bestaansonzekerheid
Dit is het dagelijkse commentaar van NRC. Het bevatmeningen, interpretaties en keuzes. Ze worden geschreven door een groepredacteuren, geselecteerd door de hoofdredacteur. In de commentaren laat NRC zien waar het voor staat. Commentaren bieden de lezer eenhandvat, een invalshoek, het is ‘eerste hulp’ bij het nieuws van de dag.
In de aanloop naar de verkiezingen voor de Tweede Kamer op 22 november is niet alleen bestaanszekerheid een groot thema. Uit de verkiezingscampagne blijkt dat ook ongelijkheid in Nederland als een dringend probleem wordt beschouwd. Toch valt de ongelijkheid in inkomen en vermogen behoorlijk mee, zeker in internationaal perspectief. Sterker nog: Nederland is verhoudingsgewijs al één van de landen met de grootste gelijkheid ter wereld.
Dat geldt voor de inkomens: de zogenoemde Gini-coëfficiënt, die loopt van totale gelijkheid (0) tot totale ongelijkheid (1) bedroeg volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek vorig jaar 0,285. Dat is zeer laag. Als de iets van het CBS afwijkende rekenmethode van de OESO, de club van industrielanden, wordt genomen blijkt de Nederlandse inkomensongelijkheid de op vier na laagste van de Europese Unie – en een van de laagste ter wereld.
Met vermogensongelijkheid zit dat op het eerste gezicht anders, en dat is vermoedelijk ook telkens de reden voor politiek alarm. De Gini-coëfficiënt voor vermogensongelijkheid was, zo berichtte het CBS vorige week, 0,711. Dat lijkt zeer hoog, maar vermogensverdelingen zijn nu eenmaal extremer dan inkomensverdelingen. Want ook hier zit Nederland in de lage regionen van de internationale ranglijsten. En dat is dan nog zonder het pensioenvermogen dat een groot deel van de bevolking opbouwt – in zijn aard en omvang vrij uniek in de wereld. Omdat daar niet vrij over te beschikken valt, en het niet kan worden overgedragen, wordt het pensioenvermogen niet meegeteld in de vermogensongelijkheid. Gebeurt dat wel, dan kan er vermoedelijk nog eens 0,1 van de Gini-coëfficiënt af en komt Nederland vrijwel onderaan de internationale ranglijst te staan.
Waarom wordt ongelijkheid dan toch als een groot probleem ervaren? Los van het feit dat in campagnetijd nu eenmaal alles wordt uitvergroot, lijkt daar een goede reden voor, die samenhangt met dat andere grote thema: bestaansonzekerheid.
De inkomensgelijkheid in Nederland wordt mede bereikt door het sinds de eeuwwisseling sterk gegroeide stelsel van inkomenstoeslagen. Een toeslag kan als minder zeker worden ervaren als het inkomen – loon of uitkering – zelf. De toeslag kan elk moment vervallen, stijgen of dalen of – ten onrechte – worden afgepakt. De affaire rond de kinderopvang heeft er wat dat betreft diep ingehakt. De roep om vereenvoudiging van het stelsel is dan ook begrijpelijk: juist het systeem dat is opgetuigd om de inkomensongelijkheid te beteugelen, draagt tegelijkertijd bij aan gevoelde bestaansonzekerheid.
Ook bij de relatief lage vermogensongelijkheid zijn kanttekeningen te plaatsen. Een belangrijk deel van het vermogen van Nederlandse gezinnen komt van de gestegen waarde van het eigen huis. Intussen dreigt een maatschappelijke tweedeling tussen huishoudens – en nakomelingen in die huishoudens – met een koop- of een huurwoning. Vermogen kan worden doorgegeven aan volgende generaties. De betere maatschappelijke kansen die ermee gepaard gaan dus ook.
De vraag wordt zo, of de relatieve gelijkheid in inkomen en vermogen verhult dat hele groepen in de samenleving gevangen worden in de lage inkomens- en vermogensgroepen waarin zij geboren of terechtgekomen zijn. Dat hoort niet bij de meritocratie, noch bij het type verzorgingsstaat dat Nederland graag wil zijn.
Source: NRC