Arie den Hartog is een gentleman die zijn bezoek in de donkere avonduren te voet naar de bushalte begeleidt en uitzwaait. Onderweg verontschuldigt hij zich dat hij zo was opgegaan in zijn verhalen, dat hij niet doorhad dat er ineens vijf uren waren verstreken en zijn woonkamer inmiddels in duisternis was gehuld. Het aanbod de knop van de schemerlamp in te drukken, zodat de 100-jarige zijn stoel niet uit hoefde, wimpelde hij af. Eigen regie houden, over alle handelingen, is wat ook veel van zijn kranige leeftijdgenoten kenmerkt.
Den Hartog heeft volgens zijn zoon Michaël ‘een sterk sociaal hart’. Hij begon op jonge leeftijd als metaalarbeider in een fabriek, was lang actief in vakbond en politiek en sloot zijn loopbaan tot zijn eigen verrassing af als burgemeester. Van alles wat hij heeft meegemaakt, praat hij bij voorkeur over één indringende ervaring in zijn leven, een gebeurtenis waarover hij zich al sinds zijn 19de mateloos opwindt – tot op de dag van vandaag.
‘De jaren na de oorlog, toen ik actief werd in de vakbond voor metaalarbeiders. Ik was mij bewust geworden van de slechte positie van werknemers, ging mij inzetten voor betere arbeidsomstandigheden, beloning, meer vrije dagen en een sociaal vangnet bij ziekte en arbeidsongeschiktheid – later ook als bestuurder binnen de vakbond. Een leerzame tijd. Het was de kille ontvangst in de zomer van 1945 door mijn baas, na drie jaar dwangarbeid in Duitsland, die mij deed besluiten actief te worden in de vakbond.
‘Toen de oorlog uitbrak, werkte ik als machinebankwerker bij ijzer- en kopergieterij Penn & Bauduin in Dordrecht. De Duitse bezetter vaardigde in 1942 een verordening uit: arbeiders in geschoolde beroepen werden verplicht in Duitsland te werken. Mijn baas had een lijst van dertig man opgesteld. Daar stond ik kennelijk op, want op 18 mei 1942 kreeg ik een oproep voor een medisch onderzoek, waarna ik werd doorgestuurd naar het arbeidsbureau. Daar lag al een contract voor mij klaar, als machinebankwerker bij een firma in Schweinfurt. Voor 56 uur, maar het zouden er 62 worden. Een week later werden we met honderden mannen in treinen van de Nederlandse Spoorwegen naar Duitsland vervoerd. Ik zou pas in juni 1945 terugkeren.
‘Om mijn baan terug te krijgen, moest ik mij melden bij hetzelfde arbeidsbureau dat had meegewerkt aan mijn tewerkstelling in Duitsland. Daar zei de medewerker: ‘Je had toch kunnen onderduiken?’ Wat dacht die man, dat zijn arbeidsbureau zich tegen de tewerkstelling verzet had? Dat ik vrije keuze had? Bovendien was ik in het voorjaar van 1942 helemaal niet bekend met het begrip onderduiken.
‘Je kunt ook zeggen: bedrijven en ambtenaren faciliteerden de Duitsers, niemand deed zijn mond open toen wij werden afgevoerd, ook de kerken niet. Tussen mei 1942 en juni 1943 zijn 380 duizend Nederlandse mannen afgevoerd voor dwangarbeid. Die drie jaar in Duitsland heb ik niets gehoord van mijn bedrijfsleider in Dordrecht, zelfs niet één kaartje met Kerst. Toen ik in de zomer van 1945 terugkeerde, toonde hij geen belangstelling voor wat ik had meegemaakt en zei alleen dat hij mij hetzelfde loon ging uitbetalen als voor mijn vertrek: 18 cent per uur. Zijn argument was dat hij niet wist of ik mij in Duitsland had ontwikkeld op vaktechnisch gebied, terwijl ik in eenzelfde functie hard had gewerkt. En dat in vaak moeilijke omstandigheden.
‘Schweinfurt is diverse malen zwaar gebombardeerd, waarbij er weinig overbleef van de fabriek. We vluchtten naar loopgraven om te schuilen en zijn op een gegeven moment geëvacueerd naar een andere fabriek. Ik vertelde mijn baas wat voor werk ik had gedaan, maar hij bleef bij die 18 cent. Dat was het moment dat ik besloot om actief te worden in de vakbond voor metaalarbeiders, die later opging in de industriebond FNV. Ik wilde af van de positie van de arbeider die zich maar moet schikken in beslissingen en maatregelen van hogerhand.
‘De algehele ontvangst van dwangarbeiders die terugkeerden naar Nederland was onbeschoft. In de weken dat we onderweg waren, kregen we hulp, broodjes en koffie van Franse en Belgische hulpverleners. In België kregen we zelfs een paar centen om een ijsje te kopen. In Nederland was er niets. De eerste plek waar mijn groep werd ondergebracht, was een klooster in Brabant, bij paters. Daar werden we de volgende dag weggestuurd, omdat ze onder elkaar Hemelvaartsdag wilden vieren. Na de bevrijding werd een comité van nationale eenheid opgericht, dat schreef in een notitie over het ‘gevaar van halfwilden’ die uit Duitsland waren teruggekomen. Die wilden ze voor heropvoeding onderbrengen in kampen, zodat ze zich weer konden aanpassen aan de Nederlandse gewoonten en gebruiken. Toen minister Drees van Sociale Zaken die notitie las, schreef hij er in potlood bij dat we dit maar niet moesten doen.’
‘Er was helemaal geen aandacht voor ons. Erkenning voor wat wij hebben doorgemaakt, is er nog steeds niet. Ruim 300 duizend mannen zijn afgevoerd, met medewerking van Nederlandse ambtenaren en de Nederlandse Spoorwegen. 30 duizend Nederlandse dwangarbeiders zijn omgekomen. De pensioenpremies die zij tijdens hun dwangarbeid hadden afgedragen, zijn in 1957 gevorderd door de Nederlandse staat en in de staatskas gestort. Kort daarna werd de AOW ingevoerd. Ze hebben ons verwaarloosd én ons pensioengeld gejat. Daar hebben we nooit genoegdoening voor gekregen.’
‘Daar werd ik voor gevraagd: bestuursfuncties in de vakbond, de politiek, het burgemeesterschap – ik kreeg het ene verzoek na het andere. Dat zeg ik niet om op te scheppen, maar om duidelijk te maken dat het mij allemaal is overkomen. De laatste tien jaar voor mijn pensioen was ik burgemeester van Geertruidenberg. Ik werd gevraagd door de PvdA en de commissaris van de koningin, omdat het in deze gemeente al jaren onrustig was, met de ene waarnemend burgemeester na de andere. Laat ik het maar proberen, dacht ik. Na een aantal jaren kreeg ik een motie van wantrouwen aan mijn broek, waar helemaal niets in stond, behalve dat ze van mij af wilden. Ik ben, met steun van de commissaris van de koningin Dries van Agt, gewoon doorgegaan. Het werd in redelijke vrede opgelost.’
‘Dat weet ik nog steeds niet. Ik denk dat het ermee te maken had dat ik van de PvdA was. De raad werd gedomineerd door het CDA en een lokale partij. De troep die de politiek nu is, is begonnen met de opkomst van lokale partijen. Zo deden mensen die weinig verstand van zaken hebben, maar wel menen te weten wat er moet gebeuren, hun intrede in de politiek. Een andere ontwikkeling die tot de politieke troep heeft geleid, is dat burgers stelselmatig op een zijspoor worden gezet. Dat blijkt niet alleen uit de toeslagenaffaire, maar ook uit hoe makkelijk Rutte achter premier Netanyahu van Israël is gaan staan, én hoe Nederlandse dwangarbeiders zijn behandeld.’
‘Een die vindt dat partijen het samen moeten doen, als gelijkwaardige partners, met respect voor ieders mening. Ik maakte mij vooral druk om huisvesting en sociale kwesties. Als fractievoorzitter van de PvdA in Dordrecht bestreed ik huisjesmelkers die Turkse arbeiders uitbuitten door ze tegen villaprijzen in krotten te huisvesten. Ik verdiepte me erin, stelde het aan de orde in de raad en kreeg het voor elkaar dat er strengere regels kwamen en fatsoenlijke huisvesting voor de arbeidsmigranten.’
‘Wera, een Russische uit Voronezj, een grote stad in het zuiden van Rusland. Ze had gymnasium gedaan en zou met haar universitaire studie beginnen om kinderarts te kunnen worden, toen de oorlog uitbrak en haar stad werd gebombardeerd. In de chaos die ontstond, raakte ze haar broertje kwijt. Ze werd opgepakt door Duitse soldaten en moest stellingen graven. Daarna werd ze tewerkgesteld in Duitsland, in de keuken van de fabriek waar ik moest werken. Ze bracht ons arbeiders eten. De Russische en Oekraïense vrouwen die dwangarbeid verrichten, hadden het nog zwaarder dan wij. Bij bombardementen mochten ze niet naar schuilplaatsen, velen kwamen om. En ze hadden maar één uur per week vrij, op zondag. Op zo’n moment zijn we gaan wandelen in het bos en kregen we verkering. Na de bevrijding is ze met mij meegegaan naar Nederland, we zijn getrouwd en kregen vier kinderen. Wera was een lieve vrouw, dat vind ik nog steeds. We hadden een gelukkig huwelijk.
‘Wera heeft ook nooit iets teruggezien van de premies die ze tijdens de dwangarbeid in Duitsland afdroeg. Na mijn pensioen heb ik mij in deze zaak verdiept en ben ik voor haar gaan procederen. Na een jarenlange juridische strijd kreeg ik uiteindelijk in 2000 een oproep van het Sozialgericht, de hoogste raad van beroep in Duitsland. Daar mocht ik het hele verhaal nog een keer vertellen – en werd ik in het gelijk gesteld. Zo kreeg Wera alsnog haar pensioen. Dat voelde als gerechtigheid.
‘Hopelijk kom ik niet negatief over, van nature ben ik dat niet. Maar de kwestie van dwangarbeid komt steeds weer boven.’
‘Als iemand de tijd neemt naar mijn hele verhaal te luisteren. En mijn mening wordt gerespecteerd, zoals ik ook de mening van anderen respecteer.’
geboren: 9 mei 1923 in ’s-Gravendeel
woont: zelfstandig, in ’s-Gravendeel
beroep: metaalbewerker, vakbondsbestuurder en politicus
familie: vier kinderen (een overleden), acht kleinkinderen, elf achterkleinkinderen
weduwnaar: sinds 2009
Om u deze content te kunnen laten zien, hebben wij uw toestemming nodig om cookies te plaatsen. Open uw cookie-instellingen om te kiezen welke cookies u wilt accepteren. Voor een optimale gebruikservaring van onze site selecteert u "Accepteer alles". U kunt ook alleen de sociale content aanzetten: vink hiervoor "Cookies accepteren van sociale media" aan.
U bent niet ingelogd
Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden