Ruim zeven jaar geleden liep Marcel Haenen (63), ervaren verslaggever zware misdaad bij NRC, met de boswachter door een natuurreservaat in Nieuw-Zeeland. Er lag een lijk, het gezwollen en verkleurde stoffelijk overschot van een man die al weken werd vermist. Terwijl agenten een onderzoek instelden, werden Haenen en zijn vriendin opgevangen en kregen zij professionele slachtofferhulp aangeboden voor de mogelijk traumatische ervaring.
Haenen was niet bedrukt. Integendeel: hij jubelde. ‘Op een schitterende zomerdag heb ik mijn favoriete pinguïn mogen ontmoeten. Ik ben ontroerd, dankbaar en vooral heel erg uitgelaten’, schrijft hij onbekommerd in zijn boek Pinguïns en de mensen, dat net is verschenen.
Die ‘geschiedenis van een belaagde vogel’ is de weerslag van een levenslange fascinatie van Haenen. ‘Er gaat geen dag in mijn leven voorbij zonder dat ik een paar foto’s heb bekeken van pinguïns’, beschrijft hij zijn ‘aandoening’ met enige zelfspot. ‘Na elke ontmoeting vlindert het in mijn buik.’
Dientengevolge is Haenen in zijn veertigjarige loopbaan bij de krant niet alleen de onthuller in grote zaken als de IRT-affaire en de drugshandel van Desi Bouterse, maar ook de enige ‘redacteur pinguïns’ van het land, zo niet ter wereld. Zijn boek is ‘een liefdesverklaring met een rouwrand’.
‘Met de Okki, een weekblad voor leerlingen op de lagere school die te jong waren voor de Taptoe. Daarin stonden verhaaltjes over de Bijbel en Onze Lieve Heer, maar ook over natuur. Ik herinner me een omslag met een pinguïn erop, het verhaaltje ging erover dat pinguïns vrienden van ons mensen waren.
‘Ik was zo’n jongetje dat later dierendokter wilde worden. Mijn tante Jojo had me een abonnement gegeven op de Spectrum Dierenencyclopedie, een groeiende serie weekbladen in zeven blauwe verzamelbanden. In de eerste aflevering stond al een stuk over de adeliepinguïn. Vier pagina’s, met kleurenfoto’s. Ik was ontroerd door die gestalte. Die schoonheid: een pinguïn zit goed in het pak, met subtiele kleuren. Hij draagt wat geel, oranje en rood, maar heel gedekt en ingetogen. Een zonderling wezen: een vogel met vleugels, die niet kan vliegen. Een klunzig waggelende peuter die onder water verandert in een balletdanser.
‘Het probleem destijds was: hoe kwam je meer te weten? Ik kom uit een eenvoudig gezin uit Heerlen, ik moest helemaal naar m’n opa fietsen voor een atlas. Toen zag ik: de pinguïn woont niet om de hoek, maar op de zuidelijkste punten van het zuidelijk halfrond. De kans dat ik er ooit een in het wild zou zien, was te verwaarlozen. De fascinatie hield niet op: naarmate ik me meer verdiepte, groeide die uit tot een verslaving.’
‘Het neemt nog altijd toe. Pinguïns hebben een goede smaak: ze wonen op de mooiste plekken op aarde. De achttien soorten leven op achttien plekken, waar doorgaans geen mensen zijn. De Galapagoseilanden, de zuidkant van Nieuw-Zeeland, Zuid-Georgia – schitterend.
‘Het treffendste woord voor de pinguïn vind ik ‘welgemanierd’. Ze lijken je te groeten als je ze tegenkomt, ze lopen netjes om je heen. Ze zijn nooit agressief, nimmer is een mens door een pinguïn aangevallen. Ik ken geen aangenamer gezelschap dan een kolonie pinguïns.’
Jean-Pierre Geelen werkt op de wetenschapsredactie van de Volkskrant als redacteur natuur en biodiversiteit. Hij schreef onder meer het boek Blinde vink – Hoe ik vogels leerde kijken.
‘Mijn eerste pinguïn zag ik op mijn 12de, in Artis. Een grootse ervaring. Mijn eerste wilde pinguïn zag ik in 1988 op reis in de Admiraliteitsbaai van het Antarctische eiland King George. Een ezelspinguïn, die me de rug toekeerde en een straal witte poep mijn kant op spoot.
‘Toen ik in 2003 correspondent Latijns Amerika werd, moest ik met de hoofdredactie onderhandelen over de standplaats. Mexico-Stad of Sao Paolo waren gebruikelijk, maar ik wilde per se naar een pinguïnland. Argentinië. Dankzij wat gelegenheidsargumenten is de krant erin getrapt en kon ik naar Buenos Aires verhuizen. Zo kon ik met het hele gezin vijf jaar lang makkelijk naar Antarctica en Patagonië om pinguïns te bekijken.
‘Als redacteur pinguïns van NRC, een portefeuille die gek genoeg nog onbezet was, mocht ik met Greenpeace en tien internationale journalisten naar Antarctica. Ongelooflijk opwindend. Afgelopen voorjaar ben ik er voor de derde keer geweest en heb ik metropolen van pinguïns gezien. Zo mooi, dat ik er nog altijd niet op uitgekeken ben.’
‘De meeste pinguïnsoorten worden nu zo ernstig in hun voortbestaan bedreigd dat ze voor het einde van deze eeuw in het wild waarschijnlijk goeddeels zijn uitgestorven. Alleen met soorten als de ezelspinguïn gaat het goed: opportunisten die hun voedsel aanpassen aan veranderende omstandigheden.
‘De keizerspinguïn, de grootste, is ten dode opgeschreven. Niet per se door de vogelgriep, wat onlangs het nieuws was, maar door zijn bijzondere broedproces. In het begin van de winter legt de keizerpinguïn één ei. Het mannetje gaat broeden bij -40 graden, de vrouwtjes gaan op pad om te eten. Dertig dagen heen, dertig dagen terug. Dat komt precies uit: zo kunnen de vrouwtjes het overnemen wanneer het ei uitkomt en gaan de mannetjes op pad voor eten. Daarna zijn ongeveer acht à negen maanden nodig om het kuiken op te voeden. De vacht van die pluizenbollen is dan nog niet waterdicht.
‘Nu het ijs door opwarming eerder en sneller gaat smelten, donderen de kuikens in het water en sterven ze snel van de kou. Het is nu lente in Antarctica. Een paar weken geleden is vastgesteld dat her en der al scheuren in ijsschotten ontstaan. Een kolonie is dit jaar al verdwenen, door het ijs gezakt; alle 61 kolonies daar lopen gevaar.’
‘Ik verzamel oude litho’s (wijst op prenten aan de muur van zijn huiskamer, red.). Hier: een reuzenalk, die hebben we in de 19de eeuw al laten uitsterven. Daar: de dodo. De twee beroemdste lopende vogels zijn al verdwenen.
‘Er zijn pinguïnbotten gevonden van 61,6 miljoen jaar oud. De Europese mens heeft ze pas vijfhonderd jaar geleden ontdekt. In minder dan 1 procent van hun bestaan zijn wij in staat gebleken ze goeddeels uit te roeien. Pinguïns zitten op verlaten plekken, waar geen mensen wonen. Als dieren zelfs daar niet kunnen overleven, is dat wel heel tekenend voor de toestand van de aarde. Elke pinguïn is een thermometer in de aardbol. Wanneer zelfs de pinguïn kopje onder gaat, is dat bijzonder verontrustend.’
‘De visserij moet dringend aangepakt. Ik heb in Zuid-Afrika met vissers gesproken: pinguïns zien ze als pain in the ass. Er zijn daar 27 duizend mensen actief in de visserij, meer mensen dan er pinguïns resteren. Vis is bovendien goedkoop voedsel. ‘What’s the point of a penguin?’, vroegen ze schouderophalend toen ik over de bedreigingen van de vogel begon.
‘In 2016 ben ik naar Nieuw-Zeeland gereisd om de geeloogpinguïn te zien. Mijn favoriet, waarvan er nog maar een paar honderd leven. Ik vond het zo belangrijk, dat ik er zelfs voor The New York Times een stuk over schreef. Omdat de Rabobank in Nieuw-Zeeland heel actief is, besloot ik toenmalig bestuursvoorzitter en oud-collega Wiebe Draijer te schrijven om iets voor de pinguïn te doen.Zijn antwoord luidde dat het niet paste om maar één soort te beschermen. Later dat jaar ging Willem-Alexander er op staatsbezoek. Ik schreef een brief aan de koning om hulp te vragen voor de pinguïn. Het antwoord was opnieuw onzinnig: vanwege de vele verzoeken kon hij hier niet aan voldoen. Later permitteerde hij zich wel een fotomomentje met een andere zeldzame loopvogel: de kiwi. Dat kon kennelijk wel.
‘Toen besloot ik dit boek, een oud plan, te schrijven. Wat ik wil, is aandacht vragen. Agenderen. Geen pamflet; ik wilde ook laten zien hoe mooi de pinguïn is. Show, don’t tell. Toch sluit ik niet uit dat ik verder zal gaan: het is tijd voor een pinguïnbrigade, die campagne voert om de pinguïn te redden. Dat meen ik serieus. De crisisberichten stapelden zich op dit jaar. Eerst het nieuws over dreigende vogelgriep. Daarna spoelden vijfduizend magelhaenpinguïns uitgehongerd aan bij Urugay. En zo volgden meer berichten tijdens het afronden van dit boek. Daar werd ik somber van. Het uitsterven van deze dieren gaat iedereen aan.’
‘Je kunt niet over natuur schrijven zonder die te bekijken. Pas toen ik zelf in Zuid-Afrika was, zag ik hoe droevig de toestand daar is. Pinguïns lopen er door de straten van het zuidelijke stadje Simonstown, nadat ze van hun eilanden waren verdreven voor het rapen van grote hoeveelheden van hun mest, die zeer vruchtbaar is. Uit armoe proberen ze nu het vasteland te koloniseren.
‘Toen ik in 1988 voor het eerst Antarctica bezocht, waren er dat jaar drieduizend mensen geweest. Nu zijn het er jaarlijks honderdduizend. Toerisme wordt nu strak gereguleerd: je moet je schoenen desinfecteren, er zijn tijdsloten. Natuurlijk leidt dat ook tot verstoring. De pinguïn profiteert niet van mensenbezoek. Maar die mensen keren wel terug als ambassadeurs voor het dierenrijk. Ze zijn soms tot tranen geroerd door de schoonheid. De vraag is wel hoeveel ambassadeurs de pinguïn nodig heeft. Ik denk dat het beter is ze zo veel mogelijk met rust te laten. En toch: de grootste bedreiging is niet het toerisme, maar de visserij.’
‘Ik heb geen fundamentalistische opvattingen over dierentuinen, maar Artis is stamboekhouder van de Afrikaanse pinguïn. De vogels worden daar soms ruim dertig jaar oud, in het wild hoogstens vijftien. Als in een dierentuin inteelt dreigt, regelt Artis dat er nieuwe pinguïns uit een andere dierentuin komen.
‘Vorig jaar sprak ik in Zuid-Afrika het hoofd van de wetenschappelijke afdeling van een organisatie die pinguïns beschermt. Hij had net overleg met Artis gehad over het invliegen van genetisch zuivere pinguïns uit Europa. Ze overwegen daar een soort pinguïnfabriek te beginnen, waarna jongen kunnen worden uitgezet op het vasteland, met hekken eromheen tegen luipaarden en tijgers. Ze schijnen zo’n plek als nieuw leefgebied te kunnen beschouwen. Zo proberen ze in Afrika de pinguïn te redden. Begrijpelijk, maar ook erg droevig.’
Marcel Haenen: Pinguïns en de mensen – Geschiedenis van een belaagde vogel. Querido; 296 pagina’s; € 29,99.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden