Sinds de vorige eeuwwisseling verlieten tientallen miljoenen Zuid-Italianen hun thuis voor een beter leven. Hoe overleeft een dorp zonder inwoners? ‘Tien jaar geleden waren hier nog tien ondernemers, maar nu is er bijna niemand meer.’
Op 15 augustus is het een drukte van jewelste op het strand van Coccorino – elk jaar weer. Bij de strandtent blaast My Way van Frank Sinatra uit de speakers, en bruinverbrande vakantiegangers uit Rome en Milaan lopen af en aan met een biertje in hun hand. Het strand is bezaaid met kleurige parasols en koelboxen. Daarachter ligt het water. Een eindeloos turquoise zee, waarin alleen de rokende vulkaan Stromboli acte de présence geeft. En, op een heldere dag, de Straat van Messina, die deze regio Calabrië scheidt van Sicilië.
Ook de paese, zoals de Coccorinezen de oude dorpskern hoger op de heuvel noemen, is vol leven. Kinderen spelen op het plein in de schaduw van de moerbeiboom. Auto’s toeteren in de haarspeldbochten. Af en toe blijven tegenliggers staan om een praatje te maken.
Maar een paar weken na het grote Italiaanse zomerfeest Ferragosto ziet alles er heel anders uit. De parasols en koelboxen zijn verdwenen van het strand. Op het bankje onder de moerbeiboom in de paese zitten alleen nog wat grijsaards.
Nu is het herfst, en er is bijna niemand meer te bekennen op straat.
Coccorino, in de punt van de Italiaanse laars, is de afgelopen honderd jaar veranderd: van een levendig dorp van boertjes die stukjes land pachtten om hun grote gezinnen mee te voeden, in een vrijwel uitgestorven gehucht. Net als de vader van Frank Sinatra zijn tientallen miljoenen Italianen sinds 1900 uit Zuid-Italië weggetrokken om in New York, Milaan of Buenos Aires een beter bestaan op te bouwen. De Milanesi, zoals de achterblijvers ze noemen, komen hier alleen nog op vakantie in de zomer.
In dit Calabrese dorp, midden in een van de demografische rampgebieden van Europa, kochten wij vijftien jaar geleden een huis. We werden aangetrokken door de groene heuvels met olijfboomgaarden, de zee en Stromboli, het weer, het eten en de gastvrije mensen – voor wie we zo snel mogelijk Italiaans leerden. Maar gaandeweg begonnen we de tragiek van ons dorp te zien.
‘Hier zaten vroeger de nonna’s, die op de kleintjes pasten terwijl hun ouders op het land werkten’, zegt Caterina Santoro (56), wier moeder nonna Maria in 1946 werd geboren in het huis dat nu van ons is. Ze wijst naar de stoepjes in het uitgestorven straatje dat naar het dorpsplein afdaalt. Maar kinderen zijn er bijna niet meer, zegt ze. Twee dagen na Ferragosto overleed de laatste nonna in de straat.
De leegloop is de huizen aan te zien. De begane grond, gebouwd van steen, staat meestal nog, maar de volgende verdieping, van aarde en stro, is aan het afbrokkelen. Klimop vult de gaten. Binnen maken relmuizen en straatkatten hun nestjes in halfvergane matrassen. Als de huisjes aan hun lot worden overgelaten, staan hier uiteindelijk alleen nog hoopjes stenen. Voer voor archeologen.
Het lot van dit dorp is het lot van talloze dorpen in Italië, in Spanje, Frankrijk, Griekenland, op de Balkan en verder. De Europese Commissie publiceert alarmerende berichten over de ontvolking van ruraal Europa, en stelde in 2019 de eerste commissaris voor democratie en demografie aan, mede om dit probleem aan te pakken. La España vacía, heet het lege land in Spanje. Massaal zochten de kinderen van de dorpelingen een beter leven, in de vorm van een studie, een betere baan. Winkels zijn gesloten, kerken leeg, huizen raakten in verval. Baby’s worden niet meer geboren, en een voor een vallen de laatste dorpelingen om.
Ons eigen huis heeft de diaspora aan zich voorbij zien trekken. Patriarch Michele Fiasche kocht het ooit voor zijn twee dochters en hun gezinnen, met geld dat hij rond 1900 had verdiend in Argentinië. Hij en zijn zus woonden in de twee huisjes ernaast – die we later, toen ze ruïnes waren geworden, ook hebben gekocht om ze voor instorten te behoeden. Van de achttien kinderen die in de huisjes zijn geboren, is meer dan de helft vertrokken uit het dorp. Van hun 46 kinderen komen de meesten alleen nog in de zomer naar Coccorino. In die zin is de geschiedenis van ons huis de recente geschiedenis van Zuid-Italië.
Bijna elke zomer horen we buiten wel een keer een Amerikaanse stem zeggen: ‘Hier ben ik geboren!’ Vaak nodigen we de passanten naar binnen en geven we een rondleiding door de kamers die we hebben verbouwd. De oude bewoners kijken aarzelend naar de gerecyclede terrazzotegels, naar het gemetselde keukenblokje uit een andere eeuw, de keramieken gootsteen met barsten erin. Ze zijn stomverbaasd hoe enthousiast wij zijn over de oude meuk die hun voorouders hebben achtergelaten.
Er is veel om niet nostalgisch over te zijn. ‘Ik viel ’s avonds boven de aardappelen in slaap’, zegt Mercurio DeLeo (73), die in ons huis is geboren en op zijn 17de verhuisde naar Milaan. Hij hielp, net als de meeste kinderen vroeger, al van kleins af aan mee met het werk op het land, en werd jong van school gehaald. Anderen van zijn generatie noemen de hoge kindersterfte, het gebrek aan voedselzekerheid voor grote gezinnen. En iedereen, van alle leeftijden, noemt het gebrek aan werk. Ook nu kinderen niet meer hoeven mee te helpen op het land, kunnen doorstuderen in Cosenza, Milaan of Rome. Vooral nu.
Het werk dat er is in het dorp, veelal in het toerisme, de landbouw of in de bouw, speelt zich voornamelijk af in de informele economie – een situatie die de Coccorinezen proberen te ontvluchten. ‘Hier kun je geen contract krijgen, met vakantiedagen en een pensioen’, zegt Elisa Santoro (43), een andere dochter van nonna Maria. ‘En het loon is heel erg laag.’ Zij runt de lokale ijzerwarenwinkel, waar zo weinig klanten komen dat ze meestal achter de winkel zit te praten met haar familieleden, totdat iemand zich meldt. ‘Tien jaar geleden waren hier nog tien ondernemers, maar nu is er bijna niemand meer.’
In Italië worden allerlei initiatieven bedacht om het tij te keren, sommige met hulp van Europese subsidies. Naast de bestaande fondsen die vallen onder het zogeheten cohesiebeleid, bedoeld om ongelijkheid tussen regio’s te verminderen (Italië krijgt tot 2027 bijna 43 miljard euro, waarvan 30 miljard naar Zuid-Italië gaat), is er nu de NextGenerationEU-fund, een herstelfonds van honderden miljarden voor landen die zwaar getroffen zijn door de pandemie. Met een deel van het geld dat Italië heeft gekregen, ondersteunt Rome de uitstervende borghi antichi.
Toerisme is één mogelijke redding. Marianna Pugliese (47), een achterkleinkind van patriarch Michele Fiasche, die opgroeide in de buurt van Rome, denkt er soms over om van het verlaten huis van haar andere oma een bed and breakfast te maken. ‘Wanneer je haar huis binnenkwam, sloeg de geur van oregano en peperoncino je in het gezicht’, zegt ze. ‘Die sfeer wil ik terugbrengen.’ Maar makkelijk zal dat niet zijn. Ze heeft veel geld nodig voor de investering, terwijl er alleen geld binnenkomt in de zomer, als er toeristen zijn.
‘Er is hier alleen strandtoerisme’, zegt haar broer Giuseppe (45). ‘Maar het landschap is duizelingwekkend mooi, daar zouden we veel meer mee kunnen doen. Je zou mountainbiketochten kunnen organiseren, of paardentrektochten, dan heb je een veel langer toeristenseizoen.’
Een voorbeeld voor veel dorpen in Calabrië is Gerace, een hooggelegen dorp aan de Ionische kust, met prachtige kerken en een spectaculair uitzicht over de heuvels en de zee. Het dorp heeft 20 miljoen euro gekregen uit de Europese post-pandemiepot. In het dorp ga je terug in de tijd. In het historische gemeentehuis voert een brede stenen trap omhoog naar het kantoor van burgemeester Antonio Galluzzo, met antieke tegeltjes op de vloer en een donker, houten plafond. Aan de wand hangen een Madonna, diploma’s en oude schilderijtjes.
‘We willen dat er meer mensen hier blijven slapen’, zegt de burgemeester, die met veel passie over zijn dorp praat. ‘Wij hebben zoveel te bieden.’ Daarom probeert hij een Albergo Diffuso op te zetten, een ‘hotel’ met kamers verspreid over het dorp. Het idee is simpeler dan de uitvoering in een leeglopend dorp. Dit omdat de administratieve en ook technische kennis die bij dit soort projecten komt kijken, niet meer in voldoende mate aanwezig is. ‘We hebben te weinig personeel om dit te managen, de bestuurlijke laag vergrijst.’
Ook de ’Ndrangheta, de Calabrese maffia, ligt op de loer. Volgens Anna Sergi, hoogleraar criminologie van de Essex Universiteit, eisen maffiaclans die goed zijn georganiseerd in sommige gevallen aannemerscontracten op. ‘Vervolgens doen ze niet het werk dat ze zouden moeten doen, of ze gebruiken slecht materiaal.’
Dan is er de rechts-populistische wind die door Rome waait en een potentiële oplossing in de weg staat. In het dorp Riace, op drie kwartier rijden van Gerace, nam burgemeester Domenico ‘Mimmo’ Lucano het initiatief om immigranten uit onder meer Senegal, Nigeria, Afghanistan en Pakistan te integreren om zo de ontvolking tegen te gaan. Bij een bezoek in 2016 trof ik een dorp in bloei, met allerlei winkeltjes waar immigranten kleding, aardewerk en andere snuisterijen verkochten.
Afgelopen zomer ging ik weer terug, en trof ik Daniel Yaboah (41) uit Ghana in zijn levensmiddelenwinkeltje. ‘Bijna iedereen is weg’, vertelde hij.
Wat was er gebeurd? Met de opkomst van de rechts-populisten met hun harde anti-immigratie-agenda werd het Lucano na 2018 steeds moeilijker gemaakt om zijn initiatief voort te zetten. Subsidies voor immigranten met een verblijfsvergunning, waarvan hij dokters, psychologen en arbeidsdeskundigen betaalde, raakten vertraagd. Uiteindelijk werd Lucano aangeklaagd, onder meer voor onregelmatigheden in het gebruik van fondsen bestemd voor de immigranten, deelname aan een georganiseerde misdaadgroep, het verduisteren van publiek geld, corruptie, fraude en het meewerken aan illegale migratie.
Hij zei tegen de media dat hij de mensenrechten soms voor de wet plaatste. Toen hij in september 2021 werd veroordeeld tot ruim 13 jaar gevangenisstraf, veel meer dan de bijna 8 jaar die de openbare aanklagers hadden geëist, plaatsten vele omstanders vraagtekens bij de integriteit van het proces. Hij ging in hoger beroep, en op 11 oktober werd hij vrijgesproken van verreweg de meeste aanklachten. Hij kreeg 1,5 jaar voorwaardelijke straf.
Terwijl het platteland langzaam leegloopt, lijkt de waardering voor het dorpsleven opmerkelijk genoeg juist een comeback te maken in Europa. In Spanje baarde Ana Iris Simón opzien na publicatie van haar boek Feria in 2020, waarin ze stelt dat haar ouders die buut’n in La Mancha woonden en werkten (als postbode), een beter leven hadden dan zij in Madrid. Nu woont ze weer in haar geboortestreek. Ook in Italië vindt de trend vruchtbare bodem. Daar werd vorig jaar De boekhandel in de bergen van Alba Donati een bestseller – over een vrouw die een boekwinkel opent in haar geboortedorp. Je kunt op Netflix films zien over bewoners van uitstervende gehuchten die het tegen alle verwachtingen in lukt om hun dorp overeind te houden. Boerenmarkten in steden winnen aan populariteit, net als de ouderwetse graansoort Senatore Capelli, die de Coccorinezen vroeger verbouwden.
Die tegenkrachten zijn reëel. Dat aan wonen en werken in de stad ook grote nadelen kleven, ondervond al de eerste generatie Coccorinezen, die door omstandigheden gedwongen uit hun dorp verhuisde. Terwijl de generatiegenoten van patriarch Michele Fiasche naar Argentinië en later de Verenigde Staten afreisden om geld te verdienen, ging de tweede golf ook naar Noord-Italië, waar de industrialisatie in de jaren vijftig en zestig veel banen schiep, bijvoorbeeld in de Fiatfabriek in Turijn. Kleinzoon Michele DeLeo herinnert zich nog goed de chemische lucht die boven Milaan hing. Hij werkte daar in een fabriek die vernis maakte voor de Fiats. ‘Je kreeg al koppijn als je binnenkwam.’
De leef- en arbeidsomstandigheden in de steden waren vaak erbarmelijk. ‘Arbeiders sliepen in de fabriek, zonder wc of iets’, zegt Fiasche’s achterkleindochter Elisa. ‘Ze mochten de kroeg niet in’, vult haar zus Grazia (53) aan. ‘Verboden voor terroni, stond er dan.’ Verboden voor mensen van het land.
Grazia, die op haar 17de naar Milaan verhuisde met haar man, een timmerman die hier in Coccorino nauwelijks betaald kreeg, vindt het een geuzennaam. ‘Ik ben ook van het land!’, zegt ze. ‘Mijn kinderen zeggen weleens dat andere kinderen op school hen terroni hebben genoemd. Dan leg ik uit wat dat is en dat ze daar trots op mogen zijn.’
‘Er is meer menselijkheid in het zuiden’, zegt Michelina DeLeo, de vrouw van Mercurio DeLeo, al wonen ze in Milaan. ‘Wanneer we brood bakten, gaven we altijd een stuk aan de buurvrouw.’ Ze krijgt tranen in haar ogen. ‘We leefden hier van het land. Toen ik trouwde, ging ik naar Milaan. Ik had geen idee wat een supermarkt was, en hoe je boodschappen moest doen.’
Zij en haar man weten allebei zeker dat ze het beste hebben gedaan voor hun kinderen, maar voelen ook dat ze zelf iets zijn verloren. ‘Vroeger hadden we twee paar schoenen, een paar kledingstukken, maar we waren tevredener’, zegt Mercurio. ‘Ik weet niet of wat we nu allemaal hebben vooruitgang is, ook met de ongelijkheid die is toegenomen. Eerst hadden we te weinig, nu hebben we te veel.’
Ook de achterbleven Coccorinezen zijn trots. Trots op de solidariteit van vroeger, toen de nonna’s om de beurt brood bakten voor een hele straat. Op het adembenemende uitzicht op de zee en het vulkanische eiland Stromboli. Op het eten: de dorpelingen kunnen eindeloos praten over hun olijven, hun ’nduja (een soort smeerbare worst met chilipeper erin). Hún producten zijn de beste.
Calabrië is niet ‘herontdekt’ in de afgelopen decennia, zoals Sicilië en Puglia, maar de regio krijgt de laatste jaren wel meer aandacht. Topkok Yotam Ottolenghi geeft in het Netflixprogramma Somebody feed Phil hoog op over de ‘rode ui van Tropea’ (Tropea is een toeristische trekpleister in de buurt van Coccorino). In het naburige dorp Spilinga was het Britse tv-kok-duo The Hairy Bikers op bezoek om de ’nduja te proeven, van een lokale vrouw die in het filmpje goedkeurend toekijkt. Zelfs op de Albert Heijnwebsite kun je nu instructies vinden voor wat te doen met de worst.
Wat betekent dit alles voor de toekomst van Coccorino?
Tientallen Amerikanen, Britten, Nederlanders, Duitsers, Polen, Russen én Italianen zijn verliefd geworden op Coccorino, met het mooie uitzicht op de zee en de Eolische eilanden, en de slingers van hete pepertjes die in de zomer te drogen hangen. Sommigen bouwden nieuwe villa’s aan de kust. Anderen, zoals wij, renoveerden oude huisjes.
Maar het blijft lastig om langere tijd in Coccorino te verblijven, hoe welkom we ook zijn. (‘Wie knapt er anders onze oude huizen op?’, horen we geregeld wanneer we bezorgd vragen hoe Coccorinezen het vinden dat er zoveel buitenlanders naar hun dorp zijn gekomen.) In 2021 woonden en werkten we een half jaar in ons huis, toen op afstand werken nog normaal was. Onze nu 4-jarige dochter ging naar de crèche. Maar vlak voor de zomer moest die sluiten: er waren niet meer genoeg kindjes.
In het naburige Joppolo spreek ik burgemeester Giuseppe Dato (Coccorino is samen met Joppolo en een ander dorp één gemeente). Net als andere burgemeesters probeert hij via fondsen initiatieven te ontplooien die verdere ontvolking zullen tegengaan, of in elk geval afremmen. Hij wijst naar de dikke mappen met papieren op zijn bureau. Een van de EU-fondsen die die hij heeft aangevraagd, legt hij uit, betreft de opening van een crèche in Coccorino voor de allerkleinsten van 0 tot 3 jaar. Hij steekt zijn hand omhoog als ik mijn verbazing uitspreek. ‘Juist doordat in alle dorpen de crèches en scholen worden gesloten, komt er vraag naar een plek die verschillende dorpen tegelijk kan bedienen.’
Naast de EU-fondsen krijgt de gemeente van Rome nog eens 50 duizend euro per jaar om projecten te ontwikkelen die de leegloop moeten tegengaan. Zijn gemeente heeft een eerste tranche gebruikt om een centrum te openen waar iedereen die wil een deskundige kan spreken, over bijvoorbeeld ondernemen, toerisme of de landbouw. De burgemeester is in de tweede fase ook van plan om eigenaren van instortende huisjes te overreden om die voor weinig te verkopen (veel leeglopende dorpen in Zuid-Italië bieden hun bouwvallen aan voor het symbolische bedrag van 1 euro, onder de voorwaarde dat de koper ze opknapt). ‘Binnenkort organiseren we weer een informatie-avond.’
Buitenlanders zijn welkom, zegt hij. Niet alleen mensen met een vakantiehuis, maar ook de honderden Roemenen die hier permanent wonen. Zij accepteren het werk in de informele economie (als schaapherder, tuinman of klusjesman) dat de Coccorinezen proberen te ontvluchten. Ze voelen zich verbonden met het dorp, en wilden afgelopen zomer graag meehelpen met een feest voor de restauratie van de Madonna in de kerk. ‘Het is ook onze Madonna’, had een van hen tegen de organisatoren gezegd.
Bij de uitvaart voor de laatste nonna van het straatje van ons huis naar het dorpscentrum, kom ik in de kerk een bekende tegen. Het is een oudere man die vaak onder de boom op het plein zit. Nadat we elkaar hebben begroet, tikt hij op een schouder voor ons. De man draait zich om. Hij ziet eruit als veel van de oudere Coccorinezen, met zijn witte overhemd met driekwartmouwen, zijn zwarte wollen broek waar hier en daar een los draadje uit steekt, zijn stoffige zwarte leren schoenen met een gevlochten deel op de bovenkant. Hij heeft kort borstelig haar, een five o’clock shadow en grote oudemannenoren. Mijn kennis vraagt hoe het met hem gaat.
‘We zijn er nog’, zegt de man. En hij draait zijn blik terug naar de grafkist voor het altaar.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden