Riek Wentink is 100 jaar. Hoe kijkt deze ‘eigenwiese’ Achterhoekse aan tegen de eeuw die achter haar ligt?
Riek Wentink is een assertieve, vrolijke Achterhoekse, die er trots op is dialect te spreken, want, zegt ze: ‘A’j plat kunt praoten, mo’j t neet laoten’. De 100-jarige woont in een zelf gecreëerd familiemuseum in Terborg. In haar tweekamerflat heeft ze zich omringd met talrijke snuisterijen, zoals ambachtelijk gereedschap van haar vader en grootvader die schoenmaker waren, handwerken van haar moeder, een groot beeld van de heilige Antonius uit de nalatenschap van lievelingsbroer Toon, medailles en bekers die Toon kreeg na wandeltochten. En talrijke foto’s van haar voorouders en het gezin waarin ze opgroeide. Op een kast staan op een rij ingelijste portretten van haar zes broers. Blikvanger is een rood emaillen bord met in zwarte letters: ‘A.W. Wentink, onder rijkstoezicht gediplomeerd schoenhersteller’. Het prijkte in de jaren vijftig van de vorige eeuw nog maar een paar maanden op de gevel van de schoenenwinkel die ze decennialang met haar broer Toon bestierde, toen het plotseling verdween. Afgelopen zomer, dus zeventig jaar later, lag het ineens ingepakt en licht beschadigd in haar brievenbus. Een nog onopgelost mysterie.’
‘Daar heb ik nooit over nagedacht. Waar zou ik heen moeten? In Terborg had ik mijn werk en mijn familie. Nu ik 100 ben, zit ik de hele dag hier op mijn stoel naar buuten te kieken. Die lindeboom voor mijn raam neemt mijn uitzicht weg; de kerk erachter kan ik niet meer zien. Het duurt dit jaar wel erg lang voordat de bladeren vallen. Kun je die verrekte boom niet omhakken en meeslepen achter op je fiets? Dan ben ik ervanaf.’
‘Ik gaf niet zo om vakantie, al dat geklep in een gezelschap… Wel ben ik een keer met een groep naar Zeeland geweest, en naar België. Ook mocht ik met het Ulfts mannenkoor, waar mijn broer Toon in zong, mee naar Engeland. Hij kon prachtig zingen.’
(Ze kijkt naar buiten, moet zichtbaar iets wegslikken en herstelt zich snel.) ‘Toon was legendarisch, iedereen in Terborg kende hem. We werkten bijna vijftig jaar met veel plezier samen in onze schoenenwinkel in de Hoofdstraat. Nadat onze vader op 22 december 1946 in ene keer was overleden, zetten we samen de zaak voort. Met Toon is het ook zo gegaan. We waren in 1991 uitgenodigd bij Omroep Gelderland voor een radio-interview, omdat de winkel honderd jaar bestond. Op een vraag antwoordde Toon: ‘Er moest brood op de plank komen…’ – daarna schoof hij van zijn stoel en viel dood op de grond. Ik zag het gebeuren. Bij de begrafenis van Toon liep ik vooraan, meteen achter de kist. Bij de uitvaart van mijn vader gingen alle mannen voorop, de vrouwen moesten achteraan lopen, dat was een gekke regel in die tijd.
‘In de winkel hadden Toon en ik een duidelijke taakverdeling. Hij deed de schoenreparaties, ik de verkoop – en ik hield de boel schoon. Elke ochtend om 7 uur stond ik op om de stoep te vegen, de ramen van de etalage te zemen en de tegelvloer van de winkel schoon te maken. We verkochten dames- en herenschoenen en Quick-voetbalschoenen. Van die deftige damesschoenen met naaldhakken hadden we niet, die zijn slecht voor je voeten, zei mijn vader altijd. Toen Toon stierf, was ik 68. Een half jaar later besloot ik de zaak te verkopen en te verhuizen.’
‘Nee. Daar ben ik nooit zo mee bezig geweest. Mijn werk was mijn leven. Toon had ook geen relatie. Hij heeft twee keer verkering gehad en twee keer ging het mis. Ik heb ook twee keer verkering gehad en bij mij ging het ook twee keer mis. We zijn altijd thuis blijven wonen bij onze moeder, die met ons achter de winkel woonde. Toon en ik hebben tot haar einde, in 1984, voor haar gezorgd, omdat zij altijd voor óns had gezorgd. Ze kookte elke dag voor ons, totdat ze het eten liet aanbranden, daarna nam Toon die taak over.’
‘Ouderen staan helemaal buitenspel. Mijn boodschappen kon ik nog niet zo lang geleden telefonisch bestellen bij de supermarkt, maar nu kan het alleen nog maar met zo’n ding.’ (Ze wijst naar de smartphone van haar bezoek.) ‘Het jonge volk kan daar mee omgaan, maar ouderen lukt dat niet. Ik heb er geen een en wil er geen een. Elke vrijdag komt mijn nog enige levende broer langs met zijn vrouw. Dan zet mijn schoonzus lekkere koffie en bestelt met haar ding mijn boodschappen.
‘Het valt mij op dat jongens en meisjes er tegenwoordig hetzelfde uitzien: bijna allemaal dragen ze een spiekerboks (spijkerbroek, red.) en dezelfde schoenen. Ook zie je nog maar weinig kinderen op straat spelen. Vroeger waren wij na school altijd buiten te vinden. Ik kon beter bokspringen dan mijn broers.’
‘Het enige verschil was dat ik een jurk droeg en zij niet. Op een dag zei mijn moeder: ‘Doe ook maar een korte boks met kousen aan, net als je broers. Buurvrouwen hadden hun mening snel klaar: ‘Hebben ze maar één meisje, en dan maken ze er een jongen van!’ Mij kon het niet schelen, maar mijn moeder trok zich het geklets aan, dus ging ik weer jurken dragen.’
‘Als kinderen wisten we dat onze ouders niet alle rekeningen konden betalen en we nergens om hoefden te vragen. Zeuren deden we daarom niet. Als we jarig waren, kregen we griesmeelpudding met bessensap als toetje. Voor een cadeautje was geen geld.
‘Mijn moeder was een boerenvrouw, mijn vader schoenmaker, orthopedisch schoenmaker, hij maakte dus schoenen op maat voor wie moeilijke voeten had, maar ook gewone schoenen. Vader was streng en moeder ook,’ (Ze maakt een meppend gebaar.) ‘maar ook lief. Moeder gebruikte eigenaardige woorden voor mij, zoals ‘snottebel’ of ‘eigenwiese draodnaegel’. Als een van ons was gevallen en een knie open lag, haalde ze het grind eruit, schrobde de wond schoon met groene zeep – dan gilde je het uit – smeerde er varkensreuzel van de slager op en bond er een reep katoen, gescheurd uit een laken, omheen. Vroeger losten de mensen alles zelf op, tegenwoordig wordt overal de dokter bijgehaald, allemaal drama.
‘Vader en moeder waren altiet aan het werk, in de zaak, de moestuin, inmaken. In de avond zat moeder te breien: truien en lange kousen, dat kon ze met haar ogen dicht.’ Riek pakt een antracietkleurige kous die op haar rollator ligt. ‘Deze heeft mijn moeder nog gebreid.’
‘Er zit wel een gaatje in.’
‘Dit olde wief wet nog wel wat heur, zoas aover de oorlog. Mijn ouders waren bevriend met onze Joodse buren, Joseph en Amalia Mestriz. Joseph kwam elke dinsdagavond bij ons kaarten. Al in 1938 zei mijn vader tegen hem: ‘Laat een tramwagon komen, laad je spullen erin, ga met je gezin naar Rotterdam en pak daar de boot naar Palestina.’ Joseph dacht dat Nederland niet zou toelaten wat er in Duitsland met Joden gebeurde – en bleef. Op 7 oktober 1941 werd Mestriz met vijf andere Joodse mannen in Terborg opgepakt en afgevoerd. Een week later hoorden we Amalia gillen: ze had een brief gekregen waarin stond dat hij in Mauthausen aan longontsteking was overleden, maar dat was een leugen, hij was vermoord.
‘Mijn moeder was een heldin, want zij bracht Amalia met twee schoonzussen naar een onderduikadres, haar zoon Bennie ging naar een andere plek. Een jaar later werden de drie vrouwen verraden door de dochter van het onderduikadres – ze kreeg 75 gulden voor haar verraad.
‘In de nacht van 12 december 1943 vielen gewapende Duitse soldaten ons huis binnen. ‘Heraus!’ , riepen ze. We moesten allemaal ons bed uit en in de woonkamer op een rijtje staan. Moeder ging gauw op een stoel zitten, waar ze drie joodse bijbels van Mestriz onder verborgen hield. Andere spullen van onze buren bewaarden we boven in het kolenhok. De soldaten doorzochten ons hele huis, op zoek naar Joden. Ze bevalen mijn moeder ook te gaan staan, maar ze weigerde. Ze zei dat ze daar te ziek voor was, wij kinderen vielen haar bij. De soldaten lieten haar met rust, gelukkig maar, want als ze de bijbels hadden ontdekt, was moeder er geweest. Vader moest na de huiszoeking mee in de overvalwagen om ondergedoken Joden aan te wijzen. Natuurlijk deed hij dat niet. Een dag later kwam hij gelukkig weer thuis.’
‘Bennie overleefde de oorlog en vertrok naar Amsterdam. Alle spullen van zijn ouders die we in bewaring hadden genomen, gaven we aan hem. In de jaren vijftig is Bennie naar Israël geëmigreerd, en kreeg elf kinderen. In 1995 kwam hij naar Terborg. Hij wilde graag zijn geboortehuis en de manufacturenwinkel van zijn ouders zien. Er zat inmiddels een drankenzaak in, en die bleek die dag gesloten. Door het raam zagen we dat de keuken nog hetzelfde was.’
‘Een betje eigenwies. Ga je die boom voor mijn raam nog voor mij omhakken en wegslepen?’
geboren: 22 augustus 1923 in Terborg
woont: zelfstandig, in Terborg
beroep: zelfstandig ondernemer/verkoper
familie: nog één broer (91), neven en nichten
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden