‘Ik ben drie keer via een EU-programma uitgezonden naar Afghanistan. In 2012 was ik er anderhalf jaar gedetacheerd als plaatsvervangend hoofd politiehervormingen. Er waren geen scholen, geen ziekenhuizen, niets. Alles moest worden opgebouwd. Met vijfhonderd Europeanen gingen we er een politieorganisatie opzetten. Dat was mooi om te doen, je bent een land echt aan het helpen.
‘We gaven jonge mannen een opleiding, een uniform, een geweer en 75 dollar per maand. Je zag dat de Afghanen enorme stappen voorwaarts maakten in de ontwikkeling van hun land. Mensen waren gemotiveerd en kregen vertrouwen.
‘De tweede keer was ik er van eind 2014 tot eind 2015. Ik adviseerde de minister van Veiligheid bij het professionaliseren van de politie. Voor politie bestaat in het Afghaans overigens geen woord. Dat zijn gewoon ‘soldiers’. Het was een land in oorlog, iedereen liep daar rond met kalasjnikovs en antitankraketten. Het was er onveiliger geworden, Afghanistan was alweer een beetje aan het instorten.
‘In september 2018 ging ik voor de derde keer. De Taliban breidden hun macht uit, het was er ronduit gevaarlijk. Niemand had meer de intentie om iets op te bouwen. Ik moest veiligheidsrapportages maken over het functioneren van de politie. Ik zag dat het hele politiewerk dat wij met veel energie hadden gebouwd, door de Taliban onder de voet werd gelopen. Politiemensen werden doodgeschoten.
‘Door de oprukkende Taliban brak onder de bevolking paniek uit. Een stroom vluchtelingen was onderweg naar Kabul vanuit de bergen rond de grens met Pakistan. Ik moest daar de veiligheidssituatie in kaart brengen. Samen met de militair adviseur van de minister vloog ik als politieadviseur naar dat onherbergzame gebied.
‘We kregen ter bescherming een helm, kogelwerend vest, pistool en een Colt C7 mee – zo’n semiautomatisch aanvalsgeweer van bijna een meter lang, met een groot vizier erop. En heel veel munitie. In mijn rugzak had ik wat schone kleren en een gevechtsrantsoen, flesjes water, chocola, beschuit, jam, dat soort dingen, zodat je drie of vier dagen in de bergen kunt overleven als het moet.
‘Onder begeleiding van het Amerikaanse leger vlogen we met dubbelschroefs army-helikopters naar dat onherbergzame gebied. Wat ik daar zag, is bijna niet te beschrijven.
‘Over een bergpas kwam een kilometerslange streep van vluchtelingen. Of eigenlijk: van oorlogsslachtoffers. Ik zag mensen, kinderen, die nauwelijks kleren aanhadden, terwijl het vroor. Ze liepen op slippers, blootsvoets of op platgeslagen plastic flessen die met touwtjes onder hun voeten waren gebonden. Sommigen hadden geen voeten doordat ze op een mijn waren gestapt. Die liepen met stukken autoband onder hun enkels. Sommigen hadden helemaal geen benen, die strompelden op stompjes. Ik zag mensen waarvan een arm of een stuk kaak was weggeslagen.
‘Maar het ergst vond ik hun honger. Ze hadden geen honger, nee, ze waren honger gewórden. Hun monden kauwden, hun kaken maalden als een soort zenuwbeweging. En ze waren niet bang, nee, ze waren angst geworden. Zo liepen ze, kauwend, malend, angstig, mager, uitgeput, met holle ogen. Apathisch. Ze keken niet naar ons. Ze maakten geen enkel contact. Er zat geen gevoel in die streep mensen. Het waren zombies, alsof ze uit de dood kwamen. We zagen een stroom levende doden.
‘Daar sta je dan, met je Glock en je Colt. Daar kun je helemaal niks mee. We zeiden niks, het was gewoon te erg. We deelden zwijgend onze rantsoenen uit, meer kun je niet doen. Mensen pakten het aan en sjokten door.
‘Ik heb me nog nooit zo machteloos gevoeld. Bij de politie kon je altijd, bij elk incident, in alle noodhulp, tijdens alle protesten, iets betekenen. Maar daar… Je schrijft in je rapport dat er duizenden vluchtelingen naar Kabul komen en dat er tenten nodig zijn en eten en drinken en dekens en opvang en zo. En vervolgens zegt de Afghaanse regering: ‘Wij hebben dat allemaal niet.’
‘Ik zag een kleutertje, totaal verhongerd, dat aan de hand van z’n moeder hing. Je kunt het niet bij haar weghalen en in de helikopter meenemen. Je zit veertig jaar bij de politie, hebt een hoop geleerd, meerdere opleidingen gedaan, alles meegemaakt, heel veel teams geleid. En dan sta je daar en kun je echt helemaal niks.
‘Ik denk dat van het politieapparaat dat we daar hebben opgebouwd, niks meer over is. Veel politiemensen die wij hebben opgeleid, zijn vermoord door de Taliban. Dus eigenlijk bezegelden wij niet alleen het lot van die mannen, maar ook dat van hun partners, familie en kinderen.
‘Het enige goede van drie missies in Afghanistan is dat ik me heel erg met mijn gevoel heb verbonden. Ik heb meer oog voor de mens achter de politiefunctionaris, vraag door hoe het écht met iemand gaat, en ben me veel bewuster van de negatieve effecten van je beleid.
‘Wat kan ik er nog meer van zeggen? Afghanistan heeft mij als mens heel klein gemaakt.’
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden