Terwijl de jeugd met bloemen in het haar zich in San Francisco verzamelde voor de Summer of Love onder het motto love and peace, kwamen werkloze mijnwerkers in nieuwe overalls in Born bijeen onder de strijdkreet ‘Kolen verdwijnen, DAF-auto’s verschijnen’.
In de zomer van 1967 werd vlakbij de gesloten Mauritsmijn met steun van de staat een nieuwe fabriek geopend voor de productie van de Daf 44 en Daf 55.
Net als in San Francisco regen ook in Born de hoogtepunten zich aaneen. Op 1 juli rolde het eerste Dafje van de lopende band. Er werd opnieuw een feestje gevierd toen de 100ste Daf op de trein werd gezet voor Joegoslavië. In de zomer kon de productie al worden opgevoerd tot 30 auto’s per dag, daarna tot 100 en vervolgens tot 150. In november 1967 ging de vlag uit toen de 10 duizendste Limburgse Daf werd geproduceerd. Het Dafje zou de nieuwe tulpenbol zijn, zij het een van 6.000 gulden.
Over de auteur
Peter de Waard is journalist en columnist van de Volkskrant, gespecialiseerd in financieel-economische onderwerpen. Onlangs verscheen van zijn hand Het geheim van Beursplein 5, over de Amsterdamse beurs. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit.
Elke dag arriveerden in Born nieuwe omgeschoolde mijnwerkers, zoals hippies reisden naar Haight-Ashbury. Het vertrouwen in de toekomst was ongekend. Minister van Economische Zaken Joop den Uyl stond garant voor een lening van 100 miljoen gulden.
De Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGSKS) deed daar nog eens 35 miljoen gulden bij. De sky was the limit. De Nederlandse staat werd via de Staatsmijnen (het latere DSM) voor 25 procent mede-eigenaar van de nieuwe goudmijn.
Maar net als die van de hippie-idealen was ook die droom snel voorbij. De meeste mijnwerkers konden niet wennen aan het geestdodende lopende bandwerk, waarbij iemand de hele dag linkerachterlichtjes op een auto moest monteren. Ze gingen er in inkomen en vooral in status op achteruit. En ze moesten ook nog meer uren draaien.
Dat Daf met ‘zijn pientere pookje’ de wereld zou veroveren, was ook een illusie. Vijf jaar later had Daf al een partner nodig. Dat werd Volvo, die op de Daf 77 zijn eigen merknaam plakte. Later werden in Born ook Mitsubishi’s, Smarts, Mini’s en de BMW X1 geproduceerd. In totaal zo’n zes miljoen auto’s in 56 jaar.
Landen als Frankrijk, Duitsland, Italië en zelfs de VS – daar redde de staat tijdens de kredietcrisis nog General Motors – zouden de totale teloorgang van de eigen auto-industrie nooit hebben geaccepteerd. Maar in Nederland vormden de staat en autolobby nooit één front.
Vorige week werd de fabriek in Born in de mottenballen gelegd. Tweeduizend werknemers kregen ontslag. Opvallend was dat er geen wanklank viel te horen: geen protest, laat staan stakingen of bezettingen. Iedereen legde het moede hoofd in de schoot.
Politieke partijen debatteerden over immigratie, stikstof, woningtekorten, bestaanszekerheid en Gaza. De teloorgang van Born als autohoofdstad interesseerde niemand.
Mogelijk wordt in stilte nog gehoopt op een wederopstanding. Misschien wil een Chinese autofabrikant die de EU niet in mag, de boedel nog een keer gebruiken.
Voorlopig is de herrijzenis van de auto-industrie in Nederland even ver weg als die van de Limburgse kolenmijnen of de hippie-idealen.
Source: Volkskrant