Home

Er kleeft wensdenken aan het sociaal contract van Pieter Omtzigt

Het nieuwe sociaal contract van Omtzigt verwerpt individualisme en omarmt saamhorigheid. Het resultaat is een contract vol clausules, bepalingen en hoge verwachtingen – van overheid én burgers. Maar hoe kan je daarop handhaven, en wat gebeurt er bij contractbreuk?

Er moest hem iets van het hart, zei Farmers Defence Force-voorman Mark van den Oever in een video eind augustus, staand voor zijn stallen. De nieuwe partij van Pieter Omtzigt, door Van den Oever abusievelijk ‘New Social Contract’ genoemd, is volgens de voorman ‘een rechtstreeks aftreksel van het WEF’, het World Economic Forum. ‘Mensen, dat is een groot gevaar.’

Hoe Van den Oever precies aan die opvatting kwam, legde hij niet uit. Een rondje googelen kon hem inderdaad leiden naar het WEF, dat in januari 2022 betoogde dat ‘a new social contract’ nodig is voor de 21ste eeuw. Elke overeenkomst met de club van Klaus Schwab is verdacht, dat behoeft in de complothoek geen uitleg. Maar als hij iets langer had gezocht, was Van den Oever erachter gekomen dat het niet alleen Omtzigt en Schwab zijn die oproepen tot een nieuw sociaal contract.

Over de auteur

Haro Kraak is verslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft over cultureel maatschappelijke onderwerpen als identiteit, gender, polarisatie en extremisme.

In recente jaren waren dat onder meer oud-minister van Sociale Zaken Lodewijk Asscher, voormalig SCP-directeur Kim Putters in zijn boek Veenbrand (2019), oud-DSM-topman en coronagezant Feike Sijbesma, PvdA-Europarlementariër Paul Tang, informateur Herman Tjeenk Willink, VN-secretaris-generaal António Guterres en nota bene Omtzigts huidige concurrent, Frans Timmermans, die in 2019 als lijsttrekker van de Europese Socialisten stelde dat het hoog tijd was voor een nieuw sociaal contract.

Aan deze oproepen gaat een eeuwenoude traditie vooraf, een politiek-filosofische theorie die teruggaat tot de Griekse oudheid en tot bloei kwam vanaf de 16de eeuw dankzij filosofen als Thomas Hobbes, John Locke en Jean-Jacques Rousseau. Hoewel zij over de exacte invulling van het contract van mening verschilden, waren zij het eens dat mensen bepaalde vrijheden opgeven en in ruil daarvoor in een samenleving leven die relatief vredig, veilig en ordentelijk is.

Er zijn landen, zoals Frankrijk, waar elke verkiezing gediscussieerd wordt over het sociaal contract en vrijwel iedereen weet wat ermee wordt bedoeld. In Nederland is die traditie er niet, ondanks de sporadische oproep tot een nieuw contract. De onduidelijkheid die er hier bestaat, lijkt Omtzigt te gebruiken – alles wat er mis is met Nederland, kan in zijn visie worden opgelost met een nieuw sociaal contract.

Dat roept de vraag op wat er in een nieuw sociaal contract eigenlijk van mensen en van de overheid wordt verwacht. Hoe zorg je dat beide partijen zich aan de afspraken houden? En wat als een van de twee contractbreuk pleegt?

Elke leek kan zich wel iets voorstellen bij zo’n contract. Het gaat om de afspraken tussen burger en overheid, het moet de solide basis zijn van een vertrouwensband tussen die twee, er spreekt wederkerigheid uit, voor wat hoort wat en iedereen moet bijdragen. Maar om de betekenis en reikwijdte van het begrip beter te kunnen duiden, is het nuttig om eerst terug te gaan naar de oorsprong ervan.

In de kern gaat het contract om de legitimiteit van het gezag. Accepteren burgers dat er macht over hen wordt uitgeoefend, onderschrijven zij de wetten, normen en regels van de samenleving, vertrouwen zij erop dat de regering zich aan haar kant van de afspraak houdt?

Dit contract hoeft een burger niet letterlijk te ondertekenen; door ergens te wonen stemt hij of zij stilzwijgend in. Het contract valt ook niet op te zeggen (al denken autonomen daar anders over), maar het begrenst wel de macht. Burgers kunnen de zittende machthebbers in een democratie wegstemmen, of ertegen protesteren – ook dat is deel van de afspraak.

Het sociaal contract is in wezen een liberaal idee. Burgers kiezen er uit eigenbelang voor, omdat anders een oorlog van allen tegen allen zou uitbreken. Het leven in zo’n ‘natuurtoestand’, schreef Hobbes in 1651, is ‘ellendig, bruut en kort’. Locke bouwde voort op het liberale karakter door te wijzen op de vrijheden van burgers: zij wijzen uit zelfbehoud een neutrale scheidsrechter aan, zodat zij grotendeels hun gang kunnen gaan.

Daartegenover staat het sociale contract dat Rousseau voor ogen had. Hij geloofde dat de mens van nature vredelievend en geneigd tot samenwerken is, in modern bregmaniaans: dat de meeste mensen deugen. Het contract is volgens hem dan ook geen cynische transactie van individuele belangen, maar draait om het algemeen belang. Burgers onderwerpen zich aan de volonté générale, de algemene volkswil.

Het mag voor zich spreken dat Omtzigt, die Hobbes in een blog een ‘lone wolf’ noemt binnen de contracttheorie, zich meer thuis voelt bij de Rousseau-school. NSC is doordrenkt van een gemeenschapsdenken dat sterk verwant is aan het CDA. Omtzigt verwerpt het neoliberale, individualistische denken, dat de oorzaak zou zijn van de ontrafeling van het sociale weefsel en een bron van ongelijkheid vormt.

Tegenover het individualisme stelt NSC het personalisme, een christelijke filosofie die na de Tweede Wereldoorlog in zwang was. ‘Wij stellen dus niet een autonoom individu voorop’, staat in de uitgangspunten. ‘De partij ziet mensen daarentegen als bezielde personen die zich tot elkaar verhouden met zorg.’ Burgers zijn geen ‘klant van de overheid’, maar ‘(mede-)dragers van het samenlevingsverband Nederland’.

Dat mensbeeld moet zich ook vertalen naar beleid waarin burgers vanuit vertrouwen worden benaderd. ‘Er komen in die samenleving geen brieven op de mat gebaseerd op onzichtbare algoritmes, statistische waarschijnlijkheid en blinde invorderingsregels.’ Met de ‘eigen verantwoordelijkheid’ van de participatiesamenleving wordt ‘radicaal’ gebroken.

Doordat de overheid jarenlang de burger wantrouwend als ‘calculerende individuen’ heeft benaderd, kreeg zij volgens Omtzigt ook zoveel wantrouwen terug, waarmee het fundament onder het sociaal contract werd gebroken. In het toeslagenschandaal werden tienduizenden burgers onterecht als fraudeur bestempeld ‘zonder dat zij zich tegen de almacht en willekeur van de staat konden verweren’, schrijft hij in zijn boek Een nieuw sociaal contract. En zo ging het tien jaar door.

Het systeem van macht en tegenmacht heeft al die tijd gefaald, concludeert Omtzigt. In het versterken van de rechtsstaat en het herstel van checks-and-balances zoekt hij de oplossing. Dat levert concrete voorstellen op zoals een constitutioneel hof, een ander kiesstelsel en betere rechtsbescherming. Die vat hij allemaal samen in het nieuwe sociaal contract, waarmee hij het vertrouwen in de overheid wil herstellen.

Maar wie een blik werpt op het programma van NSC, ziet dat er nog veel meer onder het contract valt. Dat blijkt alleen houdbaar als migratie behapbaar is, als er acceptatie is voor andersdenkenden en als vaste dienstverbanden weer de norm worden. Mensen komen bovendien pas toe aan hun deel van de afspraak als ‘er een stevige bodem onder hun bestaan ligt’.

Een contract met een hoop clausules en bepalingen dus. Dat roept de vraag op: wat als de overheid niet levert op een van deze stipulaties en contractbreuk pleegt? NSC maakt zichzelf zo wel erg vatbaar voor de kritiek dat aftreden dan noodzakelijk is. Een niet nagekomen contract is immers niet mals.

Om dat voor te zijn heeft Omtzigt meermaals gezegd dat een ‘lange adem’ en ‘geduld’ nodig zijn; de hervormingen kunnen zomaar tien jaar of langer beslaan. Daarnaast vraagt hij van de burger (en van de pers) ‘een zekere mildheid’, schrijft hij in zijn boek. Om fouten te kunnen herstellen moeten ze niet ‘ongenadig hard’ worden afgestraft, anders ontstaat er een ‘publieke angstcultuur’.

Dat is slechts een van de verwachtingen die Omtzigt van de burger heeft. Elk hoofdstuk van het programma begint met een lijstje wat de partij op dat thema van de samenleving verwacht. Zoals ‘solidariteit met en acceptatie van mensen die rechtsgeldig in Nederland verblijven’; ‘tolerantie en respectvolle omgang met medeburgers’; en ‘rekening houden met schadelijke effecten van je gedrag op anderen en de omgeving’.

Vrijwel niemand zal daartegen zijn, zo geformuleerd. Maar de praktijk – met zijn botsende belangen – is weerbarstiger. Hoeveel solidariteit is er met statushouders als er over een paar jaar nog steeds te weinig huizen zijn? Bovendien: nergens geeft de partij antwoord op de vraag hoe zij deze verwachtingen bij burgers wil afdwingen. Nergens staat: houd rekening met elkaar, of anders…

Daar lijkt een belangrijk pijnpunt voor een nieuw sociaal contract te zitten. Telkens benadrukt Omtzigt dat er wederkerigheid wordt verwacht, dat een contract bestaat uit twee partijen, dat mensen de ‘handen uit de mouwen moeten steken’. ‘We hebben allemaal een persoonlijke opdracht tot solidariteit en ontplooiing van gaven en talenten’, staat er dan plechtig in de uitgangspunten.

Maar slechts zeer spaarzaam lees je hoe die wederkerigheid zich gaat vertalen in beleid, in doelen die een overheid kan handhaven. Jongeren worden bijvoorbeeld gestimuleerd ‘een actieve rol’ in gemeenschappen te spelen. ‘Dat kan door het vervullen van een maatschappelijke stage of het doen van vrijwilligerswerk.’ Ja, vanzelfsprekend kán dat, maar gaat het ook gebeuren? Wordt het verplicht?

In interviews lijkt Omtzigt de vraag wat er precies van burgers wordt verwacht dan ook ongemakkelijk te vinden. In gesprek met Nu.nl werd hem vier keer achter elkaar in net andere bewoordingen gevraagd: waar eindigt de vrijblijvendheid en begint de verplichting? ‘Als burger heb je natuurlijk al veel verplichtingen’, zei Omtzigt. ‘Je moet bijvoorbeeld belasting betalen.’

Daarbovenop verwacht Omtzigt ‘actief burgerschap’. Wat dat inhoudt? ‘Sommige mensen denken dat actief burgerschap betekent dat je met je trekker naar het Binnenhof komt. Of dat je de A12 blokkeert. Dat zijn voor mij niet per se goede voorbeelden van actief burgerschap. Ik heb veel respect voor mensen die mantelzorg doen of helpen bij de voedselbank.’

Omtzigt ziet dus liever betrokkenheid in eigen kring dan politiek engagement. In het programma doet NSC voorstellen om die vorm van actief burgerschap te stimuleren. Mantelzorg moet makkelijker worden door ‘flexibiliteit in de arbeidsrelatie tussen werknemer en werkgever’ en door mensen toe te staan ‘tijdelijke woonunits’ bij hun huis te plaatsen om voor hun ouders te zorgen als dat nodig is.

Maar het impliciete, grotere argument lijkt: als de overheid een lichtend voorbeeld is wat betreft solidariteit, dan zal de burger vanzelf volgen.

Dat valt natuurlijk te bezien. De gemiddelde Nederlander verricht al relatief veel vrijwilligerswerk en is van oudsher zeer actief in het verenigingsleven (hoewel dit na de pandemie licht gedaald is). Een oproep tot meer burgerschap en fatsoen, zoals ten tijde van de kabinetten-Balkenende, heeft nooit tot enig merkbaar verschil geleid.

Tegelijkertijd zijn Nederlanders na decennia van neoliberaal beleid, emancipatiedenken en individualisering erg gesteld geraakt op totale keuzevrijheid en het najagen van het eigenbelang. Zeker als het moeilijk dreigt te worden, zie de coronacrisis, voelt de burger zich al snel beknot en heeft een oproep tot solidariteit beperkte houdbaarheid. Het zal een zeer lange adem vergen, en vele kabinetten-Omtzigt, om dit in beweging te krijgen.

Je kunt je dus nauwelijks aan de conclusie onttrekken dat er een hoge mate van wensdenken kleeft aan een nieuw sociaal contract. Een wensdenken dat dan wel weer een omtzigtiaanse wederkerigheid in zich heeft: zowel politicus als kiezer heeft een erg hoge verwachting van de ander. Eufemistisch zou je daarover kunnen zeggen: hopelijk doen ze hun best om elkaar niet teleur te stellen.

Source: Volkskrant

Previous

Next