De bus staat nog steeds stil bij de halte, want er is een jongen ingestapt zonder in te checken. Hij probeert de chauffeur om te praten, maar die is onwrikbaar. Betalen of eruit.
Ik zit achter Jan-Willem (57). Hij woont in de ggz-kliniek waar ik heb gewerkt, op de afdeling voor mensen met meervoudige psychiatrische problematiek. Toen ik zonet instapte en hem groette, reageerde hij afwezig. Hij kijkt gespannen naar de jongen en de chauffeur. De wereld buiten het ggz-terrein is spannend. Hier zijn de mensen hard voor hem.
Over de auteur
Thomas van der Meer schrijft voor de Volkskrant columns over zijn werk in een verpleeghuis. De namen in deze column zijn gefingeerd en sommige details zijn aangepast. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
‘Soms bellen mensen zomaar de politie als ik in de supermarkt loop’, vertelde hij een keer in de kliniek.
‘En wat gebeurt er dan?’
‘Dan moet ik mee in de politieauto en brengen ze me terug naar de kliniek.’
‘Dat is een gratis taxi naar huis’, zei ik, in een poging hem op te fleuren.
‘Maar mijn fiets stond daar nog.’
Laatst kwam ik Jan-Willem tegen in de supermarkt. Hij ijsbeerde heen en weer bij de uitgang. Ik had hem in de verte al herkend aan zijn opvallende, houterige loopje. Dat is een bijwerking van de antipsychotica die hij gebruikt.
‘Hé, Jan-Willem’, zei ik. ‘Is alles goed?’
‘Ik ben mijn tas kwijt’, zei hij. ‘Een blauwe tas. Heb jij een blauwe tas gezien?’ Hij liep naar de balie en ging op zijn tenen staan om erachter te kijken.
‘Hier ligt geen tas’, zei het meisje achter de balie.
Plotseling greep hij naar de schouderbanden van zijn rugtas, haalde hem van zijn rug en hield hem stralend in de lucht. ‘Hier is-ie! Kijk dan, ik had hem op mijn rug!’
Zijn open mond vormde een grote, blije glimlach en er gutste kwijl uit, dat in een dikke sliert langs zijn kin op de grond droop. Ook een bijwerking van antipsychotica. De klanten die hun boodschappen hadden afgerekend en na hem naar de uitgang liepen, tuurden naar de grond en gingen met een boog om de plek waar hij had gestaan, om niet in zijn kwijl te stappen.
Het is wrang dat de uiterlijke kenmerken die hem het meest doen opvallen – en het meest stigmatiseren – niet komen door zijn psychische aandoeningen, maar door de behandeling ervan.
Hiermee bedoel ik niet dat die behandeling niet deugt. Zonder medicatie wordt Jan-Willem volledig overgenomen door zijn schizofrenie. Met medicatie kan hij op de fiets naar de supermarkt als hij daar zin in heeft, hij kan op bezoek gaan bij zijn zus en bordspelletjes spelen met een vriend. Hij kan zelf bedenken hoe hij zijn dag wil invullen en heeft momenten waarop hij tevreden is en ontspannen. Het is alleen zo verdrietig dat de prijs zo hoog is.
Jan-Willem was een keer ziek toen ik bij hem op de afdeling werkte. Ernstige buikpijn. ‘Ik moet poepen, maar het lukt niet’, zei hij.
Van de arts kreeg hij een extra laxeermiddel en toen het eindelijk lukte, diende het volgende probleem zich aan: de drol was zo groot dat hij hem niet doorgespoeld kreeg. Paniek.
Ik ging met hem mee naar de wc en daar lag een soort kanonskogel in. Uit de tuin haalde ik een stevige tak en daarmee heb ik die drol in stukken geprikt, totdat het lukte om hem door te spoelen.
Zo’n grote drol is niet normaal. Ik zocht de mogelijke bijwerkingen op van de antipsychotica die hij gebruikt, en ja hoor: door het medicijn kan de endeldarm veel wijder worden dan normaal.
‘Je moet nu echt uitstappen’, zegt de chauffeur tegen de jongen. ‘Je houdt de andere reizigers op. Die mensen zitten allemaal op jou te wachten.’
De jongen wendt zich af van de chauffeur en gaat wijdbeens in het gangpad staan. ‘O, wat zijn jullie zielig!’, roept hij, en hij steekt zijn beide middelvingers naar ons op. Daarna stapt hij met een kwaad gezicht uit.
De bus komt sissend in beweging. We rijden de jongen voorbij.
Jan-Willem kijkt glunderend achterom naar mij. ‘Ik ben wél ingecheckt’, zegt hij.
Source: Volkskrant