Home

Ut hebbe van dezellufde identitèt

De BBB voert campagne in diverse talen, dialecten en sociolecten, las ik, zoals onder meer Fries, Papiaments, Nedersaksisch. Voor de gein zit daar ook het Haags bij: „Ut hebbe van dezellufde identitèt en dezellufde taal is essentieil om elkaah te kenne begrèpûh”, meldt de samenvatting van het verkiezingsprogramma.

Ik bleef een poosje naar die zin zitten staren. Wat bedoelt BBB daarmee? Die zin lijkt zichzelf juist tegen te spreken als die vertaald is in verschillende talen.

Blijven we lekker onder elkaar begrijpelijk zijn in het Turks, het Limburgs, het Fries? Of is het juist van belang één zelfde taal te spreken? Het ‘hebben’ van dezelfde taal en zelfs ‘dezelfde identiteit’ lijkt me nogal veel gevraagd, het beheersen van een gemeenschappelijke taal moet voldoende zijn.

Of is het dat niet?

In De Groene werd het winnende essay van de Anil Ramdas Essayprijsvraag gepubliceerd. Auteur, dichter en radioproducent Hamed A. Nadoshan, opgegroeid in Iran en sinds 2018 in Nederland wonend, schrijft over de moeite die het hem kost om een plek te vinden in de Nederlandse maatschappij. Zijn ‘binnenwereld’ is, zoals hij schrijft, seculier en open (hij heeft het over zijn ‘innerlijke Kuifje’), hij heeft zich behalve met zijn moedertaal nooit specifiek verbonden gevoeld met Iran.

Hij ontwikkelde zich breed: „In mijn jonge jaren had ik Spinoza gelezen, ik was bekend met de schilderijen van Van Gogh, Rembrandt en Mondriaan, zelfs mijn favoriete voetbalteam in Europa was Oranje met zijn uitzonderlijke sterren van toen: Van Basten, Koeman en Gullit. Ik dacht nu dat ik op een plaats was gearriveerd die geheel en al in harmonie zou zijn met mijn innerlijke wereld.”

Maar dat is niet zo, en dat zit ’m in de taal. Natuurlijk heeft Nadoshan Nederlands geleerd, dat is verplicht en bovendien wilde hij het graag.

Het niveau van het taalonderwijs dat hij kreeg noemt hij laag, als je zijn essay leest denk je dat dat óf wel meevalt, óf dat hij linguistisch behoorlijk begaafd is.

Alleen: we horen hem niet, we lezen hem. En naar hij schrijft is de nadruk bij het bepalen of iemand erbij hoort verschoven van huidskleur en uiterlijk, naar taal en accent.

En ja, eerlijk gezegd, dat herken ik wel. Dat wil zeggen, ik herken de enorme aandacht voor accent en uitspraak. Dat iemand uit Amsterdam-West anders Amsterdams klinkt dan iemand uit de Jordaan, dat je zulke dingen kunt horen, ja dat is leuk. En dus hoor je ook dat iemand een ‘niet-Nederlands’ accent heeft en probeer je dat thuis te brengen.

Maar dat zegt, dacht ik tenminste altijd, nog niets over je gevoel van verwantschap of het niveau van communicatie. Iemand kan accentloos dingen zeggen die je direct vervreemden, en met een accent iets uitdrukken waarmee je je verwant voelt.

Maar nu vrees ik toch dat je vooral op grond van een niet-Europees accent meteen een wereld van wederzijds onbegrip veronderstelt.

Hoor ik een zwaar accent, dan denk ik niet aan Van Gogh of Spinoza. Nu ja, anders ook niet voortdurend.

Nadoshan merkt dat hij, ook al kan men hem ‘begrèpûh’, meteen in de categorie ‘immigrant’, ofwel buitenstaander valt door zijn moeizamer klinkende taal. Dus toch die ‘identitèt’, die we verzinnen op grond van iemands accent. Hm.

Maar toch hoeven onze identiteiten niet gelijk te zijn. We moeten alleen even onze oordelen opschorten. Moeilijk genoeg.

Source: NRC

Previous

Next