Het regende vreselijk, maar het kattenvoer was op, dus ging ik er doorheen, onder mijn paraplu, die weinig nut had, want de pijpenstelen kwamen ook van voren, van achteren en van opzij. Nou ja, ik ben niet van suiker. (Katten zijn blijkbaar wél van suiker, anders konden ze toch best even bij de kachel vandaan om zélf een doos ‘Felix Original Countryside Selection’ te gaan halen?)
Ik dacht aan mijn oma. Zij vreesde paraplu’s, zeker in kinderhanden, want je was ‘zó een oog kwijt’. Omdat ik inmiddels tegen de 60 loop, en nog nooit iemand heb ontmoet die een oog is verloren aan een paraplu, heb ik allengs mijn religieuze voorzichtigheid wat laten varen. Maar rennen met een schaar in mijn hand zal ik nog steeds nooit doen; dat was, volgens mijn oma, een zekere methode om je andere oog óók nog kwijt te raken.
Over de auteur
Sylvia Witteman schrijft voor de Volkskrant columns over het dagelijks leven.
Terwijl ik, de paraplu als een stormram schuin voor mijn gezicht, voortdraafde door de slagregen, dacht ik aan het Engelse woord voor paraplu, ‘umbrella’, dat in het Latijn letterlijk ‘schaduwtje’ betekent; eerder een parasol dan een paraplu dus. Ook het Russische woord voor paraplu is fascinerend: ‘zontik’, dat stamt van het Nederlandse woord ‘zonnedek’. Raar eigenlijk, mijmerde ik, toen ik ergens tegenop botste.
Een tegenligger, óók verblind door zijn paraplu. ‘Jezus, man!’, riep ik geschrokken. ‘Kind toch!’, antwoordde de man. Het was een keurige man, van mijn leeftijd, maar uit een heel andere prijsklasse. Hij was lang en slank en droeg zo’n onopvallende, degelijke regenjas waaraan de leek niet afziet dat hij 1.500 euro heeft gekost. Míjn paraplu, roestig op de baleintjes en bedrukt met flamingo’s, had ik ooit in Artis gekocht, de zijne, zwart en onberispelijk, kwam stellig van The English Hatter.
‘Het spijt me echt’, zei de man. Zijn dictie was uiterst beschaafd, misschien zelfs een tikje – excusez le mot – nichterig. Hij had gelukkig allebei zijn ogen nog, in een joviaal, sproetig gezicht. ‘Sorry, míjn schuld hoor’, antwoordde ik. ‘Nou ja, we zijn nog heel. Mijn oma zei altijd...’ De man lachte. ‘Kind, je bent zó een oog kwijt!’, vulde hij aan.
‘Ja!’ riep ik. ‘Maar nu ben ik toch nieuwsgierig: ren jij wel eens met een schaar in je hand?’ Glunderend schudde hij zijn hoofd. ‘Voor je het weet ben je dat andere oog óók kwijt’, antwoordde hij. Hij legde zijn hand even op mijn bovenarm en kneep zijn ogen tevreden dicht, als een poes bij de kachel.
Op een wereld vol gevaren waren wij, in de kletterende regen, heel even, vrienden voor het leven.
Source: Volkskrant