Haat en hoogmoed dansen uitbundig om ons heen. Het duo is vaak innig met elkaar verstrengeld, ondanks dat die twee zo van elkaar verschillen. Hoogmoed stelt altijd teleur, je moet er wat langer op wachten soms, maar deceptie is onvermijdelijk. Haat daarentegen weet zich steeds te overtreffen, het rendement erop is voortreffelijk en je krijgt sowieso meer terug dan de inleg.
Hamas en de regering van Netanyahu lijken niet van zins om in te binden. Hamas blijft lukraak raketten afschieten en burgers gijzelen, Netanyahu blijft diplomaten uitzwaaien die zijn wraak op de Palestijnse bevolking proberen te temperen. Zo houden terrorisme en rechts-extremisme de wereld op ramkoers.
De gevolgen van de oorlog in het Midden-Oosten maken me stil. Ik vind het nieuws niet meer te doen. Dat dít nu werkelijk de status is van de internationale gemeenschap: eindeloos en zonder resultaat bakkeleien in de VN-Veiligheidsraad over de vraag óf en voor hoelang de bombardementen gestaakt kunnen worden, de totale veronachtzaming van de rechten van onschuldige burgers door alle betrokkenen – inclusief Egypte dat de Gazanen onvermurwbaar in hun val houdt. Alles om maar dat vervloekte stukje grond niet te verliezen terwijl het bestaan daarop allang verloren is. En dan nog het hebberig oogsten van de ontstane verdeeldheid door wereldleiders die het machtsevenwicht weer een stukje hun kant op kunnen trekken.
Hoelang gaat deze mensonterende situatie nog duren, waar gaat dit heen en hoe gaan we hier in godsnaam van herstellen? Het antwoord op elk van die vragen lijkt weinig hoopvol.
Toen Rusland vorig jaar Oekraïne binnenviel en de beelden van Boetsja binnenkwamen, ging de afschuw tenminste nog gepaard met een gevoel van gezamenlijkheid. Alle westerse landen wisten zich te verenigen en unaniem uit te spreken. We stelden onze huizen massaal open en vingen ontheemde families op, Oekraïners kregen een aparte status zodat zij hier konden werken. Alles werd in een mum van tijd geregeld. Geconfronteerd met onrecht, antwoordden wij met daadkracht. Slechts vier dagen na de inval zei Mark Rutte in ons parlement: ‘Dit is geen tijd voor wankelmoedigheid en terughoudendheid, maar voor vastberaden en eensgezind optreden. Nationaal en internationaal.’
Nu zitten we elkaar vliegen af te vangen over de vraag wie het meest schuld heeft. Moskeeën en synagogen vragen om politiebescherming, mensen voelen zich niet meer veilig – gewoon hier in ons midden, duizenden kilometers van het conflict vandaan. SGP-lijsttrekker Chris Stoffer vroeg deze week in een uitzending van NOS Radio 1 Journaal om het volkslied van Israël te spelen. In de uitzending mag iedere gast een verzoeknummer indienen, en dit was het zijne. Hij wilde daarmee de Joodse gemeenschap in Nederland een hart onder de riem steken. Het kwam hem op kritische vragen te staan; hij zou zich schuldig maken aan polarisatie. Met hoorbare tegenzin werd het volkslied daarna, eventjes, opgezet.
Als mensen vragen om troost, geef dat dan zonder omwegen. Zet dat Joodse volkslied op en speel het tot de laatste seconde uit. Vrees je daarmee partijdigheid naar je hoofd geslingerd te krijgen? Zet daarna dan het Palestijnse volkslied op en speel ook dat tot de laatste seconde uit. Iederéén kan nu wel een hart onder de riem gebruiken. Bij gebrek aan daadkracht moeten we het maar zoeken in troost bij elkaar. Het voelt een stuk minder bevredigend dan werkelijk iets te doen, maar het alternatief is dat ieder zich terugtrekt in zijn eigen pijn, terwijl haat en hoogmoed uitbundig om ons heen blijven dansen.
Over de auteur
Ibtihal Jadib is rechter-plaatsvervanger, schrijver en columnist voor de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.