Home

Wat antisemitisme was, begon ik pas te begrijpen toen ik Carry van Bruggen las

Je hoort de laatste tijd weer geregeld het woord ‘antisemitisme’ vallen. Als kind vroeg ik eens wat dat betekende, en mijn moeder antwoordde: ‘Antisemieten zijn mensen die een hekel aan Joden hebben.’ Daar schoot ik weinig mee op, want ik wist niet wat een Jood was. En toen mijn moeder een paar Joodse vrienden, kennissen en tv-persoonlijkheden opsomde wist ik nóg niets, want ik merkte niets bijzonders aan die mensen.

Wat antisemitisme is, begon ik pas later te begrijpen, toen ik Het Joodje las, van Carry van Bruggen (1914). Van Bruggen, zelf uit een arme Joodse familie, beschrijft hierin hoe een intelligent Joods jongetje, Bennie Lehren, zich op weet te werken uit zijn armoedige milieu.

De Joodse kinderen in zijn dorp worden op zijn best met de nek aangekeken, maar meestal onverholen gepest en mishandeld. ‘Thuis werd hem ingeprent de rijken uit de weg te gaan, twist en straatrumoer te vermijden, ze waren arm en ze waren Joden, ze trokken altijd aan het kortste eind.’

Over de auteur
Schrijfster Sylvia Witteman bespreekt elk weekeinde een boek dat haar is opgevallen.

Bennie is dan wel arm en vies (hij durft zijn ouders niet om een tandenborstel te vragen, bang dat ze hem uitlachen) maar ook de beste van de klas. Met (financiële) hulp van een betrokken schoolmeester wordt hij naar het gymnasium gestuurd, waar hij opnieuw wordt bespot en veracht, al hebben de leerlingen ook een zeker ontzag voor zijn slimheid en belezenheid.

Als Bennie de kans krijgt wat geld te verdienen als bijlesleraar voor een rijk kind, schaamt hij zich zó voor zijn afkomst dat hij, naar zijn godsdienst gevraagd, niet durft te antwoorden. Het werkt averechts. De vader van het rijke kind valt uit: ‘Dat is wat moois, hoor kereltje… jij schaamt je als ik het wel heb voor je geloof – jij staat daar te draaien en je zou wel willen liegen, als je durfde (…). Ik heb eens ergens gelezen dat de Joden zelf schuld hebben aan allen smaad, die ze overkomt, en ik begin te geloven dat het volkomen waar is.’

Maar niet iederéén is antisemiet. Bennie belandt uiteindelijk als bijlesleraar bij een ander gezin, de Van Erps, waar hij juist hartelijk wordt onthaald: de vrouw des huizes vertelt hem met een ‘moederlijke glimlach’ dat hij ‘een heel mooi Joodje was, dat ze een bijzonder zwak had voor dat donkere, olijfbleeke, zwaarmoedige type, waartoe hij behoorde, dat Joden het interessantste ras van de wereld waren’. Tsja.

Bij de Van Erps maakt Bennie kennis met beschaafde weelde, hij maakt zich met veel pijnlijk vallen en opstaan de gewoonten van de achteloos-welgestelden meester, koopt een artistiek fluwelen jasje en verwerft allengs een zekere status als gekwelde dichter, over wie de dames op de luxe soupertjes zich kirrend ontfermen. Maar écht op zijn gemak voelt hij zich daar niet.

Van zijn eigen Joodse gemeenschap vervreemdt hij intussen steeds meer. Hij ergert zich aan de lawaaiige, sjofele ‘Elie uit de lintjeswinkel, Maup, die op vrijdagmiddag voor drie stuivers zuur bij ze bracht, roode Sam uit het galanteriemagazijn’, waardoor hij bij zijn eigen familie in ongenade valt: ‘Met je geleerde kop ben jij een reuze stuk ongijn, om je zusters verjaardag te verschteeren – en je rijkeluisvriendjes d’r hielen te likken. En toch spugen ze op je, toch ben je de smaus en blijf je de smaus –, al hang je hier nou nog zoo hard de verschwartzte nar uit.’

Arme Bennie. Daar bungelt hij dan, tussen twee culturen. En dan versmaadt hij ook nog het mooie, lieve Joodse meisje Juutje, ten gunste van een verwende, rijke trut…

Het Joodje geeft een indringend beeld van het verschijnsel antisemitisme, maar is bovendien, ook ruim een eeuw na dato, nog steeds een heerlijke roman.

Source: Volkskrant

Previous

Next