woordje woke is uitgevonden, maar omdat het geduld op is.’
‘Die discussie is ingewikkelder geworden, maar het model is nog steeds redelijk goed hanteerbaar. Links betekent solidariteit. Niet kapitalistisch. Verder kijken dan je eigen belang, oog hebben voor de mensen die het minder getroffen hebben dan jij. Je verantwoordelijkheid nemen.’
‘Daar hebben we een staartje van meegekregen. Ik heb er een aantal principes aan ontleend, bijvoorbeeld dat geld, bezit en macht niet belangrijk zijn. Het kapitalisme is slecht, huwelijken zijn burgerlijk. Dat wilde ik allemaal niet en daar heb ik me tot op de dag van vandaag aan gehouden.
‘Die revolutie stolde. De mensen die daarin bleven hangen werden losers, drop-outs, alcoholisten, vermoeiende types. En voor de mensen die boven kwamen drijven dankzij hun ambitie, intelligentie en talent, gingen de deuren open. Tegelijkertijd deden ze de deur achter zich dicht. Er ontstond een zelfzuchtige, op welvaart gerichte generatie die een einde maakte aan de sfeer van openheid en tolerantie.’
‘Voor veel van die theoretisch opgeleide, cultureel actieve mensen, mensen zoals jij en ik, is dat altijd een abstractie geweest. In precies diezelfde periode verdween de klassieke arbeider sowieso van het toneel. De scheepswerven liggen hier in Noord niet meer aan de overkant van de straat.
‘Toen ik bij De Balie werkte, in de jaren negentig, vonden we onszelf geweldig. We zaten daar in het geweldige gebouw, in het centrum van Amsterdam en van de wereld. Wij weten hoe het werkt, dachten we. Maar we spraken óver mensen die het moeilijk hadden; niet mét ze. Ze zaten hoogst zelden op het podium.
‘Gek genoeg voel ik nu een sterke solidariteit met mensen van wie ik gewoon kan zien dat ze de energierekening niet kunnen betalen; die in verwaarloosde huizen wonen met schimmel en tocht en niet kunnen rondkomen. In Nederland leven meer dan 800 duizend mensen onder de armoedegrens. Het onderwerp staat niet genoeg op de politieke agenda. Het gaat er echt nog altijd te weinig over, maar voor die mensen zet ik me hier in.’
De eerste kennismaking van Keulemans met Amsterdam-Noord was op het voetbalveld, als keeper. ‘Mannen met matjes en pittbulls stonden me op 3 meter afstand uit te schelden. Dat was best intimiderend. En onze trainer bij Arsenal, een stratenmaker, kwam hier vandaan. Zo leerde ik Noord kennen. Toen de Tolhuistuin op mijn pad kwam, een brug tussen Noord en de stad, wist ik: hier wil ik wonen.
‘Amsterdam-Noord is de wereld in het klein. Alles wat op het nieuws is over Nederland, is hier aan de hand. Gentrificatie, nieuwbouw versus oudbouw, politieke radicaliseringen aan alle kanten, criminaliteit, toegenomen armoede. En er is hier een grote omgekeerde vlaggenbevolking, zeg maar. Met zijn allen tegen de grote bazen, tegen de hoge heren aan de overkant van het IJ, dat gevoel zit hier nog steeds diep. En ik voel dat ook.’
‘Dat denk ik ook. Dus dat vertel ik er meestal ook bij, al verklaart het natuurlijk niet alles. Ik ben geboren in Tunis, mijn ouders waren ontwikkelingswerkers. Daarna woonden we in Burkina Faso, Bagdad en in Bogor op Java. Ik denk dat ik me daardoor later zo thuis ben gaan voelen in Amsterdam. Ik herkende steeds meer geuren, kleuren, talen en muziek uit mijn jeugd.
‘Mijn moeders familie komt uit Amersfoort, mijn opa was daar gemeentesecretaris. Toen ik 12 was, gingen we in Amersfoort wonen. Ik was dus gewend om overal en nergens te zijn, op allerlei verschillende plekken met allerlei verschillende mensen. Het voelde nooit vreemd, ik was ook nog maar een kind. Ik heb nooit gedacht: goh, wat een exotisch, ingewikkeld leven heb ik geleid.
‘Amersfoort was verreweg de moeilijkste plek om te landen. Ik heb er lang over gedaan om te, euh, integreren. Uiteindelijk lukte het door het voetbal. Voetbal is superhelder. Als je goed bent, hoor je erbij, als je niet goed bent, val je af. Het gaat er alleen maar om wat je kan, niet om waar je vandaan komt, hoe je praat of hoe je eruit ziet. Het voetbal was voor mij de manier om me in Amersfoort thuis te voelen.’
Trots toont Keulemans een foto − een voetbalelftal uit 1990, hij is de keeper. ‘Dit is de kleedkamer van ASV Arsenal in 1990, met een elftal met Marokkanen, Surinamers, jongens van de Albert Cuyp en nog een andere keeper. Hij kwam uit Ghana en was illegaal in Nederland.
‘Onze trainer, de stratenmaker uit Amsterdam-Noord, ging opeens heel erg zijn best doen om hem aan papieren te helpen. Hij zat uren bij de vreemdelingenpolitie en de IND. Bij mij ging een lichtje branden. Hij was eerlijk gezegd ook beter dan ik. Daar, in die kleedkamer, met al die verschillende mannen, groeide ik op. En daar heb ik het meest geleerd.’
CV
1960 Op 5 januari geboren in Tunis
1984 Boekhandel Perdu in Amsterdam
1990-1999 Programmamaker en directeur debatcentrum De Balie
1992 Overal om mij heen is ruimte (over zijn ervaringen als keeper in het amateurvoetbal)
1996 Essaybundel Van de zomer naar de werkelijkheid
2004 Roman en documentaire De Amerikaan die ik nooit geweest ben
2007-2014 Oprichter en directeur cultureel centrum de Tolhuistuin
2021 Gastvrijheid (reisverhalen en herinneringen)
Chris Keulemans heeft een relatie en woont in Amsterdam-Noord
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden