Meesterdocumentairemaker Wang Bing (zijn langste film duurt negen uur) belicht sociaal-economische onderwerpen. Hij maakt geen speelfilms en daar heeft hij een reden voor. ‘Ik werk onafhankelijk, zonder de beperkingen die de Chinese filmindustrie aan makers oplegt.’
Ergens in de eerste twee uur doet Youth (Spring), de nieuwe documentaire van meestercineast Wang Bing, je letterlijk even naar lucht happen. De film speelt zich vrijwel volledig af in Zhili, een door 300 duizend werknemers bevolkte kosmos van kledingfabriekjes in de oostelijk gelegen Chinese stad Huzhou. Onvermoeibaar trekt Wang met zijn camera van het ene anonieme confectieatelier naar het andere. Steeds weer richt hij zich op de jongens en meisjes achter de naaimachines. Hij registreert hun gezichten, dan weer hun razendsnel langs de naald schietende handen, hun alledaagse conversaties en de eindeloze salarisonderhandelingen. Jonge economische immigranten uit de provincie zijn ze, wonend in de schamele slaapverblijven boven de ateliers. Hun stukloon is armzalig, daglicht zien ze nauwelijks.
En dan, in werkplaats 110 aan Happiness Road, geven de 18-jarige Li Yang en een collega er de brui aan. Ze pakken hun koffers en beginnen aan de reis naar het platteland. Huiswaarts, naar het dorp van hun jeugd. Niet dat hun vooruitzichten daar zo veel beter zullen zijn, maar na al die verstikkende, repetitieve inkijkjes in de naaiateliers voelt het als een verademing dat ze dit besluit hebben genomen. Dat je gewoon een paar minuten met hen op de bus mag wachten, in de buitenlucht, met wat groen op de achtergrond. Eindelijk zuurstof.
Over de auteur
Kevin Toma schrijft voor de Volkskrant over film, met een speciaal oog voor filmmuziek en horror.
Op zo’n moment wordt meteen glashelder waarom de films van Wang Bing, eregast van Idfa, vaak zo hallucinant lang zijn. De negen uur van zijn inmiddels klassieke debuut West of the Tracks (2002), de kleine vier uur van ‘Til Madness Do Us Part (2013) en ook de drieënhalf uur van Youth (dat het eerste hoofdstuk van een drieluik moet worden): ze dwingen af dat de realiteit en de ruimten die de documentaires blootleggen tot in je vezels verzinken. Dat je vertrouwd raakt met het zich alsmaar herhalende bestaan in die ruimten. Dat je haast voelt hoe het is om daar te zijn.
Maar het gaat verder dan dat. Terug naar de bushalte in Youth (Spring). De bus arriveert, de jongens stappen in; in plaats van hen te vergezellen, schakelt de film over naar werkplaats 76, waar Chen Ni (20) tussen de stapels kinderjassen probeert te flirten met collega Yin Guangcheng (19) – wanneer en waar zou hij dat anders moeten doen? Zo gaat het voortdurend in Youth (Spring): de film laat zich meevoeren door talrijke ontmoetingen en relaties, door verhalen waarvan we het begin of midden meemaken maar nooit het einde. Al die onaffe geschiedenissen tellen op tot een indrukwekkend portret van een jonge generatie die door het Chinees-kapitalistische systeem dreigt te worden vermalen, maar haar jeugdige kracht niet zomaar opgeeft. Het in vijf jaar tijd opgenomen Youth (Spring) voelt als een monsterlijk betonnen bouwsel waar steeds weer het leven doorheen sijpelt.
Ook daarom is de monumentale lengte van Wangs films noodzakelijk: alleen op die manier kan hij de realiteit omvatten via een op individuen gerichte, en toch allesoverkoepelende blik. ‘Verhalen kunnen op zo veel manieren worden verteld’, zei hij in september tegen kunstmagazine ArtReview. ‘Mijn films worden bevolkt door vele personages: samen zijn ze het lichaam van die films. Ik kan daar geen recht aan doen wanneer ik me op een enkel personage concentreer; een gedecentraliseerde vertelstructuur is dan gepaster. Bovendien is die vorm natuurlijker, minder geconstrueerd – dichter bij de manier waarop we onze levens leiden.’
Het is deze aanpak die de tegenwoordig in Parijs gevestigde Wang (55) tot een unieke stem in de documentaire wereldcinema maakt, een stem die in eigen land nauwelijks gehoord wordt. Wangs werk krijgt in China geen officiële distributie, vanwege de controversiële politieke en sociale onderwerpen: sommige films zijn op illegale dvd’s in omloop. Het lijkt Wangs status als politiek filmmaker te bevestigen, en toch wil hij liever niet als zodanig worden geafficheerd. Zijn films zijn niet politiek, zei hij in 2018 tegen filmblad Sight and Sound: hij toont slechts de levens van zijn personages.
Wanneer in interviews wordt gevraagd naar zijn motivaties om filmmaker te worden, benadrukt de in 1967 geboren Wang graag dat het allemaal min of meer toevallig zo is gelopen. Aanvankelijk ambieerde hij een carrière als architect, maar hij werd bij geen enkele universiteit toegelaten. Als tweede keuze studeerde hij fotografie, om tenslotte een opleiding te volgen aan de filmacademie van Beijing. Het curriculum aldaar concentreerde zich volledig op het maken van speelfilms: documentaires werden overgeslagen. Niettemin wilde Wang op dat terrein aan de slag, om zo onafhankelijk en vrij mogelijk te kunnen werken. ‘Omdat ik het alledaagse leven van mensen volg, hoef ik niet naar acteurs te zoeken en niemand te regisseren’, zei hij in 2017 tegen tijdschrift Film Comment – zeven jaar nadat hij met The Ditch, over de strafkampen van Mao, zijn tot nu toe enige speelfilm regisseerde. ‘Ik hoef niet met veel mensen samen te werken en ik hoef niemand om toestemming te vragen. Als ik met een kleine crew goedkope films draai over het echte leven van mensen, dan heb ik niks meer te maken met de beperkingen die de Chinese filmindustrie aan makers oplegt. Daarom blijf ik documentaires maken: ik hou van echte verhalen, en ik wil me graag vrij voelen.’
Zijn debuut maakte Wang in 2003 met Tie Xi Qu: West of the Tracks, dat als zijn absolute meesterwerk geldt. Anderhalf jaar lang filmde hij in het industriële district Tie Xi, gelegen in de noordoostelijke stad Shenyang, net toen China begon aan de transitie naar een vrijemarkteconomie. De documentaire legt in drie etappes de radicale transformatie van het gebied vast: de staalfabrieken die een voor een failliet gaan (Rust), de woonwijken die rücksichtslos worden gesloopt (Remnants), het meer dan 20 kilometer omspannende spoornetwerk dat door de sluiting van de fabrieken grotendeels ongebruikt blijft liggen (Rails). Wang ging op pad met een goedkoop gehuurde digitale camera, zonder script en zonder vooropgezet plan – een benadering die hij ook in zijn volgende producties zou handhaven.
West of the Tracks is een film die je helemaal opslokt, niet alleen dankzij de ontzagwekkende lengte, maar ook door de mistroostige schoonheid die Wang in al dat verval aantreft. Neem alleen al de lange, vanaf het spoor geschoten shots waarmee de film het besneeuwde industrielandschap binnenglijdt. Hoe vuilwitte sneeuwvlokken smelten op de lens, terwijl de cadans van de locomotief een symfonie van industrieklanken inluidt. Steeds opnieuw baant Wangs camera zijn weg door het labyrint van smelterijen en hoogovens, van het helse tumult in de fabriekshallen naar het stomende, vette badwater waarmee de arbeiders het vuil van zich afspoelen.
Intussen verliest Wang nooit het menselijk perspectief uit het oog. Nadat de zoveelste fabriek is gesloten moeten de arbeiders een verplichte ziekenhuiskuur ondergaan – het lood moet uit hun lijf worden gespoeld – en laat Wang zien hoe ze er dan maar het beste van proberen te maken. In Remnants schaart de film zich aan de zijde van de laatste bewoners van een vrijwel volledig afgebroken wijk, die pas willen vertrekken wanneer ze een fatsoenlijk nieuw huis krijgen. In het laatste segment Rails stuit Wang op meneer Du, een thuisloze ex-spoorwegbewaker die met zijn labiele volwassen zoon in een opslagruimte langs het spoor leeft. Hoe moet dat verder met hen, wanneer Du vanwege diefstal wordt gearresteerd? Hun aangrijpende relaas blijkt het emotionele anker van West of the Tracks te zijn – en ook de beloning voor de toeschouwer die erin geslaagd is deze berg van een film te beklimmen.
Eigenlijk was Wang zelf de eerste beklimmer van die berg. Na de draaiperiode van West of the Tracks had hij dik 300 uur aan ruwe opnamen liggen. Een cineast moet welhaast over een architectonisch oog voor structuur beschikken, kun je dan denken, wil hij uit zo’n hoeveelheid een – relatief – compact geheel destilleren. De vijf jaar durende opnamen van Youth (Spring) leverden een onvoorstelbare 2.600 uur aan materiaal op, deels gefilmd door twee andere cameramannen. Hij kon immers niet overal tegelijk zijn, vertelde Wang aan Film Comment. ‘Bij de montage nam ik niet de moeite om nog eens mechanisch door alles heen te kijken – ik heb geselecteerd wat ik me als de fijnste fragmenten herinnerde.’
Dat zegt veel over de onverminderd intuïtieve werkwijze van Wang, die in zijn documentaires geregeld terugkeert naar dezelfde plekken en onderwerpen. De allesomvattende filmprojecten wisselt hij daarbij af met kleinschaligere, veel intiemere producties. De videoinstallatie 15 Hours (2017) is een onafgebroken shot van inderdaad 15 uur door de kledingateliers van Zhili; in hetzelfde jaar verscheen Mrs. Fang (2017), een film waarvoor Wang kalm aan het sterfbed van zijn aan Alzheimer lijdende hoofdpersonage blijft zitten. Tijdens de afgelopen editie van het filmfestival van Cannes ging niet alleen Youth (Spring) in première, maar ook Man in Black, Wangs gestileerde portret van componist Wang Xilin.
Die laatste film, hoewel slechts een uur lang, is net zo compromisloos als Wangs mammoetdocumentaires. Wang Xilin (85) spreekt vol onverwerkte pijn over de terreur die de Chinese staat op hem uitoefende: de censuur, de vernederingen, de martelingen, zijn gevangenschap tijdens de Culturele Revolutie. Hij doet dit terwijl hij volledig naakt door de gangen van een verlaten Parijs theater dwaalt; de camera zit hem in lange, zwenkende takes op de hielen, en geregeld wordt hij overstemd door zijn eigen, autobiografische orkestmuziek. Man in Black is een schreeuw van een film.
Vanwaar de keuze om Wang Xilin naakt te filmen? Dat was een spontaan idee waar ze verder niet lang over nadachten, zei Wang tegen ArtReview. ‘Al mijn werk dient de mensen die ik film. Het is dus voldoende om de verhalen van deze mensen voor ogen te krijgen en ze helder te vertellen.’
Youth (Spring) is vanaf 16/11 ook te zien in de landelijke filmtheaters.
Dat Wang Bing niet de enige hedendaagse Chinese documentairemaker is die naar de schaduwzijden van de Chinese maatschappij kijkt, benadrukt hij zelf met de toptien van favoriete films die hij voor Idfa samenstelde. Te zien zijn onder meer Dan Ji’s migrantenportret When the Bough Breaks (2011) en Before the Flood (Yifan Li en Yu Yan, 2005), waarin de inwoners van een havenstadje moeten wijken voor de Drieklovendam. In het meer dan vier uur durende, clandestien geschoten Born in Beijing (2011) volgt cineast Li Ma zes jaar lang een aantal burgers dat zich door lokale autoriteiten benadeeld voelt, en in Beijing gerechtigheid hoopt te vinden.
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden